In Mokum moet je zijn – als je wilt dat er nóóit iets verandert

De hoofdstad krijgt voor de achtste keer op rij een burgervader van PvdA-huize. Dat maakt Amsterdam uniek, want geen enkele andere Europese hoofdstad heeft al zo lang burgemeesters van telkens dezelfde partij.

Het wordt zelden gememoreerd, maar de machtspositie die de PvdA in Amsterdam bekleedt is hoogst uitzonderlijk. Anders dan in bijvoorbeeld Rotterdam, Den Haag en Utrecht vormen de Amsterdamse sociaaldemocraten al sinds de invoering van het algemeen kiesrecht – zo’n negentig jaar geleden – continu de grootste fractie in de gemeenteraad. Slechts bij één gelegenheid, namelijk de gemeenteraadsverkiezingen van 1946, werd de PvdA gedwongen die status te delen met een andere partij, te weten de CPN.

Minstens zo uitzonderlijk is dat de hoofdstedelijke sociaaldemocraten al bijna een eeuw lang de meeste wethouders leveren. Zelfs de Fortuynistische revolte van 2002 ging onopgemerkt aan de stad voorbij. Terwijl de PvdA het toen overal in het land zwaar voor de kiezen kreeg en zelfs in Rotterdam voor het eerst uit het college van B&W verdween, regeerde de partij in Amsterdam vrolijk verder. Niet alsóf er niets aan de hand was, maar omdát er niets aan de hand was.

En dan de burgemeesters die de stad sinds 1946 hebben gediend. Arnold Jan d’Ailly, Gijs van Hall, Ivo Samkalden, Wim Polak, Ed van Thijn, Schelto Patijn, Job Cohen en nu ook Eberhard van der Laan: allemaal hadden ze bij hun uitverkiezing een lidmaatschapskaart van de PvdA op zak. De stad onderscheidt zich daarmee niet alleen van Rotterdam, Den Haag en Utrecht (waar ook regelmatig burgervaders van liberale of christendemocratische signatuur aan de bak mochten), maar ook van alle Europese collega-hoofdsteden. Ter illustratie: zelfs het ‘rode’ Berlijn kende de afgelopen zestig jaar drie niet-socialistische burgemeesters.

Kort en goed: in Mokum moet je zijn – als je tenminste wilt dat er helemaal nóóit iets verandert.

[[ poll uid=178 ]]

Roelof Bouwman