Trouw aan jezelf

Een van de raadselachtigste complimenten die mensen zichzelf kunnen geven, is dat ze altijd trouw aan zichzelf zijn gebleven. Vooral in interviews van het dieper gravende soort, waarin de geïnterviewde wordt doorgezaagd over zijn levensloop en aangemoedigd het achterste van zijn tong te laten zien, figureert deze zinsnede regelmatig. Wat er precies mee wordt bedoeld, is onduidelijk, behalve dat er ontegenzeggelijk sprake is van een gunstige eigenschap, waar de geïnterviewde zelf heel tevreden mee is en de interviewer door geïmponeerd.

Je kunt twee mislukte huwelijken achter de rug hebben, tot grote hoogte gestegen carrièregewijs, over de kop gegaan, opgekrabbeld, nieuwe ambities ontwikkeld, weer een nieuw kind met weer een nieuwe vrouw gekregen, op je zestigste afgekickt van de alcohol en een schilderhobby opgevat, en toch vinden dat je al die tijd trouw aan jezelf bent gebleven. Niemand die daar vreemd van opkijkt. Je kunt ook heel goed een verleden als marxist hebben gehad, vervolgens een tijdje in liberale kringen verkeerd en je ten slotte ontpoppen als radicaal conservatief, zonder het minste gevoel van ontrouw aan jezelf. De uitdrukking betekent dan ook helemaal niets. Trouw zijn impliceert een relatie. Een individu kan alleen trouw zijn aan iets externs: andere mensen, een cultuur, een religie, het een of andere gedachtengoed of een natie.

Trouw zijn aan jezelf daarentegen is een bespottelijk concept, alsof er een instantie in je hoofd zit die je zou kunnen behoeden voor wezensvreemd gedrag of wezensvreemde opvattingen. Voor zover die beoordelende instantie er zit, komt die van buiten, en alle twijfel die door iemands hoofd kan spoken over keuzes, is terug te voeren op een belangenconflict tussen de persoon zelf en iets of iemand anders. De man die overspel overweegt, twijfelt tussen trouw aan zijn nietsvermoedende echtgenote en een spannend avontuur. Dat interne conflict kan behoorlijk hoog oplopen. Maar zodra de balans naar één kant is doorgeslagen, wordt het resultaat moeiteloos geïncorporeerd in de langetermijnopvattingen die de persoon er over zichzelf op na houdt. In het ene geval beziet hij zichzelf als iemand die niet zo dom is om zijn huwelijk in de waagschaal te stellen voor een slippertje. In het andere geval beziet hij zichzelf als iemand die zo’n mooie kans niet door zijn vingers laat glippen. Trouw aan jezelf is dus altijd van toepassing. En soms ook weer niet, want welke van de tientallen ikken die tezamen je levensloop vormen moet je als standaard nemen? De persoon die op het stadhuis trouw in voor- en tegenspoed beloofde, of de persoon die tien jaar later de echtscheiding in gang zette? Toen ik acht jaar was, vond ik niets leuker dan mezelf van een duintop door het zand naar beneden te laten rollen. Ik moet er nu niet meer aan denken. Toch is er geen reden om de achtjarige ‘ik’ minder serieus te nemen dan de vijftigplusser die met een leesbril op de weekendbijlages zit door te nemen.


Mensen vinden het prettig als anderen zich consistent en betrouwbaar gedragen, want dat verhoogt hun gevoel van controle over de omgeving. Iedereen kent zichzelf natuurlijk het beste, althans verbaast zich over zichzelf minder dan over anderen. Van jezelf zie je altijd de innerlijke samenhang van uiteenlopende gedragingen en overtuigingen. Inconsis-tenties worden eenvoudig ingepast in een groter geheel. Elk verhaal dat mensen over zichzelf vertellen, bestaat uit een schijnbaar logische keten van oorzaak en gevolg, waarbij ze geneigd zijn om successen aan zichzelf toe te schrijven en de minder fraaie gebeurtenissen aan invloeden van buiten te wijten. Wie slaagt voor z’n rijexamen, ziet dat als eigen verdienste, wie zakt, heeft al gauw een chagrijnige examinator.

Toch kan het begrip ‘trouw aan jezelf’ nuttig worden aangewend. Bijvoorbeeld in de opvoeding. Stel dat een kind ineens om onduidelijke redenen moeite heeft met inslapen. Je kunt je als ouder natuurlijk uitgebreid verdiepen in dat probleem en proberen de oorzaken te achterhalen, maar soms volstaat het om vriendelijk en enigszins verbaasd te zeggen: “Goh, wat raar, jij bent typisch zo iemand die altijd snel inslaapt.” Als het kind dit sociaal-wenselijke perspectief als objectieve waarheid overneemt van de ouder, is de kans groot dat het inderdaad sneller in slaap valt. Iedereen is graag trouw aan zijn eigen ideaaltype – dat het ideaaltype niet uit hemzelf maar van externe autoriteiten afkomstig is, doet er niet toe.

import ritsema