Haagse humbug

Vooral in de aanloop naar de verkiezingen wemelt het van de politieke broodjeaapverhalen. Hoog tijd voor een grote opruiming.

‘De Nederlandse kiezer is gaan zweven’

 Inderdaad, bij verkiezingen doen zich de laatste tien jaar in Nederland ongekend grote verschuivingen voor. Nieuwe partijen die debuteren met 26 zetels maar vier jaar later alweer uit de Tweede Kamer verdwijnen (de LPF tussen 2002 en 2006), of ‘oude’ partijen die 22 zetels verliezen en er een jaar later weer negentien winnen (de PvdA in 2002 en 2003): we staan er nauwelijks nog van te kijken. En dan te bedenken dat een winst van ‘slechts’ zeven zetels vroeger al voldoende was voor een foto op de voorpagina van The New York Times, zoals D66-lijsttrekker Hans van Mierlo in 1967 overkwam.
Maar laten we de situatie vooral niet gaan overdrijven. Want hoe ‘zweverig’ de Nederlandse kiezer ook is geworden, hij stapt nog altijd slechts zelden over van een linkse partij naar een rechtse of van een rechtse partij naar een linkse. Anders gezegd: de meeste electorale verschuivingen vinden plaats binnen het linkse en het rechtse kamp. Neem de verkiezingsresultaten van PvdA, D66, SP en (de voorlopers van) GroenLinks. Als we de tumultueuze ‘Fortuyn-verkiezingen’ van 2002 even buiten beschouwing laten, zien we dat de aanhang van deze vier progressieve partijen eigenlijk heel stabiel is: al sinds de Kamerverkiezingen van 1986 laveren ze tussen de 42,6 en 48,8 procent van de stemmen.
In de meeste andere Europese landen is er veel meer electoraal grensverkeer tussen links en rechts en zijn de schommelingen tussen beide blokken bijgevolg veel groter. Neem bijvoorbeeld Duitsland, waar de progressieve partijen – de SPD, de Groenen en de Linkspartei (voorheen PDS) – de afgelopen twintig jaar scores behaalden van tussen de 40,9 en 52,7 procent. Zo bezien zijn verkiezingen in Nederland nog altijd veel saaier dan ze op het eerste gezicht lijken.

Lees de rest van het artikel in HP/De Tijd van deze week

Roelof Bouwman