Granieten spel

Vroeger waren het Rita Reys en Pim Jacobs, maar nu is Hans Dulfer – al was het maar als vader van Candy – de bekendste jazzmuzikant van Nederland. De saxofonist is het schoolvoorbeeld van de beroepsquerulant, de perfecte advocaat van de duivel, de man die als iemand het ook maar in zijn hoofd haalt om ‘wit’ te zeggen, meteeneen striemend pleidooi voor ‘zwart’ houdt met een geniale drogredenatie waar geen speld tussen te krijgen is. Muzikaal gezien zit Dulfer eigenlijk precies hetzelfde in elkaar. De 7-cd-box The Formative Years ’68-’98 is mooi studiemateriaal om die stelling te bewijzen. Het adagium van Dulfer luidt ‘jazz moet altijd een commentaar zijn op de populaire muziek van het moment’. Luisterend naar het vroegste album uit de box, Heavy Soul Inc. Live in Paradiso, kom je al snel tot de conclusie dat de muziek op die elpee eerder een reactie was op de free jazz van Albert Ayler en Ornette Coleman dan op de rock van Jimi Hendrix of de Stones. Het genie van Dulfer schuilt dan ook eerder in zijn gave om steeds weer een muzikale bedding te vinden waarin zijn beperkte talenten als saxofonist het best tot zijn recht komen. Op het funkalbum Big Boy (1994), met een killernummer als Streetbeats slaagt hij daar nog het best in. Passie, bevlogenheid en de gretigheid om te spelen: dat zijn de drie pijlers waar het granieten saxofoonspel van Hollands enfant terrible op rust.

Ruud Meijer