Wielerliefde

Mijn geschiedenis als columnist van HP/De Tijd begint nadat het mooiste dat de televisie te bieden heeft, beëindigd is: de Tour de France. Ik kom woorden tekort om mijn liefde voor (kijken naar) wielrennen te beschrijven. De afgelopen drie weken heb ik 87 uur lang mannen op fietsen gezien. Soms was dat spannend, vaak was dat saai. Maar de ware liefhebber kan ook genieten van een fraai kasteeltje, overstekende schapen, een gek in de berm.

Tijdens het tergende niets van een overgangsetappe kun je afgestraft worden voor een moment van onoplettendheid als een massale valpartij of een snijdende demarrage plaatsvindt. Een magistrale sprint (en vooral ook de voorbereiding daarvan) kan een middag verveling helemaal goedmaken. De afvalrace die de beklimming van een gemene berg is, kan net zo enerverend zijn als een roekeloze afdaling. Zelfs kan ik ontroerd raken als Andy Schleck, dan drager van de gele trui, water gaat halen voor zijn ploegmakkers.

Wielrenners zijn mijn helden. Ooit heb ik welbespraakt een sessie met de koningin meegemaakt, ooit heb ik stamelend Gerrie Knetemann een hand gegeven. Onlangs heb ik me voorgesteld aan Michael Boogerd. Hij zei: “Maar ik ken je wel…” Het was de derde keer dat ik me voorstelde aan Michael Boogerd, maar toch.

Lang is de lijst van wielervedetten die mij peilloos genot hebben verschaft. