Filantropie op wielen

Geert Wilders wil af van ‘linkse hobby’s’ zoals het subsidiëren van allerlei culturele en welzijnsprojecten. Terecht? HP/De Tijd liep als vrijwilliger mee bij een fietscursus voor vrouwen. ‘Natuurlijk fietsen al mijn kinderen, we zijn toch in Nederland? Alleen ík kon het nog niet.’ Deel 1 van een drieluik.

We zijn nog geen tweehonderd meter onderweg of het eerste fluorescerend gele hesje met achterop de tekst ‘Fietsles!’ maakt een snoekduik naar het asfalt. Met haar paars-gele kinderfiets gaat de Marokkaanse Farida te dicht langs een paaltje naast het fietspad. Trillend krabbelt ze overeind, met schrammen op de handen en bloed op het voorhoofd. Maar Farida is niet voor één gat te vangen. Ze trekt haar hoofddoek recht en stapt in opperste concentratie weer op haar fiets. Doorzetten zal ze. Net als Leontien.

Een bont gezelschap van zo’n honderd cursisten, vrijwilligers, trainers en leden van de Fietsersbond is deze donderdagochtend samengekomen voor de Ik Fiets-tocht voor beginnende fietsers. Uit heel Amsterdam zijn dames komen opdraven om samen met wielrenster Leontien van Moorsel tien kilometer rond de Sloterplas te fietsen. Een fietstrainster introduceert Leontien, die gekleed is in strakke spijkerbroek en dito beige jasje en in een vlot praatje meldt dat ze te weinig nieuwe Nederlanders ziet bij haar fietsevenementen.

Meerdere fietsadviezen, als ‘doorzetten’ en ‘niet naar beneden kijken’, passeren vervolgens de revue. Tot slot meldt de voormalig wereld- en olympisch fietskampioen dat iedereen zich moet inschrijven voor haar komende Ladies Ride. Daaraan zullen meer dan vijfduizend vrouwen meedoen. Normaal kost dat 21 euro, maar deze groep mag voor vijf euro.

En zo gaat dat ook met de fietscursussen: dertig euro voor vijftien lessen, een symbolisch bedrag. Flinke subsidies voor de fietsclubjes voor nieuwe Nederlanders dus. Onderbuikgevoelens daargelaten is de relevante vraag: werken die subsidies? Heeft het nut, deze fietsfilantropie?


Dat het project Fietsvriendinnen voor nieuwe Nederlanders een linkse hobby is, is overduidelijk. De cursus is min of meer gericht op Turkse en Marokkaanse vrouwen en wordt gesubsidieerd door de overheid als onderdeel van Koers Nieuw West, het langetermijnproject dat zich richt op het verbeteren van de sociaal-economische positie van alle bewoners van het nieuwe stadsdeel Nieuw-West. Hiervoor trekken gemeente en stadsdeel in totaal veertig miljoen euro uit.

In de buurten moet meer gefietst worden, vindt het stadsdeel. De praktijk wijst uit dat de meeste nieuwe Nederlanders dat niet doen, en daar zijn er veel van in Amsterdam Nieuw-West. Dikwijls is meer dan de helft van de wijkbewoners van niet-westerse afkomst. In de Kolenkitbuurt zelfs meer dan driekwart.

Vaak hebben ze nooit leren fietsen en zitten ze alleen maar binnen, vertelt de sportieve coördinatrice van de fietscursus, Claire Jansen (40). De gemeente probeert juist die bewoners, hoofdzakelijk vrouwen, te bereiken en uit hun sociale isolement te halen. Vrijwilligers helpen daar bij. De kosten van één groep die in vijftien weken leert fietsen, bedragen zo’n 1500 euro, aanschafkosten van de fietsen niet meegerekend.

