Van rummikub tot koffie tubruk

Geert Wilders wil af van ‘linkse hobby’s’ als het subsidiëren van allerlei culturele en welzijnsprojecten. Terecht? HP/De Tijd liep als vrijwilliger mee in een ‘multiculturele huiskamer’. ‘We vinden migranten niet zielig. Het is geen geitenwollensokkengedoe hier.’ Deel 2 van een drieluik.

Een slonzig vertrek in een oude sociale-huurwoning waar verslaafden en uitkeringstrekkers uit alle windstreken en van iedere nationaliteit overdag op de bank kunnen hangen. Apathisch voor zich uit starend en shagjes rokend terwijl een vriendelijke buurvrouw oploskoffie voor hen inschenkt in smoezelige bloemetjesmokken. Dat was ongeveer het beeld dat ik had bij een gesubsidieerde ‘multiculturele huiskamer’. Totdat ik me er als gastvrouw aanmeldde.

Het lijkt wel een kerkgebouw waar ik op donderdag 18 maart naar binnen stap. Dat klopt wel een beetje, hoor ik van Ed, de zestiger van Surinaamse afkomst die mij in zwarte trui en oude spijkerbroek welkom heet bij Stichting De Brug. Van oudsher was het gebouw namelijk een nonnenklooster. Het hoorde bij de naastgelegen kerk.

Toen de kloosterzusters er nog woonden, maakten de mensen uit de buurt – toen nog voornamelijk blanke ouderen – al gebruik van de ruimte. Maar de zusters werden oud en vertrokken zuidwaarts. Het gebouw droegen ze over aan de stichting, met als voorwaarde dat het huiskamerproject werd voortgezet. Dat was in 1983.

Anno 2010 houdt De Brug nog immer stand in het inmiddels multicultureel geworden Amsterdam Nieuw-West.

In deze multiculturele huiskamer geen ‘Turks macrameeën, Marokkaans hinkelen, Anatolisch korfballen en Arabisch vingerverven’, om Geert Wilders aan te halen, maar computercursus, taalles en oorlogstraumaverwerking. De activiteit op het rooster die op het eerste gezicht nog het meest voldoet aan het PVV-predikaat ‘multikul’, is de op Marokkanen gerichte cursus Mannen leren koken.

Van de accountant tot de kok en van de voorzitter tot de gastvrouw: iedereen doet bij De Brug zijn taken op vrijwillige basis. De begroting wordt voornamelijk bekostigd uit subsidie van de gemeente, 32.000 euro per jaar, en uit giften, maar omdat daarvan alleen de schoorsteen niet kan roken, betalen de gasten een entreebedrag van één euro en worden er ruimtes verhuurd. Verder betalen de bezoekers voor de consumpties die ze bij de gastvrouwen in het kleine keukentje halen. Al is de prijs wel wat schappelijker dan in de rest van Amsterdam: een euro voor een cola en vijftig cent voor een kopje thee.


Een van de huurders is Resto Van Harte, waarvan ik de kok bij mijn eerste middag als gastvrouw in De Brug aantref. Hij is druk in de weer tussen het achtpitsfornuis en de werkbank, waaronder grote plastic voorraaddozen zijn opgeborgen. Achter hem staat een stapel enorme gaarkeukenpannen. Resto Van Harte is een initiatief van de oprichter van Artsen zonder Grenzen, legt de kok uit. Het is een landelijk project om mensen die eenzaam zijn en/of gezond willen eten bij elkaar te brengen. De club wordt zwaar gesponsord en gesubsidieerd. Met een stadspas kost de maaltijd drie euro en zonder zes. Vanavond heeft hij ‘maar’ 21 inschrijvingen. Normaal zijn het er wel veertig.

Het is een leuk idee om mensen voor een sociale activiteit bij elkaar te brengen, zegt de kok, maar dikwijls komen ze pas om zes uur, eten ze hun buikje rond en staan ze om zeven uur alweer buiten. Toch beleven veel ouderen er volgens hem wel degelijk de bedoelde lol aan.

