‘Ik wil terug naar Nederland’

Met je geliefde in Turkije wonen: romantiek ten top natuurlijk. Of is het echte leven toch wat harder? Voor Maaike, Ralph, Barbara en Charlene is de romantiek er in elk geval helemaal af. ‘Als we morgen terug konden, dan zouden we gaan.’

Als ze op de foto is gezet en de fotograaf vertelt dat hij ook reclamefotografie doet én film, tovert Barbara snel haar visitekaartje tevoorschijn. “Als je eens een model zoekt, of een actrice die ook kan zingen, kun je me altijd op dit nummer bereiken.” Zo gaat dat, vertelde ze even ervoor al: werk vind je in Istanbul vaak door toevallige ontmoetingen. “Zo ben ik ook aan mijn eerste filmrol gekomen; via via ontmoette ik een acteur en regisseur. Ik zei: ‘Joh, schrijf eens een rolletje voor me.’ Een half jaar later belt-ie me op, en nu speel ik in zijn film de rol van een zangeres.”

Het is een treetje op de ladder naar succes. Toen ze naar Istanbul verhuisde, anderhalf jaar geleden, had ze gedacht dat ze nu al veel verder zou zijn. “Ik zou,” zegt ze, “in een jaar de taal leren en dan werk vinden. Maar Turks bleek veel moeilijker dan ik dacht. Ik heb al een aanbieding voor het presenteren van een tv-programma moeten laten schieten, omdat mijn Turks daar bij lange na niet goed genoeg voor is.”

Er is Barbara veel aan gelegen succesvol te zijn in haar werk. Ze had een goed leven in Nederland: na een musicalopleiding in Londen en klassieke zang op een Nederlands conservatorium werkte ze al tien jaar als zelfstandige, en dat liep prima. Toen werd ze, op reis in Istanbul, verliefd op een Turk. Heen en weer pendelen wilde ze na een tijdje niet meer en voor haar vriend was verhuizen naar Nederland geen optie, omdat hij in Turkije een kind heeft. “Dan is het óf de relatie beëindigen, óf zelf verhuizen.”

Natuurlijk, ze heeft getwijfeld: “Ik wilde niet alleen voor mijn vriend naar Istanbul komen, want dat legt veel druk op je relatie. Dus vond ik een doel in mijn werk, maar dat loopt dus niet helemaal zoals ik zou willen. De film waar ik nu in speel, is mijn eerste acteerproject. Lowbudget, ik haal net m’n kosten eruit. Maar het levert vast een goed promotiefilmpje op en dat gaat me hopelijk weer verder brengen.”


Financieel redt ze zich wel; ze verhuurt haar koopappartement in Amsterdam onder. Als ze in Nederland is zorgt ze voor wat werk en in Istanbul neemt ze af en toe kleine baantjes aan en geeft ze trainingen die aan haar vak gerelateerd zijn, zoals speechen. “Maar ik ben niet bereid alles te doen. Ik kan zo aan de slag als lerares Engels of in een ander baantje. Zes dagen per week werken voor 1500 lira, dus 750 euro, dat doe ik niet. Ik wil acteren.”

In het begin ging ze op zoek naar werk door audities af te lopen, vooral voor reclamewerk. Maar dat leverde nooit iets op. “Ik snapte er niets van: ze vragen alleen je naam, leeftijd, gewicht en lengte. En omdat ik bang was dat ze me dingen zouden vragen die ik niet zou begrijpen, voelde ik me onzeker, en dat is natuurlijk funest.” Nu weet ze dat ze het van haar netwerk moet hebben, en dat is groeiende. “De kansen om het te maken als actrice zijn hier in principe beter dan in Nederland; het wereldje is vrij klein. Ik kan zingen én acteren, en dat is hier vrij uitzonderlijk. En mijn uiterlijk werkt in mijn voordeel.” Niet alleen omdat ze rood haar heeft en blauwe ogen, ook omdat ze jong oogt. “Hoe oud ik ben? Dat zeg ik écht niet.”

Een rol in een van de vele Turkse series, dat lijkt haar wel wat. Maar ja, dat verdient dus ook niet zo best, heeft ze pas gehoord. Als onbekende actrice misschien 1000 lira voor een aflevering, en dat is een week filmen.

Ze verhuurt haar huis in Amsterdam steeds voor korte periodes, zodat ze er snel weer zelf kan wonen als dat nodig is. Ze heeft al haar verzekeringen nog in Nederland lopen en de twee bedrijven die op haar naam staan, schrijft ze nog niet uit bij de Belastingdienst, al zijn ze op het moment niet erg actief. “Als ik dat opgeef, verlies ik al mijn zekerheden. En als ik in Nederland ben, wil ik in mijn eigen huis zijn en op mijn eigen fiets door Amsterdam fietsen. Die vrijheid voelen, want die mis ik hier.”


