Eberhard van der Laan, achtste PvdA-burgemeester voor Amsterdam

Amsterdam krijgt voor de achtste keer op rij een burgemeester van PvdA-huize. Toch betekent dat niet automatisch dat in de hoofdstad alles bij het oude zal blijven.

VVD-boegbeeld Annemarie Jorritsma was er ten tijde van haar sollicitatie kennelijk niet van op de hoogte, maar op grote verrassingen hoeft nooit te worden gerekend als Amsterdam een burgemeestersvacature heeft. Want als het gaat om het selecteren van de meest geschikte kandidaat voor die post, geldt in de hoofdstad al meer dan een halve eeuw lang het adagium dat ooit werd geïntroduceerd door de Amerikaanse autofabrikant Henry Ford: “Any customer can have a car painted any colour that he wants so long as it is black.” Vertaald naar de Amsterdamse situatie: elke burgemeester is welkom in Mokum zolang hij maar lid is van de Partij van de Arbeid. De geschiedenis bewijst het: Arnold Jan d’Ailly, Gijs van Hall, Ivo Samkalden, Wim Polak, Ed van Thijn, Schelto Patijn, Job Cohen en nu ook Eberhard van der Laan – alle burgermeesters die de stad sinds 1946 hebben gediend, hadden bij hun uitverkiezing een lidmaatschapskaart van de PvdA op zak. Amsterdam onderscheidt zich daarmee niet alleen van Rotterdam, Den Haag en Utrecht (waar ook regelmatig burgervaders van liberale of christen-democratische signatuur aan de bak mochten), maar ook van alle Europese collega-hoofdsteden. Ter illustratie: zelfs het ‘rode’ Berlijn kende de afgelopen zestig jaar drie niet-socialistische burgemeesters.

Om eventuele misverstanden te voorkomen: Van der Laan treft op dit punt natuurlijk geen enkele blaam. Hij heeft als PvdA-kandidaat voor het burgemeesterschap slechts geprofiteerd van een situatie die in de eerste plaats door het Amsterdamse kiezerscorps is gecreëerd. Want anders dan in bijvoorbeeld Rotterdam, Den Haag en Utrecht vormen de Amsterdamse sociaal-democraten – met inbegrip van de vooroorlogse SDAP – al sinds de invoering van het algemeen kiesrecht, zo’n negentig jaar geleden, continu de grootste fractie in de gemeenteraad. Slechts bij één gelegenheid, namelijk de gemeenteraadsverkiezingen van 1946, werd de PvdA gedwongen die status te delen met een andere partij, te weten de communistische CPN.

Ook leveren de hoofdstedelijke sociaal-democraten al bijna een eeuw lang de meeste wethouders. Zelfs de fortuynistische revolte van 2002 ging onopgemerkt aan de stad voorbij. Terwijl de PvdA het toen overal in het land zwaar voor de kiezen kreeg en zelfs in Rotterdam voor het eerst uit het college van B en W verdween, regeerde de partij in Amsterdam vrolijk verder. Niet alsóf er niets aan de hand was, maar omdát er niets aan de hand was.

Wat betekent het als een hoofdstad met zo’n (zelfs in Europees verband) unieke politieke monocultuur voor de zevende keer op rij een burgemeester krijgt die lid is van dezelfde oppermachtige partij als zijn voorganger? Is er dan reden om – afhankelijk van de eigen politieke voorkeur – te gaan hopen of te gaan vrezen dat er in Amsterdam een nieuwe wind gaat waaien?

