‘Ik had altijd wat moeite met mezelf’

De ontvangst in haar atelier is hartelijk. Met verrassend zachte, lieve stem vertelt Ans Markus (1947) over het knokken om geld te verdienen en de misverstanden over haar imago. ‘Dat ik een harde uitstraling heb, kleeft aan mij.’

Ans Markus – 25 gulden per portret – laat hier uw portret tekenen.’ Dat stond op een bord tijdens een Franse braderieweek in Tilburg. Daar vroeg ik voor het eerst geld voor een tekening. Dertig was ik, gescheiden; ineens moest ik voor mezelf en mijn dochter van negen zorgen. Het fantastische is dat in paniektijden mensen op je af kunnen komen met een voorstel dat je leven kan veranderen. Dat gebeurde. Tijdens die Franse week zouden ze kaas verkopen, alles op z’n Frans, en er moest een tekenaar à la Place du Tertre zijn. Nou, dat was ik dus! Sinds mijn elfde tekende ik. Ik had dat acht jaar gedaan bij een hobbyclub; handen, koppen, voeten. Ik vond het wel eng om daar te zitten portretteren, maar ik moest geld verdienen en ik heb altijd van het tekenen genoten en later ook van het schilderen. In die tijd was ik ook hostess voor de VVV en tekende ik advertenties voor een winkel in leren jasjes; dat stond dan in een plaatselijke krantje. Ik worstelde om genoeg geld te verdienen. Mijn dochter Sigrid was mijn reden om te knokken, zonder haar had ik het misschien wat makkelijker genomen.

Thuis begon ik voorzichtig met kleur en olieverf te werken. Daaruit kwamen de schilderijen met de windsels voort waarmee ik een van mijn eerste belangrijke exposities had. Mijn partner Wybe, met wie ik nu ruim 25 jaar samen ben, ontmoette ik daar. Hij kocht een windseldoek. Die doeken waren zó mijn binnenkant, het was zo eng om daarmee mijn gevoelens helemaal te tonen en in feite weg te geven. De doeken kwamen voort uit mijn eerste huwelijk, dat heel moeilijk was. Ik had geen eigenwaarde meer en had een laagje opgebouwd tegen de buitenwereld; daar stonden die windsels voor. Het was zo heftig dat Wybe, een vreemde, zo’n doek kocht. O, ik háátte die man gewoon. Ik had wel geld nodig, dus ik was dankbaar dat iemand het kocht, maar het hakte ook iets bij me weg. Wybe had toen al een oogje op me, maar hij had een juffrouw en ik een meneer.


We bleven elkaar tegenkomen, omdat ik voor latere exposities dat eerste werk steeds kwam lenen. Zeven jaar na de eerste ontmoeting ben ik bij hem in Amsterdam gaan wonen. Wybe verzamelde kunst, had een visie hoe de zaken moesten worden aangepakt. Dat ik mijn naam voluit onder mijn schilderijen moest zetten bijvoorbeeld. En de lijsten, die moest ik volgens hem helemaal niet zelf maken. ‘Jij moet schilderen,’ zei Wybe, ‘dát is jouw ding.’ Iedereen dacht: O, een rijke man, hij zal haar wel onderhouden. Maar nee, Wybe was heel verstandig, hij leerde me veel. Het is wat ze zeggen: ‘Geef geen vis, leer ze vissen.’

Hij heeft ook bedacht dat ik een grote expositieruimte aan de overkant van ons huis zou kopen. Ja ja, dacht ik, héb ik eindelijk centjes, koop ik zoiets groots. Maar ik heb er geen spijt van. Als je straatarm bent geweest zoals ik, dan is het een extra voldoening om zo’n pand te kunnen kopen. Ik geef er een paar keer per week workshops aan groepen managers, raden van besturen, soms ook groepen vriendinnen. Twee uur komen de mensen, voor ongeveer 2500 euro voor twintig mensen. Samen met mijn portretwerk zijn die workshops een financieel houvast. Ik hoef dan minder van mijn schilderijen te verkopen. Van de 850 schilderijen heb ik er zo’n 600 verkocht, maar ik begin er steeds zuiniger op te worden.