Want Istanbul: verliefd is ze er niet op geworden. “Het is te groot en te druk, je wordt gek van het verkeer en de luchtvervuiling, en ik vind grote delen van de stad grijs en grauw. Het is dat de Bosporus er doorheen stroomt, dat is prachtig, maar toch: geef mij maar Amsterdam. Of Berlijn.” Als ze binnen zes tot twaalf maanden het gevoel heeft dat het écht de goeie kant op gaat met haar Turks én haar carrière in de film- en tv-wereld, dan blijft ze. “Het zou fantastisch zijn als het me lukt de vruchten te plukken van wat ik nu aan het zaaien ben. Mooie rollen spelen, totale onafhankelijkheid. Zoals ik gewend was in Nederland.”

Een zwager die bij haar en haar man kwam inwonen; Maaikes huwelijk heeft het maar nét overleefd. Na vier maanden was ze het zo zat dat ze de zwager de deur wees. Onvergeeflijk, vond Maaikes man Veli. Want familie steun je, onvoorwaardelijk. Maaike: “Uiteindelijk snapte Veli me wel. Ik ben zoiets als Nederlandse niet gewend; ik ben op mijn privacy gesteld. Zijn broertje dééd ook niets. Kwam ik thuis van een dag hard werken, stond de ontbijtboel nog op tafel en zat hij te nietsnutten. Ik pikte het gewoon niet meer!”

Maaike zit in de tuin op een typisch Turkse bank met grote kussens, onder een parasol. Naast haar een moestuintje en bomen, daarachter – zo te horen – een waterval. Achter haar een wei waar soms paarden in grazen, maar waar nu een paar honden rondsnuffelen. Vóór haar het huis waar ze woont met man Veli en haar zoontjes Semih (zeventien maanden) en Kaya (vier maanden): knus, één verdieping, met een kleine lekkage en een huur van 250 lira (zo’n 125 euro). Het zandpad dat wegvoert van het terrein, leidt langs een beekje en fruitbomen naar een klein Turks dorp. Rij je nog iets verder, dan kom je in het toeristische plaatsje Side.


Het zou idyllisch zijn als je de dagelijkse werkelijkheid niet kent. Met de veeleisende Turkse familie valt nog wel te leven, zegt Maaike, maar het gebrek aan zekerheid en geld begint haar en haar man op te breken. Veli werkt tijdens het toeristenseizoen en verdient daarmee een jaarinkomen van 7200 lira, omgerekend 3600 euro. Betaal daar de huur van, elektriciteit, water, luiers, een ziektekostenverzekering, de auto en benzine (zonder dat is Veli’s werk onbereikbaar), Maaikes verblijfsvergunning, eens per jaar een ticket naar Nederland en niet te vergeten de dagelijkse boodschappen, en je komt ver, héél ver onder nul uit. Zonder donaties uit Nederland zouden ze het nooit redden. “Als we morgen naar Nederland konden,” zegt Maaike, “dan zouden we gaan.”

Ze is er klaar voor haar trots te laten varen, haar doorzettingsvermogen als ‘op’ te beschouwen. Die eigenschappen hebben haar ervan weerhouden in het eerste jaar na haar verhuizing naar Turkije alweer het vliegtuig terug naar Nederland te pakken. Ze kwam vijf jaar geleden midden in de zomer aan, en ze herinnert zich van toen vooral haar buurvrouwen. “Ging Veli naar zijn werk, dan kwamen ze al. Als ik de deur opendeed, stonden ze meteen in de woonkamer. Ze trokken laatjes en kasten open en eentje liet haar kinderen bij me achter als ze moest werken. Mijn Turks was slecht, ik wist niet wat ik ermee aan moest. Zelf werk vinden bleek onmogelijk: alle baantjes waren al vergeven.”

De winter was nog erger. Er kwam een eind aan Veli’s werk en hij had nauwelijks kunnen sparen omdat hij op afbetaling een inrichting had gekocht. Vertel Maaike niet dat je ‘van de liefde leeft’ als je geen cent hebt. “We zaten voortdurend op elkaars lip en we konden niets doen omdat alles geld kost. Behalve wandelen, maar na een tijdje heb je hier alle weggetjes echt wel gezien.” Ze heeft met gepakte koffers klaargestaan om Turkije – en dus Veli – te verlaten, maar trots, doorzettingsvermogen én liefde weerhielden haar. “Ik dacht steeds: het komt wel goed.”


