Nieuw! De stads boerderij

Steeds minder stedelingen weten waar hun voedsel vandaan komt. Maar tegenwoordig kunnen ze zelf gewassen verbouwen op de stadsboerderij. Duurzame landbouw, bewustwording en gezelligheid ineen.

Het terras van restaurant As oogt als een dierentuin. Rondom een roestig hek ligt grof zand op de grond en eromheen hangen plantenbakken met kruiden en bloemen die allemaal eetbaar zijn. Midden in het zakenhart op de Zuidas en vlak bij de snelweg heerst serene rust.

“Alles op het bord is biologisch en zeker twintig procent ervan stond vanmorgen nog in een kas in Amsterdam,” zegt chef-kok en eigenaar van As, Sander Overeinde.

Een ober vertelt glimlachend over de filosofie van het restaurant. Nee, er is geen kaart. Er is een dagmenu dat je kunt aanvullen met extra gerechten. Je eet wat de pot schaft.

Overeinde praat triomfantelijk over zijn restaurant, de tuin en de keuken – duidelijk enthousiast over het concept dat de gasten een stukje Amsterdam opeten. In overleg met een tuinder in het noorden van Amsterdam ontstaat het dagmenu. “Hij vraagt aan het begin van het jaar wat ik van hem wil hebben. Als het tijd is om bepaalde groenten te oogsten, dan belt hij op. De radijsjes van vandaag stonden vanochtend nog in de kas.”

Wetenschappers Han Wiskerke en Jan Willem van der Schans zien in stedelijke voedselproductie de toekomst om onze voedselzekerheid veilig te stellen. Restaurants als As zijn volgens hen niet elitair en hip, maar noodzakelijk. De stedeling moet weer eten wat uit de stad en uit de rand van de stad komt.

Wiskerke, hoogleraar rurale sociologie aan de universiteit van Wageningen, heeft net ruim vier miljoen euro toegezegd gekregen van de Europese Unie. Met een deel daarvan worden twaalf promotieonderzoeken gefinancierd, onder andere onderzoek naar landbouw in de stad.


Landbouw naar het stedelijk gebied halen is volgens hem bittere noodzaak. “Het gevoel van urgentie om ons voedselsysteem te veranderen is in Nederland nog niet ingedaald. Dat er een dag komt waarop wij geen vers voedsel meer hebben, kunnen wij ons niet indenken. Maar ons voedselsysteem is kwetsbaar. Kwetsbaarder dan veel mensen denken.” Hij refereert aan de vulkaanas van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajökull, dat het vliegverkeer een paar dagen stillegde. Wiskerke vindt het ergens wel jammer dat dat niet een etmaal langer duurde. “Groot-Brittannië importeert negentig procent van haar fruit en zestig procent van haar groenten. Doordat het vliegverkeer stillag, was het nog maar 24 uur verwijderd van tekorten aan groente en fruit.”

Om te voorkomen dat het zover komt, moet de stad terrein worden voor landbouw. Dat betekent niet dat er veel ruimte vrijgemaakt moet worden voor aardappelvelden, grote kassen of boomgaarden. Landbouw in de stad moet aansluiten bij de mogelijkheden van de stad.

Die mogelijkheden zijn er. Wiskerke denkt aan groene plekken die de stad al kent. Bijvoorbeeld groente en fruit verbouwen in gemeentetuintjes en plantsoenen. Maar landbouw in de stad kan ook op platte daken, in moes- en volkstuinen, op braakliggende terreinen, in achtertuinen van winkels en op de traditionele boerderijen maar dan in de stad.

Cijfers over de grootte van de stadslandbouw in Nederland zijn er niet. Het staat nog in de kinderschoenen. Maar Wiskerke gelooft heilig in de werking van al die kleine agrarische bebouwing in de stad. “Alle vormen van stadslandbouw en stedelijk voedselbeleid gaan gezamenlijk leiden tot een vrij fundamentele verandering van voedselsystemen.” En dat moet ook, want volgens de Verenigde Naties leven er in 2050 in het gunstigste geval negen miljard mensen op deze aarde; als het ongunstig uitpakt tienenhalf miljard. Met deze groeiende wereldbevolking, gezondheidsproblemen en klimaatproblemen kunnen we volgens Wiskerke niet op de huidige manier doorgaan. De beschikbaarheid van zoet water wordt dan een serieus probleem. “Landbouw is grootverbruiker; ons voedsel slokt 65 procent van het zoete water op. Om een hamburger van 150 gram te produceren is 2400 liter water nodig.


