Papieren tijgers

Als chroniqueur van het moderne leven ontkom je er niet aan: het schrijven van seksscènes. Vijf auteurs over het verwoorden van de daad. ‘Het staat in dienst van het grotere geheel.’

Is de huidige generatie schrijvers minder expliciet bij het schrijven van seksscènes dan vroegere auteurs?

Herman Brusselmans: “In de jaren zestig en zeventig moesten er nog taboes doorbroken worden op het gebied van seks; nu niet meer. Plus: alle seksuele scènes zijn sindsdien al geschreven.”

Thomas Verbogt: “Er moest toen iets veroverd worden wat nu de gewoonste zaak van de wereld is.”

Joost Zwagerman: “Dat is niet alleen in Nederland zo, je ziet het ook in Amerika. Er worden wel seksscènes geschreven, maar altijd tongue-in-cheek. Neem Vladiwostok! van Thomése, een zeer van seks doortrokken boek, met personages van wie het overduidelijk niet de bedoeling is dat wij ons ermee identificeren. Het zijn karikaturen uit politiek en media, en daar hoort een zwaar aangezette, karikaturale seksbeschrijving bij; Jan Cremer en Jan Wolkers door een postmoderne ironische bril gezien. Het wordt bijna camp. Vroeger moest de vrijheid worden bevochten, en nu we er bijna in verdrinken, heen en weer stuiterend van het ene hedonistische feest naar het andere, heeft het voor schrijvers weinig zin om uitbundig over seks te schrijven. Het zou zelfs een achterhaalde indruk maken.”

Ingrid Hoogervorst: “Romans gaan over leven, liefde of geen liefde, en de dood. Daar hoort eten, slapen, ruzie maken of de liefde bedrijven ook bij. Dat schrijvers uit de jaren zestig de seks zo expliciet beschreven, meer dan strikt literair noodzakelijk, was een subversieve actie. De zin van de seksualiteit lag in de overschrijding zelf, in de poging de grenzen van het zegbare op te rekken. Je kreeg er de burgerman mee op de kast; daarin hebben Reve en Wolkers het gras grondig voor de voeten van de volgende generaties schrijvers weggemaaid. Toen ik nog niet aan deze schrijvers toe was, kon ik terecht bij de Amerikaanse realistic novel, zoals Knock on Any Door van Willard Motley, of bij de detectives van Mickey Spillane die mijn broer het huis binnenhaalde. Een hint was al voldoende. Maar veel belangrijker: er was sprake van seks en verlies. In die combinatie van liefde en treurnis kon ik helemaal wegsmelten. Van later datum is een herinnering aan een likscène op een kantoor in The Godfather van Mario Puzo. Wellicht komt daar mijn fascinatie voor vrouwen in mantelpakjes vandaan, want die hield ze aan terwijl ze door hem op het bureau werd gezet.”


Herman Stevens: “Sinds Proust boort de literatuur ons intieme leven aan, en seks is de boor. Dat wil niet zeggen dat de schrijver nog moet aangeven wat er precies gebeurt, maar seks is een manier om de handeling stil te zetten en dichterbij het gedachtenleven van de personages te komen. Seks is een manier waarop personages hun dromen uiten. Je moet er alleen mee uitkijken; seks kan ook een soort rookgordijn worden om de lezer te betoveren, zonder dat er werkelijk vooruitgang wordt gemaakt in het verhaal. Je moet altijd verder, op naar het einde. Seks mag geen manier zijn om dat uit te stellen.”

Wat is de eerste seksscène die u zich herinnert te hebben gelezen?

Joost Zwagerman: “Poeh… precies weet ik dat niet meer. Ik denk dat het, net als met mijn generatiegenoten, iets van Jan Cremer of Jan Wolkers is geweest. Turks fruit, dat was toch wel mijn oerervaring in film en in literatuur. Daarna weet ik nog wat een verpletterende indruk op mij maakte: Portnoy’s Complaint van Philip Roth. De seks bij Roth had iets maniakaals, iets waanzinnigs, bijna paranoïde. Bij Wolkers ging het om vrijheidsdrang, bij Philip Roth kreeg je de wanhoop en de paranoia er gratis bij.”

Herman Stevens: “In 1965 of ’66 – ik was toen tien of elf – ging ik braaf met mijn ouders mee op visite. Dan ging ik al gauw door het huis dwalen en kwam ik vanzelf de boekenkast tegen waar je meestal Ik Jan Cremer aantrof. Daar zocht ik dan de seksscènes in op. Dat soort literair voyeurisme heeft iedereen van mijn leeftijd meegemaakt. Nu hoef je geen literatuur meer te lezen om te kijken hoe of wat. Ik bedoel dat tieners niet meer in de boeken hoeven te duiken om de mechanica van de seks te leren. Wat mannen en vrouwen uitvoeren. Dat vinden ze nu allemaal op het internet, in veel meer detail dan een schrijver ooit kan geven. Wat overblijft voor de literatuur, is beschrijven wat er in ons hoofd omgaat wanneer we aan seks denken. Toch speelt seks nog een grote rol in de literatuur: Kluun en Saskia Noort turfden nog wie vaker het woord ‘neuken’ gebruikte.”