Dat denkt ze nu niet meer. Het leven in Turkije blijft zoals het is: hard en onzeker. Ze heeft een paar banen gehad, maar allemaal tijdelijk, illegaal, zes of zeven dagen per week, voor soms maar 400 lira per maand. Nu ze moeder is, is werken definitief verleden tijd; parttime banen zijn er niet, en voor fulltime werken (zes dagen per week) is ze – vindt ze – geen moeder geworden. Trouwens: kinderopvang kost meer dan ze zou verdienen.

Aanspraak heeft ze nauwelijks. ’s Ochtends is Veli thuis, verder is ze altijd alleen. Ze eet alleen met de kinderen, ’s avonds als ze slapen zit ze alleen op de bank. Ze heeft geen vervoer, lopen naar het dorp is te ver. “Ik ben best een Einzelgänger,” zegt ze, “maar niet zó’n Einzelgänger.” Ze herinnert zich haar kraamtijd; haar moeder was er, maar er kwam niemand langs, ook haar schoonfamilie niet. “Turkse families close? Ja, als het ze uitkomt wel, ja.”

Haar derde kind wil ze in Nederland krij- gen. Maar wanneer? Ze denkt niet dat ze kan voldoen aan de criteria om een Nederlandse verblijfsvergunning voor haar man te bemachtigen. De route via België, die veel stellen gebruiken om de strenge Nederlandse eisen te omzeilen, kost ook geld. Misschien blijft die derde wel een droom.

Per 1 augustus heeft hij weer een baan in Nederland. Bij zijn oude werkgever, een mediabedrijf. Hij gaat weer hardlopen en tennissen. Af en toe met vrienden naar de kroeg. Zijn tweeling van vijf jaar ’s ochtends afleveren bij het buurtschooltje om de hoek. Bij zijn familie langs als hij daar zin in heeft. En bij de buurtsuper een potje pindakaas scoren, en een goed stuk kaas. En filet americain natuurlijk. “Het klinkt misschien kneuterig, maar ik heb er zo’n zin in!”


Ralph en zijn Turkse echtgenote Fidan verlieten Nederland ruim twee jaar geleden. Op zoek naar een wat relaxter leven vertrokken ze naar de Turkse badplaats Bodrum, waar ze elkaar ooit leerden kennen. De kinderen waren nog klein, en ze dachten: als we ooit een tijdje in het buitenland willen wonen, of misschien zelfs willen emigreren, moeten we het nú doen. Bodrum ging vervelen, dus ze verkasten naar Istanbul. Fidan vond een prima baan bij een hotel en Ralph ging aan de slag als freelance cameraman. Geen vuiltje aan de lucht. Totdat Fidan van de ene op de andere dag ontslagen werd, zonder opgave van reden. Ralph: “Toen dacht ik voor het eerst: als dat zó gaat, dan weet ik niet of we hier wel moeten blijven.”

Hij wil maar zeggen: hij is wel avontuurlijk ingesteld, maar als je kinderen hebt, is stabiliteit ook belangrijk. Een vast inkomen vooral. Want wil je ze in Istanbul een goede opleiding geven en dus naar de internationale school sturen, dan ben je 1000 euro schoolgeld per maand kwijt. Ralph: “Als je baan onzeker is, wordt die goede school dus onbereikbaar. En een Turkse school, dat is geen optie. Het Turkse onderwijs draait om leren en presteren. Ons buurjongetje van tien jaar zit soms ’s nachts nog aan zijn huiswerk. Verschrikkelijk.”

In Nederland hadden Ralph en Fidan allebei een goede baan, in Turkije moet de financiële stabiliteit van Fidans baan komen. Voor Ralph is het moeilijk een werkvergunning te krijgen, en hij weet ook niet of hij wel voor een Turkse baas wil werken. “Ik zie het bij Fidans werk: bedrijven worden onvolwassen en emotioneel geleid. Als de baas je niet mag, lig je eruit. Als de manager incapabel is, maar toevallig familie van de baas, dan blijft zo iemand op zijn plek. Ik kan daar slecht tegen.” Ralphs Turks is daarnaast voor veel banen niet toereikend. “Foutje van mij. Ik heb er te weinig energie in gestoken.”


Hij runt nu een eigen evenementenorganisatiebureau, en dat loopt steeds beter, maar nog niet goed genoeg. “We moesten nu een beslissing nemen, en de toekomst van de kinderen heeft daarbij een grote rol gespeeld. In Turkije zijn kinderen pas vanaf zeven jaar leerplichtig, maar als we naar Nederland willen, moeten we ze daar nu laten instromen.” Ze kiezen eieren voor hun geld.