Naast eenzame mensen krijgen ook andere ‘kwetsbare’ groepen aandacht bij De Brug: tweedegeneratie-oorlogskinderen (voornamelijk Indiërs), gehandicapten, derdegeneratie-migranten (vooral Turken en Marokkanen), homo’s, enzovoorts. Een ontmoetingsmiddag voor indo’s levert gemiddeld dertig à veertig bezoekers op, en ook de taallessen vinden gretig aftrek. Computercursus Dubbelklik heeft al honderden buurtbewoners wegwijs gemaakt in de digitale wereld, en zelfs de rummikubmiddag blijft populair. Alleen de genoemde kooklessen voor Marokkaanse mannen doen het minder goed. Gastvrouw Ursula: “Eerst kwamen ze braaf, maar na een paar lessen zag ik alleen nog maar vrouwen.” Deze cursus was kennelijk een brug te ver.


Terwijl ik in de hal van het gebouw onder het genot van Indische muziek koffie tubruk inschenk voor de Indische oudjes, maak ik een praatje met Hwa Tjoa. Ze is adviseur van De Brug en probeert me wegwijs te maken in het financiële reilen en zeilen. Ze verzekert me dat de stichting het niet gemakkelijk heeft, vooral doordat ze vanwege de crisis minder subsidie krijgt. De overheid dringt aan op het samengaan van projecten om geld te besparen, maar volgens Hwa Tjoa is De Brug juist door de kleinschaligheid en laagdrempeligheid zo belangrijk voor de buurt.

Sommige buurtbewoners zijn analfabeet of vinden het moeilijk om naar de overheidsinstanties toe te stappen, maar weten wel de maatschappelijk werkers van De Brug te vinden. De stichting praat het stadsdeel dan weer bij, zodat men daar weet wat er speelt.

De vrijwilligers komen doorgaans uit de buurt. Het zijn vaak ouderen die actief willen blijven, maar ook jonge Turkse meiden helpen mee. “Ik loop hier nu stage, maar daarvoor kwam ik hier ook al, met mijn buurvrouw, die in het bestuur zit. Ik vind het gewoon gezellig,” vertelt een zeventienjarige Turkse.

Voor Marie, een tachtiger die al zestien jaar vrijwilligerswerk doet bij De Brug, is de multiculturele huiskamer een stuk van haar leven. Tijdens de Hollandse koffieclub vertelt ze over de overgang van De Brug, eind jaren negentig, van een witte ouderenorganisatie naar een multiculturele club. “Toen mijn man zestien jaar geleden overleed, kon ik hier al terecht. Dat het nu allemaal verschillende culturen zijn, was niet altijd even makkelijk. Maar zelf heb ik er geen moeite mee. Uiteindelijk moeten we toch allemaal met elkaar leren leven.”


Gastvrouw Lilly, die op de grote rode hoekbank in de tuinkamer zit, zegt dat ze blij is dat ze in een buurt met veel allochtonen woont. Lekker rustig, legt ze uit, want die kletsen niet zoveel als Hollandse vrouwen. Die zitten alleen maar de hele dag achter de geraniums elkaar te begluren.

De Indische Troelie is het helemaal niet met haar eens. Zij is juist blij dat in haar buurt alleen maar blanken wonen. Eerder zat ze op driehoog in een flat waar de allochtone kinderen op de trappen piesten. Daar heeft ze nu geen last meer van. Soms lopen de meningsverschillen hoog op, maar de bezoekers praten het altijd uit.

Bij veel Indiërs zit nog oud zeer over de behandeling die hun ten deel viel toen ze naar Nederland kwamen. Troelie is van mening dat de Marokkanen en Turken die hier nu komen te veel in de watten worden gelegd. Daarom stemt ze PVV. Toen zij uit Indonesië kwamen, kregen ze niks. “Zelfs hun werkuniform moesten de mannen nog uit eigen zak terugbetalen.”

