De nieuwe ruïnes van Griekenland

Griekenland staat voor een gigantische bezuinigingsoperatie. De woede en de onrust onder de bevolking zijn groot. HP/De Tijd volgde de historische marathonroute en peilde de stemming. ‘We hebben dit voor negentig procent zelf veroorzaakt.’

Het is een lome zondagochtend. Vijf oude mannen zitten rond een tafeltje in het morsige drinklokaal voor oude mannen. Een man met een pet en een volstrekt uitdrukkingsloos gezicht wekt met een kort gemompel de razernij van zijn zwaarbesnorde buurman, die met een hand leunt op zijn wandelstok. We kunnen ze niet verstaan.

“!!!” roept de man met wandelstok.

“…” reageert de man met de pet.

De man met de wandelstok rolt met zijn ogen. “!!!!!”

Er klinkt een verachtelijke snuif onder de pet. De andere tafelgenoten vallen stil.

De knokkels rond de wandelstok worden wit. Dreigend gaat hij een decimeter de lucht in.

“????!!” vraagt de man met de stok aan de andere oudjes. Die wenden hun blik af.

De man met de pet toont zich verontwaardigd. Zijn kin gaat naar voren. Met vuur in de ogen kijkt hij opzij. “!”

Dat is een woord te veel. De wandelstok bonkt tweemaal op de vloer. Er klinkt een rauwe kreet. “#$&*#,” ongetwijfeld een diepe belediging, dondert door het drinklokaal. Niemand kijkt op. “!!!” snauwt de man met de pet nog terug. Het zijn de laatste woorden die hij het komende uur zal uitspreken.

De ruzie tussen de twee oude mannen zou over de voetbaluitslagen kunnen zijn gegaan, of over elkaars familie. Maar tegenwoordig is het een veilige gok dat verhitte discussies tussen Grieken over de economie gaan. Want de door de regering aangekondigde draconische bezuinigingen – kort gezegd: vrijwel iedereen moet fors inleveren – zijn hét gespreksonderwerp. Het televisienieuws toont veel ernstige gezichten, het woord ikonomia valt voortdurend. We zien tienduizenden betogers in Athene. Traangas. Molotovcocktails.


Maar Athene is een ander universum voor de oude mannen in het drinklokaal. We bevinden ons 42 kilometer verderop, in Marathonas, het historische plaatsje van waaruit soldaat Phidippides volgens de overlevering in 490 voor Christus de eerste marathonafstand naar Athene rende – om daar vervolgens dood ter aarde te storten. Marathonas is nu een provinciestadje waar er zoveel van zijn: een centraal plein met een kerk, twee winkelstraten. Auto’s zijn bedekt met een laag stof, afkomstig van de omringende heuvels.

Het gaat redelijk met Marathonas, vertelt de bakker in gemankeerd Duits. Er zijn natuurlijk altijd wel die toeristen, en die marathonlopers die blijven komen. Marathonas kan zich daardoor tenminste nog onderscheiden van de omliggende plaatsjes, die wel altijd anoniem en onbeduidend zullen blijven. In Marathonas zijn een paar redelijk hippe tenten waar de volwassenen buiten op het terras zitten en de kinderen binnen, gamend aan een paar tafels met computerschermen. Afgezien van die ene stoet rouwende mensen die we door de winkelstraat zagen lopen in het kielzog van een orthodoxe geestelijke, moet het leven in Marathonas zo slecht nog niet zijn.

Dus nee, de crisis heeft hier nog niet een dwingende urgentie. “Mensen hebben hier vaak nog wel wat grond of onroerend goed achter de hand,” zegt Honestis (34), een privéleraar Engels. “De grote stad is een heel andere wereld dan hier.” Wel proeven we in Marathonas, zoals op elke plek die we zullen aandoen, een diep wantrouwen jegens de politiek. Dat wantrouwen deelt Honestis volledig. “De beste straf voor politici is misschien wel dat niemand op ze stemt. Dat zouden we eens moeten proberen.” Hij lacht als een boer met kiespijn. Het is niet fijn om als het kneusje van Europa te kijk te staan. De Grieken hebben een mooi land en zijn een trots volk, zegt hij. “Misschien wel een beetje te trots voor wat we ervan gemaakt hebben.”


