Een lesje in vrijheid

Rita Masoud (24) vluchtte achttien jaar geleden met haar ouders uit Afghanistan, maar zocht haar geboorteland onlangs weer op. Eén dag voor dit interview heeft ze een duif op haar rechterschouder laten tatoeëren. ‘Sinds ik terug ben, besef ik pas hoe vrij we hier eigenlijk zijn.’

Afghanistan is niet vrij, maar dat komt volgens Rita Masoud niet door de oorlog. Daar zijn Afghanen wel aan gewend. Het land is al sinds mensenheugenis in conflict. Met landen, met bevolkingsgroepen. “De mensen gaan door en hopen op het beste. Dat is de enige keuze die ze hebben. ‘Na dit is er weer iets anders’, dat is de instelling. Ze hebben het te druk met hun eigen leven.”

Achttien jaar geleden vluchtte ze met haar ouders uit Afghanistan. Bloedige conflicten tussen verschillende groepen in het land deden het gezin naar Nederland vertrekken. Nu wonen ze in een rijtjeshuis in Rijnsburg, pal naast de bloemenveiling.

Ze groeide op als een Nederlandse. Van haar jonge jaren in Afghanistan kan ze zich weinig herinneren. “Het zijn alleen nog beelden, bijna een soort dromen die ik nog voor me kan halen. Verder niets.”

Na haar studie aan de Erasmus Universiteit besloot ze terug te gaan om haar roots te zoeken. Om haar land weer te zien. Want hoewel ze al jaren in Nederland woont, blijft ze in haar hart een Afghaanse. “Dat heb ik altijd zo gevoeld en dat zal ook wel zo blijven.”

Voor het oog is ze een moderne, Nederlandse vrouw. Ze doet waar ze zich goed bij voelt. Daarom besloot ze vier maanden naar Afghanistan te gaan. “Ik wilde zien waar ik vandaan kom. Het voelt voor mij soms toch alsof ik in Nederland niet helemaal thuis ben, al is dat gevoel sinds de reis wel wat verminderd.”

Als jonge vrouw in je eentje naar Afghanistan; het is niet zomaar iets. Op het vliegveld sloegen de zenuwen dan ook toe. “Gesluierde vrouwen, typische mannen… Ik voelde me een beetje een buitenbeentje.” Want hoe Afghaans ze zich soms ook voelt, in uiterlijk en houding is ze een Nederlandse.


“Mensen verklaarden me voor gek. Wat had ik in godsnaam in Afganistan te zoeken? In mijn eentje nog wel.” Ook haar ouders moesten wennen aan het idee dat hun dochter in haar eentje haar geboorteland op ging zoeken. “Maar ze zijn er niet voor gaan liggen. Ze vonden het eng, maar ze zijn nog steeds trots dat ik gegaan ben.”

Het vliegveld van Kaboel heeft een westers uiterlijk. Van haar eerste stappen op Afghaans grondgebied was ze niet onder de indruk. “Ik dacht zelfs: als dit het is, valt het nog wel mee.”

Maar als ze, opgehaald door familie, met de auto door de hoofdstad rijdt, slaat de cultuurshock toe. “Je ziet de oorlog, overal. De stad is kapot. Dat maakte enorm veel indruk op me. Ik voelde veel meer binding met het land dan ik had verwacht.”

Ergens had ze gehoopt dat het allemaal niet zo erg zou zijn. “De beelden komen voorbij op televisie, waar je ook naar kijkt. Maar toch hoop je dat het allemaal wel meevalt. Dat het misschien gechargeerd is. Maar het valt koud op je dak.”

In Afghanistan zijn de familiebanden sterk. De oom van je tante is je beste vriend. Door haar familie werd Masoud opgehaald van het station en daar verbleef ze de vier maanden dat haar reis duurde. “Ik voelde me enorm welkom. Ze zorgen echt voor je, soms bijna op een vervelende manier. Privacy bestaat bijna niet binnen zo’n gezin. De eerste dagen sliep er zelfs iemand bij me, om te kijken of ik me wel op mijn gemak voelde. Er was geen tijd om alles op me in te laten werken, er was altijd iemand bij.”

Moeite had ze ook met alle ongeschreven regels. Geen wetten, maar dingen die je ‘gewoon’ niet doet. “Helemaal als vrouw. Niet met je benen gestrekt gaan zitten. Jezelf niet terugtrekken uit een gezelschap, niet hand in hand lopen op straat. Allemaal dingen die niet verboden zijn, maar die je gewoon niet doet. Het zijn regels die er bij de bevolking helemaal ingebakken zijn, maar waar ik in eerste instantie moeilijk mee om kon gaan.”


In haar eentje boodschappen doen, dat kon echt niet. Op straat aan een ijsje likken was al helemaal not done. Iets te lang met een man in een kamer zijn en er wordt achter je rug om gepraat. De echte onvrijheid van Afghanistan voelde Masoud gewoon op straat. “Als vrouw ben je echt bang. Het is vóór je kijken en doorlopen. Als je in je eentje over straat loopt, word je al vreemd aangekeken. Mannen roepen je na, er worden gebaren gemaakt. Het is heel onprettig en vervreemdend om als vrouw over straat te gaan.”

Er is geen alcohol verkrijgbaar. “Ook zoiets. Alcoholconsumptie is niet verboden, maar niemand doet het. Omdat ze het niet willen, maar ook omdat ze bang zijn. De Taliban zijn nog steeds sterk aanwezig en je weet nooit wie je kunt vertrouwen. De buurman kan een verrader zijn.”