Dat het De Brug lukt om alle groepen bij elkaar te houden, verklaart vicevoorzitter Leyla Tamul door de grote rol van sleutelfiguren uit de verschillende gemeenschappen. Leyla’s eigen netwerk ligt bijvoorbeeld in de Turkse gemeenschap, en dat van Cor van Drongelen, de voorzitter, bij de gehandicapten en de Indo’s. Die groepen brengen zij samen, waardoor mensen die elkaar normaal niet zo snel tegenkomen contact krijgen.

Als erkende leerinstelling heeft De Brug ook stagiairs. De twintigers Soufian, Hatice en Jade dragen voor een magere vijftig euro per maand hun steentje bij als maatschappelijk werkers. Iedereen kan bij hen aankloppen, met vragen over bijvoorbeeld financiën, uitkeringen en zorg, maar ook gewoon voor een praatje. Ze hebben wel contact met de gemeentelijke dienst voor maatschappelijk werk, legt Hatice uit vanachter haar computer in het kleine stagiairskamertje, maar de hulp die zij bieden, komt puur vanuit de stichting.


De stagiairs krijgen vooral aanloop van gehoofddoekte vrouwen die slecht Nederlands spreken, valt me op. “Dat klopt,” zegt Jade. “Het zijn bijvoorbeeld vrouwen die hun man zijn kwijtgeraakt. Die regelde vroeger alles, en nu hij weg is, hebben ze geen idee hoe ze verder moeten.” Naar gemeentelijke instanties stappen is voor deze vrouwen heel moeilijk, omdat ze amper Nederlands spreken. Volgens Soufian is gebrek aan taalkennis zelfs het grootste probleem. De stagiairs proberen wel zoveel mogelijk Nederlands met hun cliënten spreken, maar vaak is het toch erg handig dat ze meertalig zijn. Bij de gemeente mogen maatschappelijk werkers alleen Nederlands praten.

Naziha, een Marokkaanse vrijwilligster bij De Brug, heeft zelf het initiatief genomen voor taallessen. Zij wist dat er onder haar Marokkaanse vriendinnen van de eerste generatie behoefte was om beter Nederlands te leren. Vroeger, toen ze net in Nederland waren, was er voor taalles geen tijd. Alleen van hun kinderen hebben de vrouwen wat Nederlands opgepikt. Nu de kinderen het huis uit zijn, willen ze graag met de taal aan de slag. Nu krijgen ze les bij De Brug, aan dezelfde grote bruine tafel die de Hollandse dames gebruiken om te rummikubben, met uitzicht op de kloostertuin.

Docent Harold stroomt over van enthousiasme als hij over zijn leerlingen vertelt: hoe hard ze hebben gewerkt en hoe leuk het is om ze les te geven. “Ze zijn vaak ook veel slimmer dan de mannen. Vorige week hebben we het Nederlandse Marokkanenprobleem besproken. ‘Oppakken die criminelen en in Marokko in de gevangenis gooien,’ zei een van de dames. En niemand die haar tegensprak.”


De vrouwen vinden het verschrikkelijk dat Marokkanen zo’n slechte naam hebben in Nederland. Hun eigen kleinkinderen kunnen daardoor geen baan meer krijgen. Ze zeggen zelfs dat de verblijfsvergunningen van die jongens maar moeten worden afgepakt en dat er geen nieuwe Marokkanen zouden mogen worden toegelaten. Eerst de mensen die er nu zijn, laten integreren, vinden ze.

Tijdens de les oefenen ze zinnen en praten over hun dagelijks leven. De gescheiden Zohra vertelt dat ze moderne letteren heeft gestudeerd in Marokko. De levendige Naziha is net terug van een rondreis in haar eentje door Marokko, en de oude dame Mayouba vertelt dat ze altijd een praatje met haar buurvrouwen probeert te maken, zodat ze haar minder eng vinden. “Sommige Nederlanders schrikken gewoon als ze een hoofddoek zien,” zegt Mayouba. “Maar we zijn best aardig, hoor.” Werken doen de meeste dames niet vanwege hun leeftijd of hun gezondheid. Harold, die ook elders taalonderwijs geeft, legt uit dat veel Marokkaanse vrouwen van boven de veertig kwalen hebben. Bijna allemaal hebben ze reuma of suiker, is zijn ervaring. Hoe het komt weet hij niet, maar hij vermoedt dat het te maken heeft met hun levensstijl – weinig bewegen, veel zoet eten. Ze zouden eigenlijk moeten gaan fietsen.