Het is geen straf om in Nea Makri te moeten zijn, in meerdere opzichten een equivalent van ons eigen Zandvoort. Het is ongeveer even groot, het telt relatief veel winkels en restaurants en een boulevard die nét boulevard mag heten. We zien enkele überhippe eetgelegenheden met jonge loungende Grieken op dikke zitkussens. De straten waar de toeristen komen, zijn netjes aangeveegd, het ziet er bijna mondain uit. Volgens winkeliers staan de toegangswegen naar het dorp en de parkeerplaatsen in het hoogseizoen mudjevol.

Maar het is niet louter goud wat er blinkt in Nea Makri. Wie buiten de gebaande paden loopt en een woonwijk in schiet, komt langs desolate open plekken waar ooit bouwplannen moeten zijn geweest. Er ligt een zandhoop, er staat nog steeds een afrastering. Maar de shovel die er geparkeerd staat, toont roestplekken van járen. De enige geluiden die we er horen zijn afkomstig van de honden in de omringende tuinen die tegen elkaar in blaffen.

Er is wel een reden waarom veel winkels er fris uitzien: ze zijn nog jong. Een caféhoudster vertelt dat de omloopsnelheid van de meeste zaken één tot twee zomerseizoenen is. Dan is de rek eruit. Zo kunnen we ook wel raden dat minstens één van de drie schoenenwinkels die we naast elkaar in hetzelfde straatje zien volgend jaar over de kop zal zijn gegaan. En dan is er het verschijnsel dat we op zaterdagmiddag om twee uur voor onze ogen zien gebeuren: de rolluiken voor de winkels gaan dicht. Páts. Sluitingstijd. Twee uur. Ze wilden zo graag nog wat geld uitgeven, de toeristen die in groepjes over straat gaan. Maar het is dan wel Nea Makri, het is óók Griekenland.


We kunnen Mati geen dorp noemen. Het is hooguit een verzameling woningen, gerangschikt langs glooiende, kaarsrechte lanen zonder aanwijsbaar centrum. Mati bestaat vrijwel alleen uit zomerhuizen van gefortuneerde Grieken – vooral uit Athene. Die gefortuneerde Grieken zien er trouwens helemaal niet gefortuneerd uit. In hun alledaagse kloffie scharrelen ze wat in de moestuin, of ze houden vanaf hun veranda de weg in de gaten waar zelden iemand langs komt. Ze hebben het onderling vast over de buren, maar lang niet iedereen in Mati heeft nog directe buren. Veel zomerhuizen staan er verlaten bij. Het onkruid staat kniehoog, er ligt grof vuil in de voortuin dat bij het vertrek van de bewoners waarschijnlijk nooit is opgehaald.

Je welstand tonen is mogelijk in de verderop gelegen jachthaven van Mati, uitmondend in de Egeïsche Zee, waar inderdaad enkele tientallen fraaie plezierjachten en speedboten liggen te dobberen. In de jachtclub, daterend uit 1962, hangt een groepje mannen waarvan de aanblik doet vermoeden dat ze er sinds het oprichtingsjaar niet meer zijn weg geweest, verveeld aan een barretje. Ook op het nabijgelegen terras van een Italiaanse koffie- en ijswinkel is het unheimlich stil, maar dat komt doordat er alleen een groep van zo’n vijftien doven zit te gebarentalen.

Rijk zijn is fijn. Rijk zijn in Griekenland vast ook. Maar misschien liever op een andere plek dan Mati.

We moeten weer even denken aan Phidippides, de mythische eerste marathonloper. In het plaatsje Pikermi wordt hij herinnerd door een beeld van een rennende man in de middenberm van de Marathonas Avenue, die het dorp doorsnijdt. Hier liep hij dus ooit, onze Phidippides. Maar goed dat dat al een poosje geleden was. Tegenwoordig zou hij allang zijn doodgereden door het verkeer dat als een bezetene over de vierbaansweg raast. Oversteken van de ene naar de andere kant van het dorp is een hachelijke zaak. Een trottoir is er nauwelijks. Voetgangers banen zich een weg over smalle paadjes in de berm, op een meter afstand van het asfalt.


