Plastic fantastic

Voor een door de wol geverfd journalist mag een bezoekje aan Playmobil Planet niet ontbreken: een meerdaags evenement in de Utrechtse Jaarbeurs met in de hoofdrol plastic poppetjes met curieuze handjes.

Ik ben dit vak ingegaan omdat ik van avontuur hou. Journalistiek, zo hield ik mij altijd voor, dat is overal op de aardkloot uit het rauwe leven happen terwijl de man met de zeis je geen seconde uit het oog verliest. Behangen met bloedzuigers door de dichtbegroeide jungle van Borneo struinen terwijl gemeen stekende horzels zich als kamikazepiloten op je sudderende vlees storten. Je tot op het bot verkleumde lijf met een pikhouweel langs de bevroren flanken van de Nanga Parbat omhoog takelen, waarbij de ijle lucht ervoor zorgt dat het lijkt alsof je met je hoofd in een strak aangedraaide bankschroef zit. Met ware doodsverachting in een rubberbootje over de schuimbekkende Zambezi-rivier de duizelingwekkende diepte in raften, links en rechts rotspunten ontwijkend die je rug over de gehele lengte zouden kunnen openritsen, zodat je bloederige ingewanden als steak tartare naar buiten gutsen en een feestmaal vormen voor de geduldig toekijkende gieren. Aan de boorden van de erwtensoepgroene Amazone een zelf geschoten capibara roosteren terwijl je duizend priemende ogen in je rug weet en het moment vreest waarop je ten prooi valt aan een horde primitieve indianen die met behulp van blaaspijpjes gifpijlen door je flink pulserende halsslagader jagen…

Nou ja, zo sta ik dus in Utrecht.

Bij Playmobil Planet.

Naast een kotter gevuld met dozen vissticks. Wie raadt hoeveel dozen er in de kotter zitten, wint een prijs. Van Playmobil.

Ergens is het misgegaan…

De gruwelijke waarheid is bovendien dat ik moet bekennen dat Playmobil speelgoed is van ná mijn tijd. In de jaren zestig hadden we Sio montage, dat je de kans bood om met houten planken en felgekleurde bouten en moeren van plastic een Caltex-garage in elkaar te sleutelen. Onverwoestbaar speelgoed – en neem van mij aan dat ik geprobeerd heb het tegendeel te bewijzen. Playmobil, die vrolijk lachende poppetjes met handjes die doen denken aan de mijne na urenlang kroegbezoek, dateert pas uit de eerste helft van de jaren zeventig en mijn connectie gaat niet verder dan dat we de Mobiele Eenheid vroeger altijd spottend de Playmobiele Eenheid noemden. Curieus, hoe humor door de jaren heen verandert.


De Playmobil-poppetjes zijn ontsproten aan het brein van Hans Beck (1929-2009), een Duitse meubelmaker die zich in 1958 bekeerde tot het edele vak van speelgoedontwerper. Begin jaren zeventig diende hij van zijn werkgever, het bedrijf Geobra Brandstätter, op de proppen te komen met enkele eenvoudige figuurtjes die als bestuurders van een collectie voertuigen zouden kunnen fungeren. Na uitgebreid het gedrag van spelende kinderen te hebben bestudeerd, kwam hij met schepseltjes die – zoals de officiële lezing luidt – ‘genoeg bewegende delen hebben om van houding te veranderen, maar niet zóveel dat het te ingewikkeld wordt’. Playmobil is in beginsel voor consumenten tot 7 jaar, vandaar.

De lachende gezichtjes hebben bovendien geen neus. “Bewust,” zegt Alain Hellebout, commercieel directeur Playmobil Benelux, die ik bij Playmobil Planet, een meerdaags evenement in de Utrechtse Jaarbeurs, de hand druk. Een hand die opmerkelijk genoeg vijf vingers telt. En Hellebout heeft ook een neus, in tegenstelling dus tot het immense plastic leger dat hij vertegenwoordigt. “Meneer Beck was tot de ontdekking gekomen dat kinderen wél altijd ogen en een lachende mond tekenen als ze een gezicht maken, maar zelden tot nooit een neus.” Door de Playmobil-figuurtjes eveneens een reukorgaan te ontzeggen, zorgde Beck volgens Hellebout voor ‘een stukje identificatie naar de kinderen toe’.

De Playmobil-poppetjes praten niet; dat doet de commercieel directeur wel voor hen. “Ons product wordt goed gecommuniceerd,” vertelt hij. “We hebben dan ook een significant aandeel van de speelgoedindustrie afgedekt. Wij zijn het op één na grootste speelgoedmerk in Nederland.” Glimlachend: “Nummer één is onze collega uit Denemarken.” Dat laatste lijkt geografisch te zijn bepaald. Hellebout: “Hoe noordelijker in Europa, hoe meer Lego er verkocht wordt. Maar ga je naar het zuiden, dan is Playmobil de marktleider.” Waarom dat is, weet hij niet. Wél denkt hij te kunnen beredeneren waarom ‘dat andere merk’ het hier zo goed doet. “Onze collega’s zijn vijftig jaar op de markt, dus die functioneren inmiddels in een derde generatie. Wij pas in een tweede.”


