Snoepreisje à la carte

Curaçao is het grootste eiland van de Nederlandse Antillen, maar moet het qua populariteit vaak afleggen tegenover het kleinere broertje Aruba. En dat terwijl er ook hier, zeker op culinair gebied, toch genoeg te genieten valt.

Laat ik er geen doekjes om winden: van alle journalistieke disciplines is Het Snoepreisje mij toch het dierbaarst. Dus toen ik ‘in het kader van de aanstaande onafhankelijkheid’ een geheel verzorgde reis naar Curaçao kreeg aangeboden, reageerde ik daarop zoals de kandidaten in de legendarische tv-quiz Voor een briefkaart op de eerste rang: ik beantwoordde de vraag voor zij goed en wel was gesteld. Niet geheel verwonderlijk luidde mijn repliek ‘ja’, en dat antwoord werd goedgekeurd.

De zorgvuldig samengestelde trip was getiteld Curaçao à la Carte, en dat voorspelde veel goeds, temeer omdat er ook een aantal culinaire journalisten was uitgenodigd. Dat we werden ondergebracht in het heelveelsterrenhotel Hyatt Regency joeg de voorpret zelfs naar het kookpunt. Hyatt Regency is een gloednieuw complex op de voormalige plantage Santa Barbara, en je doet er een klein kwartier over om van de toegangspoort in de lobby te geraken. Dat wil zeggen: met de auto, anders ben je een halve dag kwijt. Dat we die afstand de eerste de beste ochtend al om kwart over vijf in omgekeerde richting moesten afleggen, stuiterend op de planken van een open truck, was een niet ingecalculeerde verwachting. Gelukkig kregen we een appel mee. En een bekertje yoghurt.

Giovanni, de chauffeur in wiens donkere gelaat een constante grijns was gebeiteld, had er zin in. “Het is altijd maar Aruba, Aruba, Aruba waarover de mensen schrijven!” schreeuwde hij boven het gebrom van de motor uit. “Dat moet vanaf nu Curaçao, Curaçao, Curaçao zijn! Wordt er in Nederland weleens wat over Curaçao geschreven?” Gelukkig konden we pretenderen nog half te slapen, zodat we die vraag niet naar waarheid hoefden te beantwoorden.


Met duizelingwekkende snelheid joeg Giovanni zijn voertuig van de oostpunt van het eiland richting Christoffelpark, een natuurgebied op de uiterste westpunt. Het was de bedoeling dat we daar de Christoffelberg zouden beklimmen, met 375 meter de hoogste berg van Curaçao. Een doorgewinterde alpinist als Ronald Naar bestijgt zo’n puist achterstevoren en met de handen in de zakken, maar de minder getrainde deelnemers aan Curaçao à la Carte leken zich in het versteende natuurgeweld te verslikken. Maar ondanks de verzengende hitte, verraderlijk gepositioneerde distels en cactussen en plots opdoemende, in onze ogen duizelingwekkende afgronden, bereikten we in iets meer dan drie kwartier de top. Dat de terugtocht de échte uitdaging vormde, daar kwamen we pas later achter…

Met kuitspieren als te strak gespannen elastiek, bereikten we de begane grond, waarna we à la carte op een mountainbike werden gezet, om al stofhappend richting Oog van Curaçao te crossen. Dat Oog is een enorm gat in de rotsbodem waardoor de woest kolkende zee zichtbaar is, een fascinerend schouwspel. Prompt moest ik denken aan Frans Bauer, die eens voor de TROS-camera op de Curaçaose klippen stond en naar beneden keek, waar het zeewater ongenadig op het land inbeukte. De sympathieke hitzanger uit Fijnaart sprak toen de legendarische woorden: “Als je dáár in valt, nou, dan-dan-dan… dan ben je er niet zo één, twee, drie weer uit!”

Die avond placeerden we de geteisterde derrières op de stoelen van Gouverneur de Rouville, een restaurant in het hart van Willemstad dat een eeuwenoude reputatie geniet als zijnde een eldorado voor de inwendige eilandbezoeker. Waar die faam op is gebaseerd, werd ons niet duidelijk, want mijn culinaire collega’s dienden maar liefst drie (!) flessen bedorven wijn terug te sturen. Ook noteerden we onacceptabel lange wachttijden en was er sprake van verkeerde bijgerechten die ook nog eens nagenoeg koud werden uitgeserveerd. Zelf werd ik à la carte verrast op een bodempje soep van het kaliber ‘Ober, mijn bord is nat!’ (commentaar van de gerant: “O, u vindt het niet genoeg?”) en kipsaté met de malsheid van kauwgom. Tel daar een uiterst merkwaardige bediening bij op – klap op de schouder en de vraag: “Nog wat drinken?” – en het moge duidelijk zijn dat we hier meteen twee keer waren geweest: de eerste én de laatste keer. Een dag later zou de bedrijfsleider (“Ik kan dus gewoon nooit een avond weg!”) ons nog smeken om een herkansing, maar zo waren we natuurlijk niet getrouwd.