Wat zou je überhaupt in Pikermi moeten doen? Langs de weg ligt een bonte verzameling winkels die alleen kunnen worden bereikt door met doodsverachting te remmen op de doorgaande weg. Wie goed kijkt, ziet dat Pikermi bijna een façade van een dorp is. Achter talloze gevels bevindt zich geen teken van leven. Er zitten geen ruiten in de gapende openingen die ooit als ramen waren bedoeld. Zijn er wel ruiten, dan zijn ze dichtgeplakt. Nog naargeestiger zijn de half afgebouwde kantoorpanden. Overal in het dorp staan ze, de karkassen waaraan ooit met goede moed is begonnen maar die inmiddels uit geldgebrek zijn achtergelaten. Getuige de graffiti en de omringende begroeiing is er niet alleen lange tijd niets gebeurd, maar worden er ook geen enkele aanstalten gemaakt het werk te hervatten. Dit zijn de ruïnes van het nieuwe Griekenland. Elk dorp, elke stad heeft ze. Maar Pikermi heeft er schrikbarend veel. Pikermi is een spookstad aan het worden. Hier wil je niet zijn. Het is een plaats waar je doorheen moet, op de weg van Marathonas naar Athene. Als het vijf kilometer verderop lag, was het allang in de vergetelheid geraakt. En terecht.

We zijn aangekomen in de voorsteden van Athene. Agia Paraskevi wordt doorsneden door een drukke doorgaande weg met slechts enkele oversteekplaatsen. Menige vrouw zien we, boodschappentassen in de handen geklemd, over de vangrail klimmen. Er is geen knus centrumpje in Agia Paraskevi. Het is een jonge gemeente die sinds de jaren vijftig uit de grond wordt gestampt. Er staan appartementencomplexen van een versheid die we niet eerder zijn tegengekomen – we zien voor het eerst zelfs een wérkende bouwvakker. Er is veel groen, en ook dat zal verklaren waarom wonen in Agia Paraskevi niet voor iedereen is weggelegd.


Het winkelaanbod is afgestemd op de Griekse yup: een dure-motorenzaak, een scooterwinkel, een exclusieve bakkerij. We zien zelfs de eerste oudere Griekse man die niet met leeftijdsgenoten zit te dobbelen maar in zijn eentje op zijn laptop zit te patiencen.

Hier in Agia Paraskevi valt het oog op mensen die we op het platteland niet zagen: immigranten. Bij de verkeerslichten halen Afrikaanse mannen ongevraagd natte borstels over de voorruiten van de wachtende auto’s, hopend op toegeworpen kleingeld. Het is duidelijk: we naderen de écht grote stad.

Meteen bij aankomst in het centrum van Athene belanden we in een massale demonstratie, die vanaf de Venizelou-straat het Syndagma-plein op draait. Daar staat het parlementsgebouw met de beide in traditionele kledij gestoken schildwachten. Hun synchroon uitgevoerde looppasjes en armbewegingen zijn normaal een attractie voor toeristen, maar vorige week moesten zelfs de schildwachten het hazenpad kiezen. De demonstratie liep toen uit op een confrontatie met de politie. Traangas dreef over het Syndagma-plein, normaal het domein van verliefde stelletjes die zich op de bankjes ineen hebben gevlochten. Op een van de brede wegen die naar het plein voeren, de Stadiou-weg, ging het zelfs echt mis: er werden molotovcocktails bij een bankfiliaal naar binnen gegooid. Drie medewerkers kwamen om. Bij het uitgebrande pand vinden we een indrukwekkende berg knuffelbeesten en bossen bloemen.

Vanavond is de demonstratie weliswaar luidruchtig, maar blijft geweld uit. In de omringende winkelstraten hebben groepjes ME’ers zich verdekt opgesteld. Zo begint tegenwoordig bijna elke avond in het centrum van Athene: met politiebusjes en motoren die zich tussen de slenterende toeristen opstellen. Voor het geval dat.


Het valt op dat er in de demonstratie niet alleen de usual suspects meelopen, de anarchisten en de leden van de communistische vakbond. We zien zakenmensen, aktentas nog in de hand, en zelfs hele gezinnen. Hun woede richt zich tegen de regering. Twee architectuurstudenten, Vasilis (30) en Anna (24), vinden het niet eerlijk dat de bevolking opdraait voor de fouten van de overheid. “Ze bestelen ons,” zegt Anna over de regering. “Ik vertrouw ze gewoon niet meer. Ze willen alleen maar macht. De mensen die de wetten maken, hebben veel geld. Zij weten niet wat het is om geld te verliezen, al is het maar honderd euro. En als je de mensen armer maakt, kopen ze niets. Dat lijkt me ook niet goed.”