” Daarom moet het anders, zegt hij. Stedelijke voedselproductie biedt een oplossing, bijvoorbeeld het hergebruiken van stedelijk afvalwater.

Er is ook een andere noodzaak voor stadslandbouw: de stedeling weet niet meer wat hij eet. Hierover maakt Jan Willem van der Schans zich zorgen. Hij is wetenschapper van het LEI (Landbouw Economisch Instituut) en als burger nauw betrokken bij de ontwikkeling van stadslandbouw in Rotterdam. Ten diepste gaat het er volgens hem om dat de stedeling weer grip wil krijgen op zijn leven. “De voedselindustrie is erop gericht om ons dingen uit handen te nemen. Het ultieme doel is een magnetronmaaltijd die, eenmaal opgewarmd, perfect smaakt. Maar wat weten wij dan nog van ons eten?” Dat is ernstig, vindt hij. Het leidt tot onnodige verspilling van eten.

Van der Schans moet een beetje lachen als hij vertelt over studies die aantonen dat sommige mensen denken dat eten bedorven is als het niet in een McDonalds-bakje zit. Maar dit voorbeeld illustreert volgens hem de ernst van de situatie. “De internationale ketens willen ons het leven makkelijk maken door extra waarde aan ons eten toe te voegen. Waarden als kant-en-klaar. Ze spelen in op ons gemak, maar maken ons in feite dom. In mijn optiek kan de stadslandbouw die trend keren door te laten zien hoe je groenten teelt, snijdt, bereidt en kookt. Dat vergroot je zelfredzaamheid als burger en we herkennen weer wat we eten.”

De stedeling is volgens Van der Schans vervreemd van zijn voedsel en alles wat daarachter steekt. “Als een inwoner uit Rotterdam op het dak van een flat staat en richting Den Haag kijkt, ziet hij Midden-Delfland. Maar voor hem is dat een park. Als hij daar een rondje fietst, ziet hij niet een boer, maar een parkwachter.”


Volgens internationale criteria zijn alle boerderijen in de omtrek van veertig kilometer van een stad stadsboerderijen. “Dan is de helft van Nederlandse boeren dus stadsboer,” merkt Van der Schans op. “Helaas gaat dat in de praktijk nog niet helemaal op, want bijna niemand merkt iets van die stadsboer.” Zo kan de melk in een toetje van Campina net zo goed uit het Groene Hart komen als uit Duitsland. En levert de zogenoemde stadsboer melk voor kaas die óf naar Gouda gaat óf naar de Oekraïne.

De anonimisering van het voedsel-systeem vinden beide wetenschappers een zorgelijke ontwikkeling. Van der Schans vindt dat het systeem te ver is doorgeslagen. “De verwijdering van landbouw uit de stad zorgt ervoor dat kennis over goed, gezond en lekker eten verdwijnt. Er wordt steeds minder gekookt en steeds meer eten gehaald of opgewarmd in de magnetron. De gezondheidsproblemen door vet eten met weinig vitaminen zijn hierdoor enorm.”

Bas de Groot is in zijn keuken in de weer met een theedoek en een kom. Vorig jaar heeft hij uitgevonden hoe makkelijk het is om vlierbloesemsiroop te maken en nu maakt hij liters sap voor een grote picknick. Hij wil de eerste echte boer midden in een grote stad worden. Die vervreemding van de stedeling ten opzichte van zijn eten is voor hem een van de belangrijkste redenen om stadsboer te worden. Plekken in de stad creëren waar stedelingen kunnen zien hoe groente groeit; daar gaat zijn hart sneller van kloppen.