Nu schilder ik een paar maanden niet, dat komt bijna nooit voor. Ik vind het wel prettig om eens met vriendinnen te lanterfanten na een heel drukke tijd. Er is, vanwege mijn verkiezing tot Kunstenaar van het Jaar, net een expositie geopend met mijn hommages aan couturiers, in Museum Jan van der Togt in Amstelveen. Ik heb die schilderijen gemaakt om de dag wat lichtvoetiger te maken na de dagelijkse bezoekjes aan mijn 98-jarige moeder in het verzorgingstehuis. Haar heb ik ook geschilderd, en ik heb er korte verhalen bij geschreven; die staan in het boekje De pijn van oud, waar ik enorm mee heb moeten leuren, maar waar nu de eerste druk al van is uitverkocht. Daarnaast is er ook nog het boek over mijn hommages aan couturiers verschenen, dus het is een bewogen jaar.


Dat ik een harde uitstraling heb, kleeft aan mij. Soms is het ook wel handig, want dan word je niet zo snel aangesproken op straat, haha. ‘Je hebt een imago opgebouwd,’ wordt weleens gezegd. Halló, daar ben ik niet mee bezig, dat vind ik vreselijk. Kijk, ik was zestien toen ik mijn ogen al zwart maakte en mijn haar naar achteren deed. Het gaat bijna altijd zo dat mensen denken dat ik zo afstandelijk ben, en dan hoor ik naderhand: ‘U bent toch veel aardiger dan we dachten.’ Maar ik vind het zo dom als ik sta te lachen op een foto, dus ik hou m’n mond een beetje dicht en dan oog ik waarschijnlijk streng.

Het zou wel een klein beetje kunnen kloppen dat mijn make-up in plaats komt van de windsels, dat het een soort bescherming is. Ik denk dat ik geboren ben met een bepaald DNA waarin onzekerheid permanent aanwezig is. Als klein meisje was ik al een beetje bangig, beschouwend. Op het lyceum in Haarlem wilde ik er wel bij horen, maar durfde ik niet. En dan ben je volwassen en hoor je mensen lachen en denk je dat ze je uitlachen. In Brabant voelde ik me een eenling. Ik droeg mijn eigengemaakte creaties, mijn dochter Sigrid ook, dus we waren ook anders. Ik had altijd wat moeite met mezelf. Doordat het schilderen een succes werd, ging het onzekere wel een klein beetje weg. Maar ik zou nooit zonder make-up de straat op durven.

Dat ik soms ‘societyschilder’ word genoemd vind ik wel erg hoor, dat vind ik helemaal geen leuk woord. Ik heb helemaal niks met het bekende Nederlander zijn, ik voel me niet zo. Misschien omdat ik te vaak te lang alleen zit te werken hier. En omdat ik van absoluut simpele dingen houd. Tochtjes maken door de stad op mijn fiets, om mijn posters bij galeries en grand cafés op te hangen bijvoorbeeld.


Wat ik wel een mijlpaaltje vond was dat er drie jaar geleden 65.000 mensen naar mijn expositie in het Noordbrabants Museum kwamen. Jeetje, dat ze allemaal in de rij staan en geld voor je betalen om binnen te komen. En toen ik genomineerd was als Kunstenaar van het Jaar 2009/2010 en in het rijtje Armando, Erwin Olaf, Marlene Dumas stond, dacht ik: het zal Armando wel worden. Dat ik het toen toch werd, dat voelde wel heel prettig. En dan ben ik ook nog net benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau, vanwege mijn oeuvre en de goede doelen die ik al twintig jaar steun. Ik heb altijd geroepen: Ach, iedereen krijgt een lintje. En nou heb ik er zelf een, en dan ben ik daar toch wel heel blij mee.’

Sara van Gorp