Ze zien hun eigen toekomst somber in. “Ik weet niet of we straks nog wel een baan kunnen vinden,” zegt Anna. “We willen voor ons inkomen niet afhankelijk blijven van onze ouders. Zij maken zich trouwens ook veel zorgen, ze weten niet wat ze kunnen verwachten.” Volgens Vasilis is ‘alles’, en dan bedoelt hij op de bezuinigingen, alleen op geld gericht en niet op mensen. Ook het steungeld van de EU en het IMF vertrouwt hij niet. Dat geld komt er vast alleen maar op voorwaarde dat Griekenland in de donorlanden wapens koopt.

Het diepe wantrouwen tegenover de overheid is algemeen, ook als de trommels en de megafoons van de demonstratie weer zijn verstomd en het Syndagma-plein is teruggegeven aan zijn natuurlijke bewoners. “Het systeem is fout,” zegt de twintigjarige Zauras, een aankomend student logistiek die als kleuter naar Griekenland geëmigreerd is vanuit Georgië. “Maar de Grieken zijn zelf in deze puinhoop terecht gekomen. Ze hebben het allemaal zelf gedaan.” Wat zijn dat voor mensen, die Grieken? “Het zijn goede mensen,” zegt Zauras. “Maar ze tonen niet veel respect voor anderen die het minder hebben. Ze zijn vergeten dat ze zelf ooit in groten getale naar West-Europa trokken om hun geluk te zoeken.”


We kunnen de opmerking van de Georgische student niet meteen plaatsen. Totdat we in een smalle winkelstraat achter een groepje Afrikaanse straatverkopers lopen. De groepjes trekken van de ene naar de andere plek in de stad, met een verzameling damestasjes in een laken gewikkeld, of een koffer vol fluorescerende zaklantaarns, speelgoed of andere snuisterijen. Achter in het groepje sjokt een horlogeverkoper. Hij passeert twee agenten, waarvan er eentje ineens met een arm naar hem uithaalt. De Afrikaan schrikt, springt opzij en rent naar de overkant van de straat. De agent blijkt een horloge uit zijn hand te hebben getrokken. Hij gooit het voor de ogen van de verkoper op het trottoir en stampt het met een sardonische lach aan gruzelementen met de hak van zijn laars. De ontreddering van de straatverkoper slaat snel om in woede. “Racist, racist,” sist hij, maar verder staat hij machteloos. Van de omstanders die het tafereel hebben gadeslagen, hoeft hij ook niets te verwachten. De Grieken en de Afrikanen leven in een compleet ander universum.

De grootste bevolkingsgroep in de smalle straatjes van een wijk als Plaka, aan de voet van de Akropolis, wordt gevormd door de toeristen. Zij zijn de kurk waar Athene op drijft. In grote groepen drommen ze samen rond de tempels, de kerkjes en de archeologische vindplaatsen. Hun domein, een labyrint van souvenirwinkels en terrasjes, wordt keurig onderhouden. Wie twee straten verderop kijkt, ziet dat Athene het verval kent dat elke grote stad treft. Achter de sinaasappelbomen in de straten van de woonwijk Makrigiani, ook grenzend aan de Akropolis, gaan vele verkrotte panden schuil. En dan treft ons een ander besef: ook in Athene wordt niet gebouwd. We missen de aanblik van hijskranen, het gerommel van cementmolens en het geroep van bouwvakkers. Nou ja, op de Akropolis wordt wél gebouwd: het Parthenon krijgt een grote beurt. Maar in de stad zien we alleen steigers die overduidelijk al lange tijd zijn verlaten.


Het gaat érg slecht in de bouw, dat is de voor de hand liggende verklaring van Dimitris Giannipoulos (56), economie-redacteur van de Engelstalige krant Athens News. We treffen hem in een hotellobby op een steenworp afstand van het Syndagma-plein. Giannipoulos is misschien nog een van de weinigen die niet direct de Griekse overheid van álles de schuld geven. Volgens hem loog de regering niet over de economische cijfers. “Onze statistieken waren niet fout,” bromt hij, “niemand deed er gewoon wat mee.” Giannipoulos mag graag een complot zien: volgens hem kregen hoge regeringsvertegenwoordigers zelf commissie wanneer ze leningen bij buitenlandse kredietverstrekkers afsloten. En waarom wordt Griekenland in de buitenlandse media zo hard aangepakt? Bijvoorbeeld omdat Duitse banken speculeren op de verdere economische neergang van het land. Daar moeten de uitgeverijen toch niet ongevoelig voor zijn, meent hij.

