Terug naar Istanbul

De opkomende macht Turkije zoekt de ‘brugfunctie’ tussen Oost en West op

Het weerzien met Istanbul was even doorbijten. Anders dan in de jaren negentig, toen ik de stad jaarlijks bezocht op uitnodiging van Turkse vrienden, waren wij er nu op eigen gelegenheid. De stad was druk en lawaaiig, het hotel benauwd en de Süleymaniye-moskee wegens restauratie gesloten. Op straat botsten voorbijgangers tegen ons op, we moesten oppassen niet over stoepen te struikelen en maakten alle beginnersfouten die toeristen kunnen maken. Toeristen zijn vogelvrij en lijken daar zelf nog mee in te stemmen ook. Wij vinden dat die arme Turken wat (uiteraard niet te veel) aan ons rijke Europeanen moeten kunnen verdienen. Het is een houding die een dubbel soort discriminatie verraadt, waarbij de nette bezoeker het op de koop toe neemt dat hij als vuil wordt behandeld. Ik heb daar vreselijk de schurft aan. Ik ben geen man van de Oriënt en wil dan meteen weer weg. Maar mijn vrouw is dol op bazaars en meer van de wereld dan ik, dus we zijn gebleven.

Dat was maar goed ook, want ondanks alle ergernis is Istanbul in positieve zin veranderd. De oude stad aan de Europese kant, met de grote bezienswaardigheden rond het Sultanahmetplein, was altijd een tikje onderkomen, maar is dankzij het toerisme – Istanbul is als bestemming duidelijk hot – opgeknapt en toegankelijker geworden. Er is een moderne tram die het je makkelijk maakt om van het ene naar het andere deel van de Gouden Hoorn te gaan, en er wordt minder gebedeld. De stad is schoner en rijker geworden. Het grootste Wirtschaftswunder is de Turkse munt. In het verleden kreeg ik elk jaar weer oneindig veel meer lira’s voor een gulden als gevolg van een gierende inflatie. Na de financiële crisis van 2001 is een geldsanering doorgevoerd en zijn er een aantal nullen weggestreept, waardoor de Turkse lira nu een halve euro waard is. Omdat de financiële crisis nu dankzij de Grieken in Europa zit, zagen wij de koers van onze eigen munt zelfs wegzakken. Een novum in Turkije, dat tevens bewijst dat mediterrane landen met een hopeloze reputatie wel degelijk financieel orde op zaken kunnen stellen. Een verdiende beloning voor de hardwerkende Turken, die inventief en ondernemend zijn, en over een veerkrachtige economie beschikken.


Toch zijn het niet de moderne gemakken die je met de stad verzoenen. Als je eenmaal je weg hebt gevonden, zijn het juist de vele lagen geschiedenis die de stad uniek maken. De mensen die eerst lomp en onverschillig leken, blijken bij nadere kennismaking behulpzaam en vriendelijk, ook in arme buurten als Fatih, Balat en Fener (die vroeger Grieks-orthodoxe en joodse gemeenschappen kenden). Ik ken de Turkse gastvrijheid (geen cliché) uit eigen ervaring en geef me er graag aan over. Hoewel het leven in ‘Groot Istanbul’ – een metropool van twaalf tot zestien miljoen inwoners – uitputtend is en vele onzekerheden kent, heeft de stad een eigen hartslag die al die mensen in staat stelt relatief ongedwongen onder elkaar te verkeren. De opkomst van de islam en de versterkte macht voor de regering van premier Erdogan zijn een schok voor de seculiere bovenlaag, die altijd beweerde dat Turkije geen Iran is, maar in het dagelijks leven merk je daar niks van.

Ik had het gevoel dat er minder (demonstratieve) hoofddoekjes en gesluierde vrouwen rondliepen dan tien jaar geleden. Hetzelfde geldt voor leger en politie, die zich naar de achtergrond lijken te hebben teruggetrokken. En de groene wijken aan de Aziatische kant, waar veel middenklasse woont en de superrijken rond Bagdat Cadessi hun speelplaatsen hebben (ook de oevers van de Bosporus met hun protserige villa’s en houten huizen uit de Ottomaanse tijd zijn hun domein), oogden even ontspannen als weleer. Zelfs de opwinding om voetbalclub Fenerbahce (die een hele zondag voor spanning zorgde en de titel verrassend aan Bursaspor moest laten) viel mee. In het stadsdeel Kadiköy zaten wij er middenin, maar wij bereikten veilig per dolmus en veerboot de andere kant van de stad.


Ik weet niet of Turkije ‘Europeser’ is geworden, maar het land is nu ontegenzeggelijk zelfbewuster en meer op de eigen regio gericht. Vorig jaar was ik in Syrië, en de Turkse nabijheid is er voelbaar. Tijdens ons verblijf in Istanbul bezocht premier Erdogan Athene, in de eurocrisis de zondebok, terwijl er even later (met Brazilië) een spectaculaire nucleaire deal met Iran werd gesloten. Het Westen kan daarbij slechts toekijken. Dat duidt erop dat de opkomende macht Turkije de ‘brugfunctie’ tussen Oost en West opzoekt waarover al zo lang wordt gespeculeerd. Dat impliceert ook dat een volledig Turks EU-lidmaatschap, waarbij het land zich moet voegen naar een groter westers geheel, een brug te ver is. Dat lijkt mij een gezonde ontwikkeling.

import dirk jan van baar