Denkend aan Dijkstal…

Wil je als politicus onsterfelijk worden, dan moet je zorgen dat er een nacht naar je genoemd wordt. SGP-leider G.H. Kersten begon daar ooit mee, in 1923, en daarna kregen – among others – ook Norbert Schmelzer (1966) en Hans Wiegel (1999) hun eigen Nacht. De afgelopen maandag op 67-jarige leeftijd overleden Hans Dijkstal daarentegen verdient het te worden herinnerd vanwege een Dag.

De Dag waar we het dan over hebben, is 30 juli 1998, toen Dijkstal, op dat moment demissionair minister van Binnenlandse Zaken, het fractievoorzitterschap van de VVD overnam van Frits Bolkestein.

Laten we het voortaan de ‘Donderdag van Dijkstal’ noemen, want de impact van deze liberale leiderswisseling was gigantisch.

Ter opfrissing van het geheugen: drie jaar eerder, bij de Statenverkiezingen van 1995, was Bolkestein er voor het eerst in geslaagd van de VVD de grootste partij van Nederland te maken. Met – omgerekend – 41 Kamerzetels, aanzienlijk meer dan het CDA (34) en de PvdA (26). Kranten schreven over ‘de triomf van het woonerf-liberalisme’ en signaleerden dat de VVD zelfs in PvdA-bolwerken als Amsterdam en Rotterdam de grootste was geworden. Een unicum. Over de oorzaak van die historische electorale aardverschuiving was iedereen het eens: de harde uitspraken van Bolkestein over het vastgelopen asielbeleid en de falende integratie van minderheden. Op die punten waren de velden in Nederland op dat moment wit om te oogsten.

Maar vervolgens kreeg dus Dijkstal het heft van de VVD in handen, nota bene op voordracht van Bolkestein. Het was de meeste bizarre beslissing denkbaar. Dijkstal immers was een liberaal van de linkervleugel die geen enkele affiniteit had met Bolkesteins standpunten over multiculturele kwesties. Bovendien was hij geen goed debater en ontbrak het hem aan uitstraling. We weten allemaal hoe het afliep: in 2001 verscheen Pim Fortuyn op het politieke toneel en begon daar te oogsten wat Bolkestein had gezaaid. Gevolg: onder aanvoering van Dijkstal leed de VVD in 2002 haar grootste verkiezingsnederlaag ooit.


Wat zou er zijn gebeurd als Bolkestein in 1998 nog gewoon voor vier jaar had bijgetekend om zijn karwei af te maken? Zeker weten doen we niets, maar de electorale kansen voor Fortuyn waren in dat geval nihil geweest. En: zonder Fortuyn hadden waarschijnlijk ook zijn ‘opvolgers’ Rita Verdonk en Geert Wilders van een politieke solocarrière afgezien. Zo bezien was de ‘Donderdag van Dijkstal’ in feite de Nacht van Schmelzer van de jaren negentig: een op zich ‘kleine’ gebeurtenis met – in hindsight – reusachtige gevolgen.

Bolkestein, die man die Dijkstal op het schild hees, kwam in zijn in 2005 gepubliceerde Grensverkenningen. Dagboek van een Eurocommissaris nog één keer op de kwestie terug. “Was après tout toch een maatje te klein,” schreef hij toen over zijn opvolger. En daar kon Dijkstal het mee doen.

Maar Dijkstal was niet alléén de verkeerde man die op het verkeerde moment op de verkeerde stoel belandde. Hij behoorde ook tot het slag politici die met recht en reden voorzien konden worden van het in Den Haag zelden gebruikte etiket ‘beminnelijk’. Als jazzliefhebber en saxofonist kon hij begeesterd spreken over de embouchure van Ben Webster, over wie hij zei: “Door zijn unieke manier van aanblazen had hij een fabelachtige toon.” Dat de wetten van de muziek in de politiek geen opgeld doen, heeft Dijkstal als geen ander aan den lijve ervaren.

import haagse post