Uitgaan deed ze in speciaal voor expats gebouwde barretjes. “Gangetje in, straatje uit, straatje in, paspoort inleveren, controle. Daarna kwam je in een klein barretje en was je heel even terug in Europa. Je hoofddoek kon af, er werd alcohol geschonken en je kon weer gewoon een relaxed praatje maken met jongens, zonder dat iedereen je vreemd aankeek.”

In Kaboel kon ze zich over veel dingen verbazen. Over de bedrijvigheid op straat, over het optimisme van de mensen. “Er zijn altijd overal winkeltjes en kraampjes open. De mensen maken geen bange indruk, ze werken met opgeheven hoofd.”

Ze zag ook armoede. “Kinderen die moeten bedelen om aan geld te komen, zonder ouders of familie. Wanhopige vrouwen van mijn leeftijd. Dat heeft me wel aan het denken gezet. ‘Ik had ook in die goot kunnen zitten’ – het ging voortdurend door mijn hoofd. Een continu besef van het geluk dat ik heb gehad.”


Dat zagen ook andere mensen. Taxichauffeurs, familieleden, collega’s. Iedereen vroeg naar Nederland en informeerde of ze misschien niet mee terug konden naar dit westerse land van de gouden bergen. “Het was echt heel vervelend. Naar Nederland komen kan natuurlijk niet, maar het is vreselijk moeilijk om dat die mensen te moeten vertellen.”

Ze werkte bij de universiteit van Kaboel. Ze zou daar als externe consulent advies geven over het beleid van de school. Dat liep anders. Al snel werd ze gevraagd of ze misschien ook les kon geven. Diezelfde middag nog stond ze voor de klas. Als vrouw. “Je merkt dat alle jongens naar je kijken. Ze zijn verrast, hadden misschien geen vrouw verwacht.”

Het universiteitsleven in Kaboel verschilt wezenlijk van dat in Nederland. “Studenten komen overal vandaan en zijn van alle leeftijden. Je merkt dat er een soort achterstand is. Ik moest heel vaak dingen uitleggen. Ik gaf les in een managementvak, maar al je voorbeelden lopen spaak. Ze leren dingen over McDonald’s of Nike, bedrijven waar ze amper van gehoord hebben, laat staan dat er vestigingen in Kaboel zijn.”

Ook hier liep ze tegen het vrouw-zijn aan. De houding van de mannen, het onvervalste flirtgedrag. “Het hoofd van de universiteit daar is 26. Die begon schaamteloos met me te flirten. En dat gebeurt daar anders dan hier. Je gaat een keer samen wat eten – zakelijk, dacht ik – en voor je het weet heb je een huwelijksaanzoek aan je broek hangen.”

Mannen zagen in Masoud een mogelijkheid tot ontsnapping, een deur naar het rijke Westen. “Ik kreeg mailtjes van studenten met huwelijksaanzoeken. Mensen van wie ik geen flauw benul had wie ze waren. Het hoofd van de universiteit heeft me ten huwelijk gevraagd. Mijn báás! Dat is toch wel beklemmend. Je weet gewoon niet wat je dan moet doen.”


Er bestaat in Afghanistan niet zoiets als een relatie zonder trouwen. “Het vriendje-en-vriendinnetje-systeem dat wij hier kennen bestaat daar niet. Het is trouwen, of anders niets. Maar mensen hebben toch behoefte aan intimiteit. Daarom zie je ook zoveel jongens hand-in-hand over straat lopen. Vrienden zijn heel handtastelijk. Ze hebben toch die aanraking nodig.”

De verhalen van haar ouders over het oude Afghanistan kan ze bijna niet geloven. Het was veruit het modernste land in de hele regio. Er zijn foto’s van haar moeder in een minirokje, stappend in het bruisende centrum van Kaboel. “Er is zoveel gebeurd in twintig jaar tijd. De mensen zijn veranderd, het is een ander land geworden. Van het Afghanistan dat mijn ouders kenden, is weinig meer over.”

Buiten de stad is het prachtig. Een ruig landschap met woestijnen, bergtoppen in de verte en gigantische meren. “Dan denk je: zo kan het land dus ook zijn. Het is echt een prachtig land. Ik voelde me er thuis, zonder er ooit ‘echt’ geweest te zijn.”

Haar hart ligt daar, en daarom wil ze ooit nog terug om te helpen. “Ik wil development studies gaan doen, in Australië. En daarna wil ik terug. Op een of andere manier voel ik me verantwoordelijk. Maar ik moet eerlijk zijn; ik denk niet dat ik voorgoed in Afghanistan zou kunnen wonen. Ik denk dat ik dat niet volhoud.”

Over het nut van de Nederlandse missie twijfelt ze. “Het land is zo vreselijk groot. Eerlijk gezegd denk ik niet dat het heel veel zin heeft om daar te zijn. Maar alle beetjes helpen.”


Maar in Afghanistan komt het de komende tijd nog niet goed. “In mijn leven komt er geen modern Afghanistan meer. Helaas.”

Terug in Nederland kwam er opnieuw een cultuurshock. Deze keer omgekeerd. “Alles mocht weer. Alle huizen stonden weer in het gelid, er was weer asfalt. Zonder hoofddoek of sluier, geen zorgen meer over kleren die misschien te strak zitten, geen prangende blikken meer op straat. Ik kan nu gewoon de bus nemen en weggaan. Ergens heen, het maakt niet uit. Dat is een gevoel dat ik nog nooit heb gehad. Ik ben me veel meer bewust van mijn vrijheid.”

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Bouke Sonnega