Voor mij zijn de eerste paar lessen als vrijwilliger even aftasten. Ik heb eigenlijk nooit contact met allochtone vrouwen. Voor sommige vrijwilligers, zoals studente Wilma, is dat juist de motivatie om dit werk te gaan doen. Op hun beurt gaan de cursisten in het dagelijks leven ook weinig om met Nederlanders. Dat is te merken aan hun taalgebruik. De meesten wonen hier al jaren en kunnen zich wel verstaanbaar maken, maar echt vloeiend gaat het niet. Collega-vrijwilliger Ikram (34) spreekt daarentegen opvallend goed Nederlands. Zij helpt al een tijdje bij de fietscursussen en het is handig dat ze ook Arabisch spreekt.


Fietsen heeft Ikram al geleerd toen ze vijf jaar oud was. In Marokko. Haar vader werkte in Duitsland en nam toen hij terugkwam fietsen mee voor haar en haar broers. “In Marokko wordt niet veel gefietst,” licht ze toe, “dus voor ons was het stoer dat wij wel fietsen hadden. Toen we in Nederland kwamen, zei mijn man: ‘Nou, Ikram, dan moet je ook maar leren fietsen.’ Leren fietsen? Ik fiets als de beste!” Ikram is een beetje een voorbeeldimmigrant. Ze werkt als schoonmaakster, zorgt voor haar gezin en gaat binnenkort ook nog sportlessen geven aan kinderen op een basisschool.

Trainster Elisabeth (26), sportdocente in dienst van de gemeente, heeft duidelijk meer feeling met de doelgroep dan ik. Zij geeft deze cursus al twee jaar. Tijdens de eerste les benadrukt ze dat het dragen van een broek, een korte jas en platte schoenen handig is. Dat stond ook uitdrukkelijk in de invitatiebrief, maar op een enkele uitzondering na dragen de dames lange jassen, rokken en hakken. Dat is natuurlijk uitermate onhandig op de fiets. Vooral als je er nog niks van bakt. Tegen een jonge Somalische meid zegt Elisabeth: “Mag je geen broek aan? Heb je wel een broek? Doe die dan in ieder geval onder je lange rok aan, dan kun je die omhoog doen tijdens het fietsen.”

De kleding blijkt later in de cursus echt een probleem. Eén dame valt vanwege een hoofddoek die in haar gezicht waait, een andere breekt haar enkel door haar hoge hakken, en meermaals moeten rokken worden opgesjord zodat ze niet tussen de spaken komen.

Pragmatisch stimuleren kan Elisabeth als de beste. Als een Marokkaanse tweeling van begin twintig in de bosjes een voetbal vindt, begint één van hen deze enthousiast hoog te houden. Ze hebben het vaker gedaan, vroeger in Marokko. Elisabeth vraagt waarom ze hier niet op voetbal gaan. “Dat mag niet,” is het antwoord. “Vader zegt dat voetbal voor jongens is, niet voor meisjes.” In Marokko mochten ze ook niet op voetbal, maar deden ze het gewoon op school. Met de lessen die ze hier volgen, kan dat niet meer. “Fitnessen mogen ze daarentegen wel,” vertelt Elisabeth later als ik met haar richting huis fiets.


Vanwege het sportbuurtwerk dat ze doet, ontmoet Elisabeth vaker jongeren die willen sporten. “Als ik ze dan vraag waarom ze niet op een bepaalde sport gaan, is vaak het antwoord dat het niet mag van pa. Voetballen bijvoorbeeld wordt echt nog gezien als mannensport. En niet alleen door allochtonen, hoor. Dan zeg ik ook gewoon: ‘Neem je vader dan een keer mee. Dan kan hij zelf zien hoe het gaat.’ En dat werkt. Soms.”

Niet elke Amsterdammer is even enthousiast over de gesubsidieerde fietslesjes. Boekdelen spreekt bijvoorbeeld de misprijzende blik van de VZA-chauffeur die met zijn witte busje expres de route over de afgezette parkeerplaats neemt in plaats van de weg ernaast, en vervolgens rakelings langs een slingerende beginner scheurt. Of de dame van middelbare leeftijd die zonder haar tempo te matigen haar dikke BMW onnodig vlak langs de gehoofddoekte dames manoeuvreert. Druk gebarend probeer ik zulke roekeloze chauffeurs vaart te laten minderen, maar het maakt totaal geen indruk. Met een arrogante blik rijden ze stug door.

