Kamerverkiezingen: nog nooit waren we zo verdeeld

Naast de bloedstollende strijd tussen Cohen en Rutte, de grote overwinning van de PVV en de uitbundig feestvierende VVD-kopstukken viel vooral de enorme versplintering van het partijlandschap op. De nieuwe Tweede Kamer komt meer versplinterend dan ooit terug uit het verkiezingsreces. De VVD won de verkiezingen met 20,4 % van de stemmen, het [[popup file=”2010-06/afbeelding_17.png” description=”laagste percentage ooit” alt=”Uitslagen” align=”inline” ]].

Politicologen noemen versplintering van het partijlandschap ook wel fractionalisatie. Voor deze fractionalisatie is door de politicoloog Douglas W. Rae de fractionalisatie-index ontwikkeld. Hoe hoger de waarde van deze fractionalisatie-index des te meer versplinterd is het partijlandschap. Hieronder zien we de fractionalisatie-index voor zetels in de Tweede Kamer vanaf 1946.

[[image file=”2010-06/afbeelding_20.png” align=”inline” ]]

Ter vergelijking: de House of Commons in het Verenigd Koninkrijk heeft na de afgelopen verkiezingen een fractionalisatiegraad van 0,6128.

De hoge waarden die de fractionalisatie-index in Nederland aanneemt zijn voor een groot deel te wijten aan de unieke kenmerken van het Nederlandse kiessysteem. Het Nederlandse kiessysteem kent geen kiesdistricten en geen kiesdrempel. Het Israëlische kiessysteem komt nog het dichtst in de buurt. Dit systeem heeft echter wel een kiesdrempel van 2%. 

Door de unieke kenmerken van het Nederlandse kiessysteem is er in de Tweede Kamer ook plaats voor partijen met opvattingen die slechts door een kleine minderheid worden gedeeld. Denk hierbij vooral aan de SGP en de Partij voor de Dieren. De versplintering van het partijsysteem bemoeilijkt echter coalitievorming.

Polarisatie
De fractionalisatie bereikte haar eerste hoogtepunt eind jaren ’60, begin jaren ’70. De aanhang van de verschillende confessionele partijen kalfde af. En allerlei nieuwe partijen maakten hun opwachting in het parlement. De meest opvallende exponenten hiervan waren D66, DS’70 en PPR.

De samenvoegingen van KVP, ARP en CHU én de polarisatie tussen Den Uyl, Van Agt en Wiegel zorgden voor een scherpe daling van de fractionalisatie-index. Behalve de drie traditionele partijen wist alleen D66 eind jaren ’70, begin jaren ’80 boven de 5% uit te komen. De enorme populariteit van Ruud Lubbers zorgde zelfs voor een verdere daling van de fractionalisatie.

Premier van de armoede
Wim Kok werd in 1994 de premier van de armoede. Ondanks een fors verlies werd de PvdA de grootste partij. De ouderenpartijen, AOV en Unie 55+, behaalden gezamenlijk 4,4% van de stemmen en behaalden daarmee 7 zetels. Ook de SP kwam voor het eerst in het halfrond met twee zetels. De stijging van de fractionalisatie was echter bovenal te wijten aan de spectaculaire overwinning van Hans van Mierlo (D66). Ook de verkiezingen van 2002 en 2006 kenden een hoge fractionalisatie. In 2002 kwam dit vooral door de LPF. In 2006 was de toename van de fractionalisatie toe te schrijven aan de spectaculaire verkiezingsoverwinning van de SP en in mindere mate aan de opkomst van de PVV, de zetels voor de Partij van de Dieren en de goede verkiezingsuitslag van de ChristenUnie. 

Het CDA en de PvdA behaalden in 1989 nog 35,3% en 31,9% van de stemmen. Sindsdien behaalde geen enkele partij meer dan 30% van de stemmen. Wim Kok in 1998, Wouter Bos in 2003 en Jan Peter Balkenende in 2002, 2003 en 2006 kwamen nog relatief dichtbij.

Slechtste resultaat ooit
Tijdens de verkiezingen van 2010 kwam de VVD met moeite boven de 20% uit. Dit is het slechtste resultaat dat de grootste partij ooit gehaald heeft in de Nederlandse politieke geschiedenis. De PvdA bleef onder Job Cohen zelfs nipt onder de 20% steken, ondanks de grote oorwassing die Jan Peter Balkenende van de kiezer kreeg. De fractionalisatie-index voor de Tweede Kamer heeft een nieuw maximum bereikt. Dit is een zeer zorgwekkend signaal dat de bestuurbaarheid van Nederland waarschijnlijk niet ten goede zal komen.

Fedde de Haan