Herman Brusselmans: “De seks in Ik Jan Cremer. Ik was veertien, vond het wel geil, maar ook grappig; een combinatie die bij mij altijd bevallen heeft.”

Thomas Verbogt: “In Ik Jan Cremer: Jan is dertien en doet het met zijn buurvrouw Betty, pagina 40 en 41. Dat jaar, 1964, moest ik nog twaalf worden. Nog nooit had ik zoiets gelezen. Het leven kreeg een spanning die ik nog niet kende. Ik wilde toen al schrijven, maar ik kreeg er nog meer zin in, omdat ik wilde aanrichten wat er op die pagina’s bij mij aangericht werd.”

Ingrid Hoogervorst: “Sommige erotische passages blijven jaren hangen. Zo vormde een schrijnend detail in The Golden Notebook van Doris Lessing – hoe een vrouw door de veranderde manier van vrijen van haar minnaar, alleen nog achterlangs en niet meer face to face, voelt dat hij bezig is van haar af te gaan – de opmaat voor mijn tweede roman, Spiegels. Het rare is dat ik dat nu niet meer terug kan vinden, dus misschien heb ik het er zelf ingelegd. Dat overkomt me vaker bij herinnerde films of romans.”

Christine Otten: “Een boek van Louis Paul Boon met zeer expliciete seks. Ik weet de titel niet meer. Ik vond het zeer spannend en opwindend; het las eigenlijk als een pornografische tekst, maar dan literair verantwoord. Hoe oud ik was, weet ik niet meer; ergens in de puberteit, denk ik.”

Hoe staat u zelf tegenover seksscènes in uw werk?

Thomas Verbogt: “Toen ik pas begon, wilde ik graag expliciet zijn (misschien alleen maar om te laten zien dat ik het kon), maar dat is voorbij. Een hint is voldoende. Seksscènes zijn volgens mij alleen nodig als ze ertoe bijdragen de ontwikkeling van het verhaal te begrijpen, dus als ze iets verduidelijken. Als opvulsel zijn ze onzin, hoe goed geschreven ook.”


Christine Otten: “Ik kan zeer expliciet zijn in seksscènes als dat nodig is. Ik denk dat ik er goed in ben. Ik voel weinig scrupules wanneer ik schrijf. Dat geldt ook voor geweldsscènes. In De laatste dichters kwam veel seks en geweld voor, maar dat was wel functioneel en noodzakelijk voor het begrip van de karakters. De hoofdpersoon, Umar Bin Hassan, was verslaafd aan crack, maar ook aan seks; hij was in zijn jeugd seksueel misbruikt door een hoer. Ik beschrijf dat juist zeer expliciet en dat werkt ook heel goed; het is eigenlijk een geweldsscène, een scène over macht en onmacht, maar subtiel. Zijn verwrongen seksuele leven was zeer essentieel voor zijn innerlijke strijd: zijn verlangen naar liefde en zijn onmacht om relaties aan te gaan en in stand te houden. Seks was integraal onderdeel van het verhaal, de sfeer.

In mijn laatste roman, In wonderland, over een echtpaar dat vervolgd is geweest wegens vermeende terroristische aanslagen, zit geen expliciete seks, wel erotiek en verlangen. De rechter-commissaris Van Loohuizen fantaseert over Caroline, de vrouw van de voormalige verdachte. Dat beschrijf ik dan wel expliciet. Seks is nooit een doel op zichzelf voor mij. Het moet iets vertellen over de drijfveren van de karakters, iets toevoegen en duidelijk maken. Net als in het echte leven eigenlijk. Seks is essentieel voor een mens, misschien wel het meest intieme en eigene en autonome van een mens, maar toch moet het pas in een boek als het functioneel is. Soms is suggestie beter, soms niet. In Als Casablanca zit ook veel suggestie en verlangen. Ik geloof nergens expliciete seks, maar erotiek is wel een drijfveer… Het hangt dus steeds van het verhaal en de karakters af.”


