Iedereen heeft wel ergens spijt van

In de slotpagina’s van Alles waar ik spijt van heb, de Nederlandse vertaling van de laatstverschenen roman van de Franse schrijver Philippe Claudel, herinnert een bijfiguur zich wat een oom van hem altijd vertelde: “(-) en zo verloopt het leven, kleine Jos, van spijt naar spijt, alsof je haasje-over doet, je hebt het recht om van honderd dingen spijt te hebben, niet meer en niet minder, (-) honderd dingen waar je spijt van hebt, herhaalde mijn oom, en als het honderdste in het grote boek, het boek der schulden is opgeschreven, (-) dan ga je dood!”

De oorspronkelijke titel, Quelques-uns des cent regrets, komt dichter bij deze passage dan de Nederlandse, maar het woord ‘spijt’ kent nu eenmaal geen meervoud, vandaar dat de vertaler zijn toevlucht moest nemen tot een omschrijving. Dat alle gevallen van spijt in de Nederlandse titel nu uitsluitend voor rekening van de ik-figuur komen, dekt zodoende niet helemaal de lading. Iedereen in dit boek (en er treden nogal wat karakteristieke figuren op, allen prachtig geportretteerd) heeft wel reden om ergens spijt van te hebben.

De verteller, de ‘ik’ uit de titel, keert terug in het Simenoneske stadje dat hij zestien jaar geleden, zestien jaar oud, verliet nadat hij erachter was gekomen dat de piloot in een fotolijstje niet zijn in een verre oorlog omgekomen vader was, zoals zijn moeder hem altijd had voorgehouden. Die ontdekking betekende ‘het einde van het mooiste deel van mijn kindertijd’. Door met pijnlijke vasthoudendheid te blijven vragen ‘Wie is mijn vader?’, pleegde de jongen ‘een langzame moord’, beseft hij nu. Zijn moeder is dood, hij is teruggekomen om haar te begraven. Zestien jaar lang heeft hij niets van zich laten horen, ze stierf van verdriet en eenzaamheid en ze moet niet ouder dan 48 zijn geweest, want zij was zestien toen ze haar kind kreeg.

Wel degelijk dingen om spijt van te hebben.

In het huis waarin hij opgroeide, vindt de ik een envelop met in het handschrift van zijn moeder de tekst: “Dit is wat je zo graag wilde weten.” Zo dicht is hij nog nooit bij de onthulling van het geheim geweest, maar hij geeft de envelop prijs aan het vuur. Het is goed zo.

Intussen moet hij wel de enige zijn die niet weet wie zijn vader is. Als kind voelde hij al hoe zijn moeder en hij achter hun rug werden uit- gelachen, en voor de lezer is het ook al snel geen geheim meer. Een familiedrama, schaamte, schande – spijt, spijt, spijt.


Nergens doet Claudel het gebeurde expliciet uit de doeken; hij is de meester van de suggestie. In sobere taal schept hij filmische beelden. Neem de begrafenis: het kerkhof is door een overstroming alleen over water bereikbaar, in één schuit vier dragers, de begrafenisondernemer en de kist, in een ander bootje de verteller en de pastoor. “De twee schuiten volgden elkaar op een afstandje door een stilte die het geklots van de golven en het gekrijs van de vogels nauwelijks konden verstoren.” Net als andere scènes zie je het voor je, maar gek genoeg in zwart-wit. Alleen als het over ‘het mooiste deel van mijn kindertijd’ gaat, is er kleur.

Philippe Claudel wrijft de lezer voortdurend geuren onder de neus die herinneringen op gang brengen. “De geuren van plaatsen waar je hebt gewoond maken een eeuwige, levende afdruk in je geheugen (-). Zodra je ze opsnuift, beland je weer, met angstaanjagende levensechtheid, op momenten die allang zijn verdwenen.” De schrijver past het beproefde procedé met Proustiaanse precisie (maar met minder omhaal van woorden) toe, waardoor de roman, die niet meer dan 175 bladzijden telt, nog lang na lezing blijft spoken – op een prettige manier.

Philippe Claudel: Alles waar ik spijt van heb. De Bezige Bij. €16,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Frank van Dijl