Het lijkt een bijna retorische vraag, die in andere Europese hoofdsteden vermoedelijk niet eens gesteld zou worden indien daar ‘Amsterdamse toestanden’ zouden heersen. Daar komt dan nog eens bij dat in de hoofdstad de afgelopen jaren op een aantal belangrijke beleidsterreinen verstrekkende beslissingen zijn genomen die zich niet meer laten terugdraaien. De aanleg van de Noord-Zuidlijn bijvoorbeeld, maar ook de ontwikkeling van de Zuidas als nieuw zakencentrum, het in 1997 in gang gezette Wallenproject ter bestrijding van criminele netwerken in de rosse buurt en het vorig jaar genomen besluit om het aantal stadsdelen te halveren van veertien naar zeven. Bovendien: zelfs als Van der Laan zou wíllen dat al deze ‘rijdende treinen’ weer van de rails worden gehaald, dan nog ontbreekt het hem als (toekomstig) burgemeester aan de bevoegdheden om dat te verordenen. In Nederland is het immers zo geregeld dat niet de burgemeester maar de gemeenteraad fungeert als hoofd van de gemeente. De burgemeester maakt samen met de wethouders ‘slechts’ deel uit van het dagelijks bestuur, en hoewel hij van dat college voorzitter is (net als van de gemeenteraad), heeft zijn stem geen extra gewicht en worden burgemeesters vooral verondersteld de kwaliteit en de cohesie van de besluitvorming te bevorderen.

Dat we desondanks niet gewend zijn om het burgemeesterschap te zien als een beklagenswaardig ambt, heeft vooral te maken met de omstandigheid dat een burgemeester wel degelijk aanzienlijke bevoegdheden heeft op het terrein van openbare orde en veiligheid. Juist in Amsterdam zijn dat al sinds jaar en dag importante kwesties, die dan ook in beslissende mate de nagedachtenis aan diverse burgervaders hebben gekleurd. De opstootjes van Provo en het bouwvakkersoproer in de jaren zestig (ten tijde van Van Hall), de metrorellen in de jaren zeventig (Samkalden), het grootschalige krakersgeweld van de jaren tachtig (Polak en Van Thijn), de taxioorlog (Patijn), de moord op Theo van Gogh en de aanhoudende problemen met Marokkaanse jongeren (Cohen): ze zijn voor altijd verbonden aan de naam van de burgemeester die al die ellende op z’n bordje kreeg.

Bij Van der Laan zal het niet anders gaan. En juist om die reden is het interessant dat de nieuwe burgemeester over een iets ander law and order-profiel beschikt als zijn voorganger. Want terwijl Cohen in de hoofdstad bekend stond als de man met de fluwelen handschoen die, al polderend en theedrinkend, ‘de boel bij elkaar’ probeerde te houden, wordt Van der Laan – samen met onder anderen voormalig partijleider Wouter Bos en scribent Paul Scheffer – gerekend tot de PvdA-prominenten die afstand hebben genomen van de illusie dat de multiculturele samenleving gebaat is bij veel zalvend gepraat. Van der Laan was op dat punt zelfs een voorloper. Al in de zomer van 2001, toen hij voorzitter was van een PvdA-commissie die een nieuw ontwerpverkiezingsprogramma schreef, stelde hij onomwonden vast dat ‘vrijheid en tolerantie hier en daar zijn uitgemond in slordigheid en regelrechte hufterigheid’. Zo hard had het nog nooit in een PvdA-programma gestaan, maar Van der Laan hield voet bij stuk, ook toen het journaille overeenkomsten meende te bespeuren met de retoriek van de Tegenpartij van wijlen Jacobse en Van Es. “Vijftien miljoen van de zestien miljoen Nederlanders vinden dit, dus waarom zouden we het niet opschrijven?” verweerde hij zich. “In de Amsterdamse metro zijn laatst twee doofstomme meisjes lastiggevallen door opgeschoten jongens. Drie maanden later zitten de daders weer doodleuk in de metro en durven die meisjes er niet meer in. Een grof schandaal dat we niet meer moeten pikken.”

Als Van der Laan die toon vasthoudt, ook in zijn nieuwe functie, zou dat op het terrein van openbare orde en veiligheid wel eens kunnen resulteren in een trendbreuk met het beleid van Cohen. Anders geformuleerd: Mokum krijgt een burgemeester die wederom een rode Ford zal besturen, maar de kans dat hij wat vaker rechtsaf zal slaan is levensgroot aanwezig.

Roelof Bouwman