Ingrid Hoogervorst: “Als schrijver vind ik het beschrijven van erotische handelingen zonder in clichés te vervallen een van de leukste uitdagingen. Aan de hand van een indringend lijfelijk treffen met de andere of dezelfde sekse wil je iets laten zien. De erotiek staat in dienst van het grotere geheel, dus hoe expliciet je de seksuele handelingen maakt, de toon, de sfeer, zeg maar de hele klankkleur van de vrijscène, laat je daarvan afhangen. In mijn geval schrijft zo’n scène zich vanzelf. En soms kan het effect op de lezer groot zijn, zo ondervond ik bij mijn laatste roman, Polsslag, waarover een collega mailde: ‘een lekker, broeierig boek. Je schrijft heel raak over seks. Die scène in de schuur! Ik betrapte me erop dat ik, toen je over Maja en Albert schreef in Italië, hoopte dat het wat explicieter werd. Erg hè? Dan heb je als schrijver dus wel iets teweeggebracht.'”

Herman Brusselmans: “Ik gebruik alleen seks als ik het op een of andere manier kan parodiëren.”

Joost Zwagerman: “Gimmick! natuurlijk. Ik weet nog dat mij door dames als Sonja Barend daarover de oren werden gewassen, met name omdat ze verontwaardigd waren over de combinatie seks en drugs. Die jongens in Gimmick! mochten ook niet zo geldbelust zijn, niet zo geyuppificeerd. Seks en de vrijbuiter, daar was Nederland wel aan gewend. De rebelse held van Jan Wolkers. Toen kwam ik in 1989 met een boek dat ook over kunstenaars ging die strakgesneden pakken droegen. Die hadden een heel ander soort seks, aangedreven door cocaïne. Ik heb lange tijd gezegd – maar ik weet niet of het echt waar is – dat het de eerste roman is waarin ecstasy voorkwam, de liefdesdrug bij uitstek. Mijn leidende gedachte over romans en seksscènes is dat als de toon en de sfeer en de stijl van het boek om een seksscène vragen, het hypocriet is om de deur dicht te doen zodra een hoofdpersoon de slaapkamer binnenloopt. Als bij de aard van de hoofdpersoon en de aard van het verhaal een seksscène zou passen, ben je gek om die weg te laten. Maar ik schrijf nooit seks om de seks.”


Herman Stevens: “Veel lezers zeggen dat er zoveel seks zit in Vaderland, maar er wordt maar twee keer in geneukt, sneller dan licht. De rest van het boek wordt er alleen maar aan seks gedacht, erover gedroomd en gepraat. Is dat seks, of is dat wat we allemaal doen?”

Hoe schrijft de schrijver een seksscène?

Herman Stevens: “Ik schrijf over seks zonder gene. Ik heb neukscènes geschreven, terwijl mijn dochtertje met mijn schoenveters zat te spelen.”

Christine Otten: “Ik schrijf het zonder veel gne, moet ik zeggen. Als ik gne zou voelen, zou ik dat bij veel scènes kunnen hebben. Personages zijn net echte mensen; er zijn zoveel dingen waarvoor een personage zich zou kunnen generen, maar als schrijver moet je daar geen last van hebben. Ik schrijf ze niet anders dan andere scènes; ik leef me in, zie het voor me en beschrijf het. Ik ben me wel heel bewust van wat ik doe; of het sexy en opwindend moet zijn (ik heb een paar keer zo’n verhaal geschreven voor een vrouwenblad) of anders, als het iets moet zeggen over achterliggende drijfveren van de karakters, grotere verlangens of onmacht of wat dan ook. Maar het moet wel echt zijn, en eerlijkheid en viezigheid moet je ook niet schuwen. Dat geldt ook voor andere aspecten uit het leven trouwens.”

Thomas Verbogt: “Het is erg lastig om te doen. Ik schrijf eerst alles uit wat er gebeurt, maar dat is dus saai. Maar ik wil het eerst allemaal zelfzien (en verwoord zien)om dan te besluiten wat ik láát zien. Dan ga ik schrappen tot er een paar details overblijven die, wat mij betreft, genoeg zeggen. Soms is dat alleen maar het bestijgen van de trap naar de hotelkamer. Of alleen maar een aanraking. Of alleen maar het afscheid.”


Herman Brusselmans: “Het is pure stilistiek. Ofje nu een stoel beschrijft of een kut, voor mij als schrijver is dat om het even.”

Joost Zwagerman: “Zeker met Gimmick! en De buitenvrouw was het een feest om te doen, de kers op de taart. Als je als schrijver gne voelt bij het schrijven van zo’n scène, dan deugt de scène niet. Ik vind dat je die scène met grote feestelijkheid en con gusto moet opschrijven. Bij twijfel niet oversteken; als je twijfelt aan de doeltreffendheid van je eigen seksscène, dan moet je het anders aanpakken.”