Tijd om lang stil te staan bij dit échec was er niet, want een paar uur later schoten we alweer door de golven richting Klein Curaçao, een onbewoond eilandje ten oosten van de grote variant. Met helblauw water waar een gemiddeld zwembad niet aan kan tippen, is dit drie vierkante kilometer grote stuk droogte in het zilte nat dé plek om aan de hectiek van alledag te ontsnappen. We zwommen er à la carte tussen de schildpadden en waanden ons figuranten in onze eigen ansichtkaart. Dat het eiland ook dienst doet als vogelbroedplaats, werd duidelijk tijdens een wandelingetje naar de vuurtoren. Aangevallen worden door boze sterntjes: het is nauwelijks heroïsch te noemen…

Die avond revancheerde restaurant Hemingway nabij Mambo Beach zich voor de wanprestatie van de Gouverneur. Na een voortreffelijk maal met dagverse garnalen, pittig gekruide krab en de beste piña colada ever wisten we weer waar we mee bezig waren: een Snoepreisje.

Een dag later werden we in de watten gelegd in het spa & wellnesscenter van het Hyatt – en die watten werden gehanteerd door oogverblindende Surinaamse en Venezolaanse schoonheidsspecialistes. Jammer dat ik op m’n buik moest liggen. Of nee, eigenlijk wel beter. Na afloop van de behandeling konden we ons te goed doen aan witte wijn en een exquise assortiment aan Franse kazen. Opdat we niet vergaten waarom we hier waren. Overigens zou het tactisch niet verstandig zijn geweest om de pens daar al helemaal vol te storten, want enige uren later stond er alweer een eetsessie op het programma in SHOR, het meest prestigieuze van de drie restaurants die het Hyatt rijk is. SHOR (inderdaad, zonder e) geldt a priori als visrestaurant, maar beperkt zich geenszins tot de discipline zeebanket. Executive chef John Pivar, een goedlachse uitvoering van onze eigen Herman den Blijker, vertelde likkebaardend een groot liefhebber te zijn van zijn eigen pindakaas/banaanshake (‘peanut butter shake blended with caramel, marshmallow cream and frozen chocolate banana’), een caloriebom van Hiroshima-kaliber. Als Elvis nog had geleefd, had hij hier nooit the building verlaten. Pivar eet zelf trouwens alles, bekende hij volmondig. “Alles proberen, al is het maar één keer. Het smerigste dat ik ooit heb geproefd? Leguaneneieren! Zó slijmerig – alsof je hersenen vreet!”


Geen perstrip zonder walking tour, en omdat je naast de lusten ook de lasten dient te dragen, sjokte ik een dag later achter gids Johnny door de zonovergoten straten van Punda en Otrabanda, de twee belangrijkste wijken van Willemstad.

Johnny wees op de trap die leidt naar de poort van het stadhuis, in gebruik als Paleis van Justitie, en zei: “Die trap heeft 21 treden. Vandaar dat men het heeft over ‘de 21 treden’.” Aan de voet van de draaibrug die Punda met Otrabanda verbindt, stond een man die ‘caloriearm water’ verkocht. Dat was minstens zo leuk.

’s Avonds dienden we de handen uit de spreekwoordelijke mouwen te steken tijdens een kooksessie in Angelica’s Kitchen, de vermaarde kookschool van Angelique Schoop (niet te verwarren met de beeldschone actrice met dezelfde naam). Ik kreeg er de taak om zorg te dragen voor de zogeheten hidden sardines. Daartoe moest ik bladerdeeg doormidden snijden, daar een kwak geprakte sardientjes op leggen en het geheel dichtvouwen als een envelop. Dat had moeilijker gekund! In elk geval bleef er genoeg tijd over om een halve fles wijn achterover te slaan. De culinaire verslaggeefster die verzocht werd een gebonden pompoensoep te fabriceren (1000 gram pompoen, 500 gram zoete aardappelen, 250 gram bacon, 1 grote ui, 2 theelepels curry, een half kopje room, 3 eetlepels suiker, 2 eetlepels boter, 2 liter water, wat zout naar smaak en 8 eetlepels fijngesneden sjalotten), had een aanzienlijk zwaardere taak.

Curaçao à la Carte vervolgde een dag later met een rondtoer langs een aantal snèks, cafetaria’s die dienst doen als sociaal trefpunt (waar ze écht pasteitjes kunnen maken, maar dit tussen haakjes), een lunch bij Plasa Bieu, een vreetschuur op de markt van Punda waar je kont aan kont met de lokale bevolking een gebakken snapper naar binnen schuift, een bezoek aan Dinah Veeris, een kruidenvrouwtje dat Visa en Mastercard accepteert en een rondleiding op een struisvogelfarm.


Een struisvogelfarm?

Ja, een struisvogelfarm. En we mochten er op een struisvogelei staan. Dat was niet helemaal wat ik me vooraf bij de Caraïben had voorgesteld, maar grappig was het wel. Dat je bijna je enkel brak als dat ding begon te rollen. Vanzelfsprekend werd ook dit onderdeel afgesloten met een bunkersessie, in dit geval opgebouwd rond prima struisvogelworst, voortreffelijke struisvogelbiefstuk en fenomenale gebakken struisvogellever.

Ja lekker hoor, Curaçao. Zonde om weg te doen.

Met dank aan: Curaçao Toeristen Bureau Europa (CTBE)

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom