‘De dood is er voor anderen’

Fotografe Claire Felicie volgde de 13e infanteriecompagnie van de Koninklijke Mariniers, die van maart tot eind juli in Uruzgan gelegerd waren. In een paar maanden tijd zag ze de jongens in mannen veranderen. ‘De dood van twee soldaten heeft de band nog hechter gemaakt.’

Mijn zoon is marinier, maar niet op uitzending. Zijn maat Dominique wel. Dominique hoort bij het dertiende, en hij vertelde me in september vorig jaar dat hij ging ‘opwerken’ voor de missie naarAfghanistan. Op dat moment waren er al, sinds het begin van de missie, twintig doden en 120 gewonden gevallen. Dominique was toen negentien.

Ik keek naar zijn enthousiaste gezicht en vroeg me af of dat zou veranderen door de ervaringen in Afghanistan. Toen werd bij mij het idee geboren om jonge mannen te portretteren voor, tijdens en na hun uitzending naar oorlogsgebied.

De portretten van voor de uitzending heb ik vorig jaar gemaakt in de kazerne in Doorn. Voor iedere jongen nam ik een half uur de tijd. Vaak had ik ontroerende gesprekjes met ze.

Met de dood houdt een marinier geen rekening. Die is er voor anderen. Ze vonden de uitzending naar oorlogsgebied de ‘kroon’ op hun training en zagen er erg naar uit. In juni van dit jaar kreeg ik toestemming van Defensie om twee weken naar de mariniers in Uruzgan te gaan en ze te bezoeken op hun Combat Outpost (COP) Tabar. Ik verheugde me erop de jongens weer te zien en de tweede serie portretten te maken.Bij aankomst in Uruzgan viel me op dat alle jongens er moe en vermagerd uitzagen. Maar Emiel was het meest veranderd. Hij was gewond geraakt door een bermbom, en die ervaring heeft zijn gezicht getekend.COP Tabar was behoorlijk primitief en oogde als een fort uit het Wilde Westen. De jongens liepen er rond met ontbloot bovenlijf en korte broek. Het aantal tatoeages was niet te tellen.


Het kamp bestond uit twee ringen, een binnen- en buitenring. In de binnenring stonden slaaptenten, sanitaire voorzieningen en een kantine. In de buitenring stonden de wachttorens, een voor elke windstreek. Ook de gepantserde voertuigen stonden daar, afgewisseld met tenten.

Wat mij het meest is opgevallen tijdens mijn verblijf op de COP is de onderlinge kameraadschap. Er heerste een heel goede sfeer. De verschrikkelijke dood van de soldaten Jeroen Houweling en Marc Harders heeft de onderlinge band nog hechter gemaakt, daar was iedereen het wel over eens. Maar het sneuvelen van deze twee heeft er ook voor gezorgd dat de jongens helemaal klaar waren met de missie. Ze zagen er geen heil meer in. Het gebied werd niet veiliger, integendeel zelfs. Dat gaf een gevoel van nutteloosheid. Dominique vertelde: “We dachten iedereen weer heel mee naar huis te nemen. Dat dat niet is gelukt, doet pijn.”Dat de jongens het nut van de missie niet meer zagen, is niet zo vreemd. Het is in de afgelopen vier jaar alleen maar gevaarlijker geworden in het gebied en Nederland trekt zich ook nog eens terug zonder noemenswaardige verbeteringen tot stand te hebben gebracht, dus waar doe je het dan allemaal voor? Het antwoord is, denk ik: voor elkaar.

Bouke Sonnega