Dat kinderen denken dat melk uit een pak komt en niet uit een koe, is volgens hem geen grapje. “Ik krijg echt rare vragen, zelfs van volwassenen. We verkochten op een zorgboerderij waar ik werkte scharreleieren. Een man van rond de veertig had eieren bij ons gekocht. Hij bracht ze terug, want hij zei: ‘Ik heb hier eieren gekocht die jullie verkopen als scharreleieren en dat is niet waar. Er moet namelijk een stempeltje op staan.’ Bij de groothandel moet dat inderdaad. Maar bij scharrelkippen gaat het erom dat kippen ruimte hebben om te scharrelen, en daar had hij geen idee van.” De Groot staat te trappelen om te beginnen, maar in Nederland lijkt het stadsboeren nog niet erg populair. Hij ondervindt dagelijks hoe lastig het is om van de gemeente een plek te krijgen om te boeren. Toch trekt de landbouw op kleine schaal in de stad de aandacht van ambtenaren.


Een van hen is Kees van Oorschot, seniorplanoloog bij de gemeente Rotterdam. Vanuit zijn kantoor kijkt hij uit op een grote bouwput aan de Vierhavensstraat. “Daar komt een gebouw van ongeveer zeven hectare (veertien voetbalvelden) met op het dak een stadspark en ruimte voor een moes- en fruittuin.”

Met zijn collega Annemieke Fontein onderzocht hij de afgelopen maanden initiatieven in Rotterdam die raken aan landbouw in en nabij de stad. Vooral de sociale kant van stadslandbouw trekt hun aandacht. De stadsboerderij als plek voor educatie, als manier om werkgelegenheid te bieden aan allochtone bewoners met een agrarische achtergrond en als stimulans voor de lokale economie. In september presenteren zij hun bevindingen en conclusies aan de wethouder. Rotterdam groener, klimaatneutraal en minder afhankelijk van industrieel verwerkt voedsel, spelen op de achtergrond van hun verkenningswerk mee. Van Oorschot trekt voorzichtig de conclusie dat landbouw in Rotterdam noodzakelijk is om de stad leefbaarder te maken. “Rotterdam heeft een hard imagodoor de haven, de industrie en de vele hoogbouw. Alles moest in het verleden stevig, groot en imposant zijn. Ik denk dat in het verleden vergeten is dat voor een goede leefbaarheid kleinschaligheid belangrijk is. Daar hoort stadslandbouw ook bij.”

Uit onderzoeken van de sociale diensten in Rotterdam blijkt dat kinderen uit Rotterdam gemiddeld slechter eten dan kinderen uit andere delen van het land. “Daar ligt verantwoordelijkheid voor de gemeente,” zegt Van Oorschot. “Maar het is aan de wethouder om te bepalen of stadslandbouw in de komende jaren aandacht krijgt.”


Van Oorschot is het niet eens met de uitspraak dat de voedselproductie in de stad in de kinderschoenen staat. Vooral niet als je kijkt naar de boeren die aan de stadsrand wonen. Rotterdam heeft in zijn ogen voldoende agrarische bedrijvigheid. Maar de stedeling gaat niet naar het platteland om zijn groenten te kopen, en de boer heeft geen tijd om elke dag producten naar de markt of de supermarkt te brengen. Van Oorschot: “Wij moeten systemen creëren waardoor boeren en consumenten bij elkaar gebracht worden, zodat de boeren in de buurt van Rotterdam niet meer produceren voor Spanje en Italië, maar voor hun eigen stad.”

Her en der in Rotterdam duiken oases productief groen op. Vaak op braakliggende terreinen waar wel een bouwbestemming voor is, maar waar de bouwvakkers pas over een paar jaar aan het werk gaan. Creatief Beheer probeert die gebieden te ontwikkelen.

In de Puntstraat, in het westen van Rotterdam, ligt zo’n stuk grond. Proefpark de Punt is dertig bij tweehonderd meter groot. Zes jaar geleden begon beheerder Stanley Pashouwers met de eerste moestuintjes. Inmiddels zijn dat er zo’n vijftig. Het is een zoete inval waar mensen uit de nabijgelegen straten af en aan lopen. Zijn doel is de wijk aardiger te maken en mensen verlossen uit het ‘stenige tijdperk’. Op het terrein staat een gloednieuwe kas. Er kraait een oude haan in het kippenhok en vrouwen roken sigaretten en wisselen het laatste nieuws uit. Proefpark de Punt is vooral een ontmoetingsplek. “Dat is de kracht van de tuin. Het gesprek begint over de vraag waarom de courgette van de buurman wél groeit en eindigt met vragen over opvoeding, taal en onderwijs,” zegt Pashouwers. Maar de sociale functie van de tuin gaat verder dan gesprekken en gezelligheid. “Scholieren lopen bij mij hun maatschappelijke stage, mensen voeren hier hun taakstraf uit en jongeren die moeilijk aan werk komen, kunnen hier aan de slag.”


