‘De waarheid is van elastiek’

In het oeuvre van de Britse auteur Julia Blackburn vervagen de grenzen tussen feiten en fictie. In het autobiografische Wij drieën beschrijft Blackburn hoe zij haar eerste twintig jaren doorbracht met een aan pillen en alcohol verslaafde vader en een hedonistische, jaloerse, lichtelijk nymfomane moeder.

Het geeft altijd een merkwaardig gevoel wanneer je de meest intieme details weet uit het leven van iemand die je nooit eerder hebt ontmoet. Van de vrouw die mij de hand schudt, weet ik alles over haar seksuele ontwaken in de jaren zestig, vanaf de eerste coïtus tot aan het moment dat zij opeens geen orgasmen meer kreeg. Ik weet van haar verhouding met een minnaar van haar moeder (de ruim dertig jaar oudere Geoffrey die uiteindelijk zelfmoord pleegde), ben op de hoogte van het feit dat haar moeder haar letterlijk als schild gebruikte tegen haar gewelddadige vader, een ietwat gemankeerde dichter die een homoseksuele verhouding had met de gerenommeerde schilder Francis Bacon. En dan was er nog haar experimentele drugsgebruik met middelen als lsd. Toch heeft die dramatische jeugd Julia Blackburn niet klein gekregen. De Britse, met een Nederlander getrouwde vrouw – ‘we kunnen Nederlands spreken als je wilt’ – oogt vrolijk, stabiel en zelfbewust. “De belangrijkste reden dat ik destijds niet ingestort ben,” vat ze haar wonderbaarlijke veerkracht samen, “is dat ik zeker wist dat mijn vader daar dan over zou gaan schrijven.”

Uiteindelijk was het de dochter die over haar vader zou gaan schrijven. En over haar moeder, een egocentrische vrouw die op haar sterfbed pas leek te beseffen wat zij haar dochter had aangedaan. Met het zinnetje “Nu kun je over mij gaan schrijven, niet”‘ gaf zij haar dochter de ruimte om de turbulente gebeurtenissen uit haar jeugd op een rijtje te zetten en een plaatsje te geven. “Dit is het verhaal van drie mensen,” schrijft Blackburn. “Het is het verhaal van twee ouders en ons drieën, maar ook het verhaal van de gecompliceerde, onwerkelijke driehoeksverhouding die ontstond tussen mij, mijn moeder en de reeks van eenzelvige mannen die in ons leven kwamen nadat mijn vader was vertrokken.” Nadat Thomas Blackburn in de vroege jaren zestig de deur achter zich had dichtgetrokken, verliet het fysieke geweld het huis en sloop de psychologische terreur van de moeder het huis in. Blackburn introduceert haar moeder als een ware tegenpool van haar vader. “Mijn moeder, Rosalie de Meric, was heel anders. Ze was kunstschilderes van beroep, werd zelden dronken, gebruikte geen pillen, was prettig in de omgang, bij haar volle verstand en flirterig, en ik ben altijd bang voor haar geweest.” Dat laatste zinnetje is de reusachtige adder die tot vlak voor de dood van haar moeder in 1999 onder het gras lag. Rosalie begon tijdens haar ziekte opeens vragen te stellen waaruit – voor het eerst – bleek dat zij berouw had. Vragen als: “Was jij erbij toen Tommy en ik ruzie hadden? En was je toen heel bang? Je zult wel eenzaam zijn geweest. Wat vreemd dat ik daar nooit aan gedacht heb. Nou ja, niet getreurd. Dat is nu allemaal voorbij.”


Ondanks dit late berouw krijgt de lezer in de loop van het boek een groeiende hekel aan dit onverantwoordelijke ouderpaar. Het beeld van moeder en dochter die, nadat Thomas de badkamerdeur heeft ingeslagen, in nachtkleding op de vlucht slaan en door de straten van Leeds rennen, blijft de lezer als een spookbeeld op het netvlies staan. Ouders om eeuwig te haten, denk je dan, maar dat blijkt niet zo te zijn. “Als ik de afgelopen tijd niet zoveel over mijn vader te weten was gekomen, hoe hij door zijn eigen vader werd vernederd en mishandeld, dan zou vergiffenis moeilijk zijn geweest. Ook het feit dat ik tijdens de laatste periode van mijn moeders leven, eigenlijk voor het eerst, zo close met haar ben geworden, heeft daartoe bijgedragen.”