Ingrid Hoogervorst: “De meeste erotische passages in literatuur zijn geschreven door mannen, ook als het over vrouwelijke erotiek gaat. Binnendringen, penetreren, – mannenlyriek. Voor het betere werk en toch door een man geschreven kan ik The Dying Animal van Philip Roth aanbevelen. Dieptepunt zijn de seksscènes in Twee vrouwen van Harry Mulisch. Op gebied van Nederlandse literatuur heb ik geen voorbeelden van vrouwelijke auteurs, meestal vermijden ze het onderwerp of schrijven er te plat over.”

Schrijven mannen anders over seks dan vrouwen?

Thomas Verbogt: “Ja, ik geloof het wel, maar ik kan het moeilijk uitleggen. Ik denk dat vrouwen seks wezenlijker en mooier maken dan mannen. Het is een intenser avontuur. Bij mannen is het vooral: het doen, en nogal doelgericht. Hoewel er natuurlijk in beide gevallen uitzonderingen zijn.”

Christine Otten: “Ik zou het eerlijk gezegd niet weten. Ik kan zacht en gevoelig schrijven over seks en ook heel hard en goor, als ik dat wil. Ik kan een man zijn en een vrouw in mijn werk. Dat is nu juist het leuke van fictie schrijven. In De laatste dichters schrijf ik steeds vanuit mannen, ook over seks dus, maar ik denk dat dat verhaal juist zo sterk is omdat een vrouw – ik – ze beschrijft, en ze zowel met een mannelijke als een vrouwelijke blik worden neergezet, tot in hun intiemste gevoelens, en dus ook in seks.”


Ingrid Hoogervorst: “Graag wil ik in dit verband wijzen op de masturbatiescène van de vereenzaamde Mathilde in het spannende, verboden hoofdstuk dertien uit Een liefde van Lodewijk van Deyssel. Van Deyssel beschreef een ejaculerende vrouw, zittend in haar tuin. De bomen, struiken, luchten om haar heen deinen mee in de extatische golfbewegingen van haar lichaam. Hij combineerde kleur, gemoedstoestand, beweging en stilstand tot één sensitief geheel dat zweeft, samenspint, cirkelt, glinstert en opstuwt. (‘Gelig en somber groenerig, glanzend purper paars, verguld, vloeiend goud, de lauwe tedere lucht strijkt, wiemelt, walmt, langs haar dijen, suizelt door haar hoofd.’)

Toen hij het hoofdstuk aan zijn schrijversvrienden Willem Kloos en Frans Erens voorlas, riep een visionaire Kloos vol enthousiasme uit dat Van Deyssel pas over honderd jaar begrepen zou worden. De roman is uit 1887, maar pas in 1968 in ongekuiste versie verschenen. In datzelfde jaar bevonden Wolkers en Reve zich op het hoogtepunt van hun populariteit.”

Joost Zwagerman: “Je zou natuurlijk moeten zeggen dat sommige schrijfsters omfloerst en met vaseline op de lens hun seksscènes schrijven, en dat is ook weleens zo. Maar tegenover iedere omfloerst schrijvende vrouw hebben we ook een Kristien Hemmerechts met het voor mij onvergetelijke verhaal ‘Opgegeild’; zeer expliciet. Marion Uphoff heeft ook zo haar expliciete momenten. Ik heb de indruk dat vrouwen daar nog een braakliggend terrein zien liggen. Als er al expliciete seks voorkomt bij huidige romanschrijvers, is het opvallend vaak bij vrouwen.”

Herman Brusselmans: “Vrouwen willen meer dan ruwe seks alleen: een beetje voorspel, tederheid, en al dat soort shit waar de wijven in gespecialiseerd zijn. Ze zouden beter in hun keuken blijven en de vaat doen.”


Herman Stevens: “Steekproefsgewijs heb ik het idee dat vrouwen vaker over koken en teleurstellende seks schrijven, en mannen vaker over autorijden en geweldige seks. Of liever niet. Ik vermoed dat dit ook het resultaat is van schrijfcursussen. Het wordt je aangeraden. Teleurstellende seks is immers makkelijker om te schrijven en stemt de lezer dankbaar: in het boek lukt het ze ook niet. Ik zie een goede seksscène, waarin de geest werkelijk de ruimte krijgt, nog steeds als een van de testen van een goed schrijver. Al heb ik net zoveel waardering voor een schrijver die zijn held drie pagina’s door de wasstraat kan sturen.”

Laatst verschenen roman.

Kaloemmerkes in de zep (2009)

Laatst verschenen roman.

Polsslag (2009)

Laatst verschenen roman.

In wonderland (2010)

Laatst verschenen roman.

Vaderland (2010)

Laatst verschenen roman.

Verdwenen tijd (2009)

Laatst verschenen roman.

Duel (Boekenweekgeschenk 2010)

Frank van Dijl