Steden als Havana en Hanoi, waar zestig tot negentig procent van het eten van de stedeling uit de stad komt, zijn nog lang geen voorbeelden voor Rotterdam. In gesprekken met Wiskerke, Van der Schans en Van Oorschot over de rol van boeren in de stad, gaat het nooit alleen over eten. Ook in de eerste tuin van Healthy Cities in Rotterdam zijn de gewassen een middel. Healthy Cities is een initiatief van Wooncorporatie Comwonen, projectontwikkelaar Dura Vermeer, het Albada College, zorgorganisatie De Stromen en de GGD tezamen. Onder de noemer ‘Van grond tot mond’ moeten wijken braakliggende gebieden productief maken. In de Dantetuin, de pilot van Healty Cities, is Anne Ageeth aan het werk. Dit is een moestuin van een kwart hectare voor de bewoners van de Dantestraat in Lombardije.

Ageeth is teammanager wijkontwikkeling bij ComWonen. Samen met Mimi Baars haalt ze het onkruid uit de tuin. “Inwoners van Rotterdam leven ongeveer anderhalf jaar korter dan mensen die elders in Nederland wonen. Wij zijn erbij gebaat dat de mensen gezonder worden.” De eerste tuin werd direct een succes. Ageeth: “In eerste instantie dachten we aan vier kleine tuintjes, maar toen vijftien vrouwen interesse toonde, besloten we het groter aan te pakken.” In het ene perceel staan aardappelen, in het andere bonen, rodekool, tomaten en peterselie. Mimi Baars zit gehurkt tussen de groenten. Naast haar ligt een kratje met de eerste oogst. Radijsjes. Zij is een van de vijftien vrouwen en is trots op haar tuin. “Het doel is breder dan groente verbouwen”, zegt Ageeth. “Als er straks geoogst is, maken de vrouwen tweehonderdvijftig mandjes met groente. Voor elk huis in de Dantestraat één.”


Naast laten zien dat je zelf groenten kunt verbouwen, is integratie een belangrijke reden voor het bestaansrecht van de tuin. Veel vrouwen uit deze wijk komen amper de deur uit. “Door te werken in de tuin ontstaat er interactie tussen buurtbewoners,” zegt Ageeth.

Proefpark de Punt en de Dantetuin laten zien dat stadslandbouw in Rotterdam in ontwikkeling is en inspeelt op diverse behoeften. Maar stadslandbouw die enkel een sociale functie bekleedt is voor stadsboer in spe Bas de Groot niet voldoende.Stadslandbouw moet in zijn ogen een economische component hebben, omdat het meer moet zijn dan een etalage. Het bedrijf moet draaien om de kweek, groei en oogst van verse groenten en andere smakelijke landbouwproducten.

“Dat ik een agrarisch bedrijf in de stad wil, met alle risico’s van dien, komt door mijn pioniersbloed,” zegt hij. “Mijn droom is een boerderij in de stad waar mensen zich kunnen ontwikkelen. Maar als ondernemer zeg ik dat het ook om geld gaat. Minstens vijftig procent van mijn inkomsten moet komen uit de landbouw.” Hij ziet daar geen probleem in. Het voordeel van de stad is de afzetmarkt die om de hoek begint. Geen gesleep met eten van boerderij naar verwerkingsbedrijven, distributiecentra en supermarkten. “Met de stadsboerderij kan ik bijvoorbeeld samen met de klant bedenken wat ik aan het begin van het seizoen voor hem moet produceren. Hij betaalt vooraf, zodat ik inkomenszekerheid heb en hem een product van goede kwaliteit kan leveren. Het groeiproces van de tomaten en sla die hij in de zomer eet, heeft hij dan vanaf het begin kunnen volgen.”

Rick Timmermans