Is het voor u niet vreemd om te weten dat door het schrijven van Wij drieën uw meest intieme geheimen op straat liggen en dat uw lezers aan het slot van het boek, al heeft u ze zelf dan vergeven, uw ouders waarschijnlijk hartgrondig haten?

“Ik denk dat de mensen één ding erg goed moeten beseffen: de vreselijke gebeurtenissen die ik in mijn boek beschrijf, vonden dertig jaar geleden plaats. Het meisje van toen heb ik achter me gelaten. Van de vrouw van nu weet niemand iets, behalve dan het verhaal over hoe de verzoening met mijn moeder tijdens de laatste dagen van haar leven tot stand kwam. En wat mijn ouders betreft: het hangt er maar van af hoe je tegen hen aan kijkt.

Margaret Drabble noemde hen in haar recensie ‘eccentric, dangerous and wonderful bohemian parents’.”

Wonderful?

“Ik bedenk weleens dat ook mijn jeugd, hoe slecht die ook was, mij tot de vrouw en schrijfster heeft gemaakt die ik nu ben. Je moet, wat er ook gebeurt, altijd verder. En dat heb ik gedaan. Mijn vader mag dan een gecompliceerde man zijn geweest, hij heeft mij wel zijn grote liefde voor woorden en taal gegeven. Hij zei ooit tegen mij: ‘Zolang je alles opschrijft, maakt het niet uit wat er gebeurt. Zoek voor alles een metafoor, dan komt het vanzelf weer goed.’ Wat mijn moeder betreft, liep ik rond met een knoop in mijn maag vanwege de verwijten die zij me maakte en de schuldgevoelens die ik daarover had. Dat mijn vader onvruchtbaar was geworden doordat ik hem had aangestoken met de bof, dat zij geen escapades meer kon maken omdat ze op me moest passen, dat ik verantwoordelijk was voor de zelfmoord van de man van wie zij hield. Door die knoop van schuldgevoelens en verwijten ben ik mijn hele creatieve leven bezig geweest om mensen proberen te begrijpen die zich in een hachelijke situatie bevinden waar ze niet meer uit kunnen komen. Mensen die, door die situatie, niet meer gezien kunnen worden zoals ze in werkelijkheid zijn. Ik heb altijd geschreven over onbegrepen mensen. Dat was het geschenk van mijn moeder. Als ik een gelukkige jeugd had gehad, dan had ik misschien niets gehad om over te schrijven.”


U schrijft uw verhaal zo accuraat en gedetailleerd op dat het wel lijkt alsof het gisteren is gebeurd. Hoe goed kan het geheugen nog zijn na zóveel jaren?

“Ik had natuurlijk mijn archief. Tijdens het schrijven kwam ik er wel achter dat veel herinneringen die ik had helemaal niet waarheidsgetrouw waren. Ik herinnerde me bijvoorbeeld dat ik mijn moeder na de zelfmoord van Jeffrey helemaal niet meer had gezien. Maar in haar dagboeken las ik dat het wel zo was.”

Het geheugen, zelfs van een biograaf, is dus niet te vertrouwen…

“Stel dat ik gewacht zou hebben met het schrijven van het boek. Dat ik er, ik noem maar wat, pas over tien jaar aan zou beginnen. Dan zou je een heel ander boek hebben gekregen dan het exemplaar dat nu in de winkel ligt. Ook als ik er me- teen na de dood van mijn moeder mee was begonnen, zou het een ander boek zijn geworden. Alles is zo subjectief. Wat ik nu als waarheid verkoop, is mijn waarheid van dit moment. Ik geloof niet in objectieve geschiedschrijving. Ik heb ooit een biografie over Billie Holiday geschreven. Tijdens mijn research stuitte ik zó vaak op feiten die elkaar tegenspraken. De één zei dit over haar, de ander dat. En tegen de één had Holiday over dezelfde gebeurtenis een heel ander verhaal verteld dan de ander. Dat is vaak niet eens opzettelijk liegen; mensen doen zich ten opzichte van verschillende mensen nu eenmaal verschillend voor.”

We zijn dus allemaal leugenaars?