De trainsters zijn zulke acties wel gewend. Nare dingen roepen, vrouwen duwen. Claire benadert deze uitingen van ontevredenheid met een gezonde dosis nonchalance: “Ach ja, Nederland is verdeeld, hè. Je hebt een groep die deze initiatieven een warm hart toedraagt en een groep die het allemaal maar onzin en verspilling vindt. Dat zijn vaak de niet zo welgestelde blanke mensen die een minderheid zijn geworden in hun eigen wijk. Die voelen zich tekortgedaan. Dat is begrijpelijk, maar die groep ontvangt ook heus wel gemeentegeld, bijvoorbeeld via de verenigingen waar ze bij zitten. Dat realiseren mensen zich vaak niet.”


Andersom realiseren de fietsdames zich soms ook te weinig dat van een gesubsidieerde fietscursus met vrijwilligers geen wonderen te verwachten vallen. Het toppunt is toch wel de oudere Turkse vrouw die voor de eerste les door haar man met de auto wordt afgezet. Ze spreekt geen woord Nederlands, verstaat ons amper en luistert voor geen meter naar aanwijzingen, ook niet als we die met handen en voeten proberen over te brengen of als haar man die vertaalt.

Een week later deelt Elisabeth me voor de les mee: “Weet je nog, die oudere Turkse dame van vorige week? Haar schoondochter heeft gebeld met klachten.” Mevrouw had zich gediscrimineerd gevoeld, de fiets was te groot geweest – de vrouw in kwestie was nog geen anderhalve meter lang – en ze had toch eigenlijk ook wel verwacht dat er iemand zou zijn die Turks sprak. Nu wilde ze haar geld terug.

Elisabeth reageert gelaten als ik vraag of ze dat niet ondankbaar vindt. “Ik kan daar verder niks aan doen. Als zij de taal niet kent, wordt lesgeven een probleem. En die fiets, tja… Het zijn al kinderfietsen. Kleinere hebben we gewoon niet.”

De dames kunnen sowieso goed klagen.

“Mijn ogen doen zeer door de zon.”

“Ik heb spierpijn in mijn kuiten.”

“Ik ben moe.”

Na enige aanmoediging zetten ze echter wel door. Naima bijvoorbeeld, die er weken over doet eer ze eindelijk het trappen onder de knie heeft. De veertiger heeft vier kinderen thuis, waarvan de oudste zestien is. Ik maak een praatje met haar over het gezin, of ze ook fietsen. Vanaf haar paars-gele kinderfietsje kijkt ze me met een peilende blik aan. Vervolgens zegt ze verontwaardigd: “Ja, natuurlijk, we zijn in toch Nederland? Iedereen fietst. Mijn dochter, mijn zoon en ook mijn man. Alleen moeder nog niet.”


Als ik de week daarop het fietsgebied afzet met felgekleurde pionnen -wat overigens lang niet afdoende beschermt tegen indringers – zie ik de Somalische Chadra (24) onderuitgaan. Gelukkig krabbelt ze gauw weer op, maar haar voet doet toch wel erg zeer. We nemen geen risico en gaan naar binnen in de kantine op het sportpark. De heren tuiniers die daar aan het werk zijn, tonen zich zeer behulpzaam. Eentje legt Chadra’s voet op een stoel en test wat wel en niet zeer doet.

De 24-jarige vertelt in gebroken Engels met af en toe wat Nederlandse woorden ertussen dat ze nu anderhalf jaar in Nederland is. Ze woont samen met haar man in Bos en Lommer en volgt een traject bij jongerenwerkplaats Implacement. Dat moet haar voorbereiden op een echte baan in Nederland: drie dagen per week heeft ze taallessen, één dag sport- en binnenactiviteiten. ‘In the future’ wil Chadra graag verpleegster worden. “Dan kun je je eigen enkel beoordelen,” lachen we.