Playmobil werd voor het eerst aan de wereld getoond op de internationale speelgoedbeurs van Neurenberg, in 1974. De belangstelling voor de figuurtjes met de verkrampte handjes – de geringe afmetingen waren een direct gevolg van de oliecrisis, die het fabriceren van grote stukken plastic speelgoed te kostbaar maakte – was op z’n zachtst gezegd lauw. Alleen Wim Remken, een vertegenwoordiger van groothandel Otto Simon, zag er brood in. Op de laatste dag van de beurs plaatste hij een order van niet minder dan één miljoen Duitse marken, waarbij hij ook nog eens exclusiviteit voor de Benelux wist te scoren. Een jaar later werd Playmobil voor het eerst Speelgoed van het Jaar.

“En waar hebben we het nou helemaal over?” vraagt Hellebout retorisch. “Over 7,5 centimeter grote speelfiguurtjes. Maar wél figuurtjes waarmee de kinderen vanuit hun fantasie een eigen leefwereld kunnen creëren! Wij leveren hoogstens de thema’s – brandweer, huwelijk – maar de kinderen vullen verder alles zélf in. Daarom zijn wij ook niet licentiegedreven. Je zult bij ons bijvoorbeeld nooit Star Wars-figuren zien.”

Eigenlijk wil ik weer even terug naar de kotter om dozen vissticks te tellen, maar de commercieel directeur heeft nog een nieuwtje. “Kinderen van 0 tot 36 maanden en van 3 tot 7 jaar, dat is eigenlijk onze corebusiness. Maar we gaan nu dus wél een nieuwe lijn positioneren voor de doelgroep 7-12. ‘Top Agents’ gaat die heten. Dat gaat over bad guys die een gemeen virus de wereld in willen slingeren en good guys die dat snode plan willen verhinderen!”

Het enthousiasme waarmee hij het vertelt, doet vermoeden dat hij de verhaallijn zelf al helemaal heeft nagespeeld, aan de keukentafel.


“De poppetjes uit deze lijn zien er wat gedetailleerder uit, wat ze een stukje meer functionaliteit geeft. Een schurk heeft bij Top Agents dus een stoppelbaard. Met deze lijn spelen we trouwens in op het thema ‘kids are getting older younger’. Het is namelijk een gegeven dat kinderen op steeds jongere leeftijd met speelgoed stoppen. Volgens mij kunnen we die leeftijdsgrens door middel van Top Agents wel wat oprekken. En als er belangstelling voor is, zal het verkocht worden ook. Ik heb namelijk het idee dat ouders steeds vaker teruggrijpen op duurzaam speelgoed. En speelgoed lijdt ook helemaal niet onder het crisiselement in de atmosfeer. De consument is nog altijd bereid om geld te besteden aan goed speelgoed, daar ben ik heilig van overtuigd. En het succes van deze allereerste Playmobil Planet bewijst dat er iets te besteden vált,” zegt Hellebout, wijzend op de centraal in de hal opgestelde Playmobil-winkel, waar zoveel bedrijvigheid heerst dat je haast vermoedt dat het spul voor niks wordt weggegeven. Maar dat zal wel niet, met zo’n alerte commercieel directeur in de buurt. Hoeveel zou er eigenlijk worden omgezet, op zo’n evenement als Playmobil Planet? Hellebout: “Ik vind het heel gevaarlijk om daar iets over te zeggen.”

En hoeveel bezoekers trekt deze eerste editie gemiddeld per dag?

“Ik vind het heel gevaarlijk om daar iets over te zeggen.”

Komt er wellicht volgend jaar een twééde Playmobil Planet?

“Ik vind het heel gevaarlijk om daar iets over te zeggen.”

Een kleine rondgang over de beurs dan nog maar, waar op springkussens en in trapauto’s luidkeels de zegeningen van de meivakantie worden bejubeld. In de Playmobil-bakkerij kun je gratis je eigen cakeje versieren, met spuitroom en smurfendip. Dat laatste is blauwe hagelslag. Blij dat ik niet meer tot de doelgroep behoor. Al is het natuurlijk wel verdomd avon-tuurlijk om zulke rotzooi te vreten – en was ik juist dáárom niet dit vak ingegaan?


Ook Daniela Schabenstiel uit Duitsland, de Belg Bruno Peeters en de kopstukken van de familie Hengel uit Luxemburg zijn de doelgroep reeds hoog en breed ontgroeid. En toch zijn ze prominent aanwezig op de manifestatie. Volwassenen die met Playmobil spelen? Ja, zij het bepaald niet op een kinderachtige manier. Ze worden verzamelaars genoemd – en hun collectie staat veilig achter dranghekken. Dranghekken die door representanten van de doelgroep op hun weerbaarheid worden getest, dat dan weer wel. Schabenstiel bouwde een compleet operagebouw, waarin ze tientallen mannetjes en vrouwtjes zonder vingers naar La Bohème laat luisteren. Gesnotterd wordt er niet bij dit meesterwerk van Puccini, om de doodeenvoudige reden dat geen van de toeschouwers een neus heeft. Circus Mini-Maximus is de trots van de Belg Peeters, die tien jaar geleden begon met het verzamelen van Playmobil. Hij mag met het duurzame speelgoed graag imposante diorama’s bouwen, waarvan voornoemd Romeins amfitheater – compleet met gladiatoren, leeuwen en echt zand – een van de meest geslaagde voorbeelden is. Qua omvang valt het echter in het niet bij wat de Luxemburgse familie Hengel op vijftig vierkante meter heeft uitgestald: een gevarieerd Afrikaans landschap met luipaarden, buffels, olifanten en giraffen.

Ben ik tóch nog even in de jungle!

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom, foto's Ilvy Njiokiktjien