“Nee, dat zou ik niet zeggen. Ik zou zeggen dat er vele waarheden zijn. Ieder mens heeft vele kanten. Dat zit in de natuur van de mens. De absolute waarheid bestaat niet.”

Maar zijn we niet altijd op zoek naar een convenient truth, een waarheid waar we het best mee kunnen leven?


“Dat geloof ik niet. Persoonlijk probeer ik écht altijd de waarheid te vertellen. Wat ik bedoel, is dat de waarheid steeds verandert, en dat je steeds weer pal achter de waarheid staat die op dat moment geldt. Zonder dat je steeds dingen gaat verzinnen, is het leven al ingewikkeld genoeg. Maar we zien de dingen niet allemaal hetzelfde. Ik vind dat fascinerend.”

Er zitten vrij veel dialogen en citaten in het boek. Het lijkt me vrij onmogelijk dat u zich, dertig jaar na dato, nog precies herinnert wat uw vader of moeder bij een bepaalde gelegenheid heeft gezegd. Is mijn wantrouwen gerechtvaardigd?

“Ik heb een heel goed auditief geheugen. Ik zou, net als Sheherazade, vijf dagen en vijf nachten lang onafgebroken gedichten kunnen reciteren. Ook zou ik het complete oeuvre van Billie Holiday uit mijn hoofd kunnen opzeggen. Zingen niet, want ik heb een verschrikkelijke zangstem. Dus de vraag: ‘wat zeiden ze nu eigenlijk precies?’ heb ik mezelf eigenlijk niet eens gesteld; ik hóórde gewoon wat ze zeiden, en dat schreef ik op. Eigenlijk heb ik geen idee hoe waarheidsgetrouw die quotes zijn. Ik had natuurlijk de dagboeken en andere papieren om me op te baseren. En door wat ik daarin las, hoorde ik ook weer dingen in mijn hoofd. Ik zal je een voorbeeld geven. In het boek heb ik het ook over de vriendschap van mijn vader met de schilder Francis Bacon, en of hij al dan niet een homoseksuele verhouding met hem heeft gehad. Mijn vader had altijd gezegd van niet, maar in zijn dagboek las ik opeens – ‘I briskly sodomized him’ – dat het wél zo was. Toen herinnerde ik me plotseling precies wat hij daarover had gezegd, namelijk: ‘Nee, dat heb ik nooit gedaan, liefje. Ik zou het gevoel van een harige lip niet kunnen verdragen.’ Sommige dingen vergeet je gewoon niet meer. Net als de enige keer dat hij mij sloeg – per ongeluk, hij had mijn moeder willen raken – en zei: ‘So sorry darling, no blood, I hope?’ Ik denk dat die quotes redelijk waarheidsgetrouw zijn. Het is in elk geval de waarheid voor dit moment; over drie jaar herinner ik ze me misschien weer anders.”


Dat is een opmerkelijke visie voor iemand die biografieën schrijft…

“Je weet nooit of iets waar is of wie er gelijk heeft. Welke uitspraak van mijn vader over Francis Bacon moet ik geloven? Woorden op zich zijn al niet te vertrouwen. Zelfs al zijn mijn citaten correct, dan is het nog maar de vraag of de woorden die mijn vader of moeder kozen wel een juiste weergave waren van wat ze voelden of bedoelden te zeggen. Ik vergelijk woorden weleens met kleine vlotjes die we de zee op sturen: je weet nooit of ze wel aan komen. Met woorden is het beetje zoals met Humpty Dumpty uit Alice in Wonderland. Die zegt op een gegeven moment: ‘Wanneer ik een woord gebruik, dan betekent het precies wat ik wil dat het betekent.’ Woorden kunnen veel betekenissen hebben, en de betekenis die op een bepaald moment de baas is, wint het. Zo is het ook met het geheugen. Mijn jeugdherinneringen, het verhaal dat ik nu heb opgeschreven, heb ik altijd in mijn achterhoofd gehad. Maar het was niet de baas, trad niet op de voorgrond, maar gaf wel een bepaalde focus aan mijn schrijverschap. Ik vraag me weleens af of ik na dit boek überhaupt nog wel kan schrijven.”

Julia Blackburn.Wij drieën. De Bezige Bij. €19,90 Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Ruud Meijer