Alles en iedereen loopt door elkaar bij in de multiculturele huiskamer van De Brug. De vrijwilligers vormen het cement. Dat is volgens Cor, de voorzitter en godmother van De Brug, de reden dat de bezoekersaantallen elk jaar stijgen. “Hier voelt iedereen zich thuis. Het is goed om te zien dat dezelfde honderden mensen die hier tijdens de ramadan naar de iftarmaaltijd komen, er ook zijn als we pasar malam hebben. Zo halen ze het positieve uit elkaars cultuur.”


Cor vindt het daarnaast belangrijk dat ook jongeren met wie het niet lekker gaat bij De Brug terechtkunnen. “Ik ben zelf lesbisch en ik zit in een rolstoel. Ik weet maar al te goed wat discriminatie is. Als ik dan een mail krijg van een migrantenmeisje dat maar niet aan een stageplek kan komen, geef ik haar hier een kans. Misschien is dat dan weer positieve discriminatie, maar ik gun haar dat.”

Maar Cor is niet alleen idealistisch, ze kan ook streng zijn. Eén onvertogen woord bij De Brug en het is excuses maken of oprotten. “Bovendien vinden we migranten niet zielig. Iedereen moet gewoon gelijke kansen krijgen. Het is geen geitenwollensokkengedoe hier.”

De Brug laat de positieve kanten zien van de ontmoeting tussen verschillende gemeenschappen. Buurtgenoten treffen elkaar, zien de voor- en nadelen van elkaars cultuur en leren als het nodig is Nederlands. En eenzame buurtbewoners vinden in de huiskamer prettig gezelschap.

Ondanks het succes van de multiculturele huiskamer is voorzitter Cor tegen de komst van meer migranten. “Een immigratiestop? Daar ben ik voor. We moeten eerst maar eens gewoon met elkaar leren omgaan in Nederland. Hier zijn we op de goede weg, maar ik zou willen dat er meer ‘Bruggen’ waren. Letterlijk en figuurlijk.”

De multiculturele huiskamer van Nieuw-West

Periode: Maart tot juni 2010.

Subsidie: 2.000 euro per jaar.

Subsidiebron: Gemeente Amsterdam.

Eigen bijdrage: Bezoekers betalen 1 euro entree en betalen voor consumpties. De Brug ontvangt daarnaast giften en heeft inkomsten uit verhuur van ruimtes.

Doelstelling

Een bijdrage leveren aan een geëmancipeerde multiculturele samenleving op buurtniveau. In de multiculturele huiskamer kunnen buurtbewoners elkaar ontmoeten en actief meedoen aan taallessen en andere cursussen en aan vrijwilligerswerk.


Opbrengst

De Brug trekt mensen uit allerlei bevolkingsgroepen. Ook al komen ze voor het samenzijn met hun eigen groep, ze ontmoeten ook andere buurtbewoners. Ook voor de vrijwilligers en stagiairs is De Brug essentieel, doordat ze er een een plek in de samenleving vinden. De huiskamer voorkomt daarnaast de vereenzaming van ouderen.

Beoordeling

7+

Toelichting

De Brug biedt zorg aan veelal oudere buurtbewoners en bespaart daarmee zorgkosten. Daarnaast heeft De Brug bestaansrecht als trefpunt voor de multiculturele samenleving. Hoewel de stichting deels zelfvoorzienend is, moet de overheid wel bijspringen. Het samenvoegen van dit soort projecten, zoals de gemeente wil, is onwenselijk, omdat dan het huiskamereffect verloren gaat. Toch lijkt wildgroei van dergelijke intiatieven inderdaad een risico.

Karen Geurtsen