Ze zullen Istanbul missen, net als Fidans familie, die ook in de stad woont. “Ik heb heel wat gereisd,” zegt Ralph, “en ik ken geen stad die aan Istanbul kan tippen. Dynamisch, internationaal, een geweldig uitgaansleven. Maar we kunnen er nauwelijks van genieten. Fidan gaat zes dagen per week om acht uur ’s ochtends naar haar werk, en doordeweeks komt ze pas tussen tien en elf uur ’s avonds thuis. Ik ben verantwoordelijk voor de kinderen. In het begin vond ik vaderen heerlijk, maar nu begint het toch zijn tol te eisen; twee kinderen van vijf jaar vragen al je aandacht, en dát is dus mijn sociale leven. Ik hou van sporten, maar ik ga niet om elf uur ’s avonds als Fidan thuis is nog eens een potje rennen. Er zijn hier geweldige clubs, maar ze zijn ver van huis en we komen er eigenlijk nooit.”

Het mooie is: Istanbul is maar drie uurtjes vliegen vanaf Amsterdam. Straks hebben ze het mooi voor elkaar. Wonen in het stabiele Nederland, allebei een baan met normale werktijden en zonder de angst elk moment werkloos te kunnen raken en platzak achter te blijven. En als ze zin hebben, pakken ze het vliegtuig en dompelen ze zich een weekendje onder in Istanbul.

Charlenes man Güney is gek op Nederland. Idolaat zelfs. De schone straten, de huiselijkheid, de regelmaat, de banen van negen tot vijf. Sleur? Nee, dat is geen sleur, dat is rust. En als Charlene door haar mans ogen naar haar eigen land kijkt, ziet ze het ook: Nederland is mooi en biedt zekerheid. Daar kan ze doen wat ze écht wil, zegt ze: “Een tweede kind krijgen, misschien zelfs een derde. Dat durf ik in Turkije niet aan.”


En dus laten ze in november Turkije achter zich. Charlene werkt voor een grote reisorganisatie en kan na het zomerseizoen op kantoor terecht in Rotterdam. Maar ze gaan in België wonen, want daar gelden minder strenge regels voor gemixte gezinnen dan in Nederland. Als ze rechtstreeks naar Nederland zouden gaan, zou Güney pas een half jaar later dan Charlene kunnen komen, en ze passen ervoor als gezin uit elkaar gehaald te worden. Over een paar jaar, als Güneys verblijfsvergunning helemaal rond is, maken ze de overstap naar Nederland.

Op het eerste gezicht lijkt Charlenes leven in Alanya prima op de rails te staan. Ze werkt voor een Nederlandse baas en verdient een Nederlands inkomen, Güney werkt ook en haar schoonmoeder is beschikbaar als oppas voor hun zoontje. Haar Turks is uitstekend, ze kent veel mensen en door haar werk is ze lekker veel buiten én ze kan deels haar eigen werktijden bepalen.

De realiteit is dat zowel Charlene als haar man alleen in de zomer werken en dan hun geld voor het hele jaar moeten verdienen. Charlene: “En daarvan moeten we ook mijn schoonmoeder onderhouden. We betalen alles voor haar: de vaste lasten, eten, kleding en verzekeringen. Ze heeft al jaren Parkinson en de verzekering vergoedt niet alles, dus dat komt ook op ons bordje.”

Zeven maanden per jaar werkt Charlene zes, soms zeven dagen per week, vaak inclusief de avonden. Haar man werkt als deejay in een club en is dus ’s avonds en ’s nachts weg. Soms, als ze met een groep vakantievierende Nederlandse jongeren een kroegentocht doet, gaat ze ook langs de bar van haar man: dan zien ze elkaar nog even tussendoor. Alle momenten die ze samen thuis hebben, mét hun zoon, die pakken ze. In Nederland werken en dan het weekend én de avonden vrij zijn, dat moet wel echt fantastisch zijn.


Misschien gaat dat relaxte leven in Nederland wel wennen op den duur. Of vindt ze het daar, als ze die felbegeerde drie kinderen eenmaal hebben, ook wel een gekkenhuis. Je went aan waar je woont; zoveel heeft ze wel geleerd na zes jaar Turkije. “Vakantiegangers,” zegt ze, “zijn jaloers op me omdat ik pal aan zee woon en in zo’n lekker klimaat, maar ik sta daar niet eens meer bij stil. Net zoals zij waarschijnlijk niet stilstaan bij hoe mooi Nederland is.”

Toch kijkt ze niet alleen maar uit naar de verhuizing. “Een kantoor!” zegt ze terwijl ze grote ogen opzet. “Dat zal nog wennen worden. Turkije heeft veel mooie kanten, ik ben gelukkig hier. Maar sinds we de knoop hebben doorgehakt om hier weg te gaan, groeit mijn verlangen naar Nederland.” Alsof ze zichzelf nu toestemming geeft de heimwee te voelen.

Fréderike Geerdink