Gaandeweg zie ik dat de jonge meiden zich zekerder gaan voelen door het fietsen. Voor hen is het ook gewoon heel praktisch. Ze kunnen hun energie kwijt, verplaatsen zich makkelijker van A naar B en hoeven niet meer te wachten op het openbaar vervoer.

Maryam (21), ook zo’n twee jaar in Nederland, woont alleen met haar vader in Amsterdam. Haar moeder, broertjes en zus zijn nog in Marokko. Nederland komen ze niet in. “Als mijn vader met de fiets ergens heen ging, moest ik nakomen met het openbaar vervoer. Dat was onhandig.” Ook al vond haar vader het eerst wel gevaarlijk dat ze ging fietsen, ze heeft zich uiteindelijk gewoon opgegeven voor de fietsles en het gaat heel goed. “Nu is vader trots,” vertelt ze glunderend, “en eng vindt hij het ook niet meer.”


Het fietsproject is volgens Claire een succes. Vorig jaar meldden zich zo’n driehonderd cursisten. Eerder waren de cursussen bijna gratis, maar sinds ze er geld voor vragen, loopt het beter. Claire: “Gek genoeg komen mensen eerder als ze wel íets moeten betalen voor een activiteit.”

Om te kunnen beoordelen hoe succesvol de cursus is, neemt Claire enqutes af. Aan het einde van de lesperiode moeten de cursisten daarin vertellen over hun ervaringen. Uit de antwoorden blijkt dat de vrouwen na de cursus een socialer en actiever leven hebben. Ze gaan met de fiets naar het winkelcentrum of de kinderen van school halen. Meer dan 80 procent zegt echt te zijn gaan fietsen; 95 procent voelt zich mentaal sterker en onafhankelijker.

Habiba M’Didech (43) bevestigt de uitkomsten van Claires enqutes. Ze is een van de Marokkaanse fietspioniers. In twee jaar is ze opgeklommen van vrijwilliger naar betaald fietstrainster. Een jaar of tien geleden had ze zelf fietsles op het Surinameplein. Toen was het nog helemaal niet zo gewoon als nu. Het helpt dat het nu gangbaarder is, want zien fietsen doet fietsen, volgens Habiba. Ook voor mannen is het nu gemakkelijker om hun vrouw op fietsles te laten gaan. “Die willen niet dat hun vrouw de enige is die fietst, maar als anderen het ook doen… Ik zeg altijd: het is goedkoop, gezond en snel.”

Habiba ziet wat fietsen met de cursisten doet. “De vrouwen zijn zo trots dat ze iets voor zichzelf hebben bereikt. Vaak zorgen ze thuis alleen voor het huishouden. Hier worden ze zelfstandig van.” De trainster wordt regelmatig omhelsd als het fietsen eindelijk lukt.


Eén Marokkaanse vrouw zal Habiba nooit vergeten. Die ging altijd met haar kleinkinderen naar het park als ze moest oppassen. Die kinderen vroegen dan altijd: “Oma, waarom ga jij niet fietsen?” Maar ze kon het niet. Ze ging op fietsles, maar na vijftien lessen lukte het nog steeds niet. Habiba spoorde haar aan om door te gaan, en na nog eens zeven lessen fietste ze. Habiba: “Dat is toch knap van een vrouw van 66? Haar kleinkinderen waren heel trots. Als ik haar tegenkom is het nog altijd: ‘Habiba, als jij er niet was geweest…'”

Dit artikel verschijnt in de voorlaatste lesweek. De dames hebben flinke vooruitgang geboekt. Ze kunnen hun evenwicht bewaren, bochten maken, remmen; nu gaan ze het verkeer in. Ze vinden het eng, maar na enige aanmoediging zetten ze door: door de woonwijk, over de rotonde, en vervolgens op naar Halfweg. Na vijftien weken kunnen alle dames fietsen. Leontien van Moorsel kan trots op hen zijn.

Karen Geurtsen, foto's Jean-Pierre Jans