“Corruptie zit niet in het Griekse karakter,” is een andere originele stelling die hij poneert. “We zitten vol eergevoel, we willen niet als dieven bekendstaan. Maar ja, als je de macht krijgt en je bent daags nadat je een vergunning hebt verleend ineens miljonair, dan gebeurt zoiets kennelijk.” Dan maar even zijn persoonlijke situatie. Het is dat hij nog een appeltje voor de dorst heeft, anders zat ook Giannopoulos in de knel. Zijn vrouw is lerares. Op haar salaris van 2500 euro moet ze straks 200 euro inleveren. Best fors. “Families helpen elkaar hier. Daardoor zijn studenten nooit echt arm. Het is heel gewoon als mensen van in de dertig nog bij hun ouders wonen, zelfs wanneer ze getrouwd zijn. Dat is voor velen de redding.


“Als je geen kennissen hebt in hoge kringen, is het bijna onmogelijk om in Griekenland een voorspoedige loopbaan te hebben. Nu worden ook de ambtenaren aangepakt. Ze zijn ongerust, en daar hebben ze alle reden voor. Mensen zijn wanhopig.” Giannipoulos wijst in de richting van het plein. “Ze gaan demonstreren. Ze denken: wat heb ik te verliezen? Ze doen dat ook uit schuldgevoel. Tenslotte hebben ze het ook zelf laten schieten, ze hadden eerder moeten ingrijpen.”

Hij wil nog wel een ander thema aansnijden dat veel Grieken ook erg hoog zit: de immigratie.”Die is helemaal uit de hand gelopen. Illegale immigranten nemen onbewoonde huizen over. Een wijk als Omonia wordt een derdewereldstad. De gevolgen zijn vreselijk. Griekse winkels kunnen de concurrentie niet aan; de neptassen uit China worden op straat verkocht en de winkel met de originele tassen kan sluiten.”

Het blijkt niet alleen het gemopper van een middelbare man. In de Starbucks treffen we Ioannis Dandoulakis (25). Hij studeerde twee jaar geleden af in de politicologie maar heeft nog geen baan. Hij begint uit zichzelf over de illegale immigranten. “Ik maak me daar zorgen om. In sommige wijken hangen de prostituees om je nek en worden overal illegale spelletjes gespeeld. En dan die straathandel. Als ik die immigranten zie, dan denk ik: wat doet de burgemeester eraan? Geef de mensen die er zijn een baan, en houd de toestroom van nieuwe vluchtelingen tegen.”

Nee, Ioannis is geen fuifnummer. Zodra het over de economie gaat, trekt een grauwe aswolk zich boven hem samen. Zijn wantrouwen jegens de overheid zit diep. “In Griekenland hebben we een gezegde: de boom is bij het begin verkeerd afgekapt. Decennia geleden is het al fout gegaan onder de toenmalige regering. Onze ouders werden rijk van de leningen die ze van Europa kregen. Dat geld is verkeerd geïnvesteerd. Zo hebben we veel te weinig industrie. Negentig procent van wat er nu gebeurt, is onze eigen schuld.” Ioannis is, zoals talloze leeftijdsgenoten, geheel van zijn ouders afhankelijk voor geld. Een uitkering krijgt hij niet. “In Griekenland moet je iemand kennen om een baan te krijgen. Ik ken mensen zonder diploma die een baan hebben waarvoor iemand met alleen een goede opleiding geen kans zou maken.”


Ioannis is depressief geworden van zijn langdurige werkloosheid. Zijn toekomstdromen zijn in duigen gevallen. Fel: “Waarom geeft de premier steeds toe aan de EU? Waarom moeten we al die wetten veranderen? Geld afpakken van oude vrouwtjes helpt echt niemand. Wij willen als Griekenland zelf ook niet bankroet gaan, dus gééf ons nou maar gewoon dat geld.”

Mark Traa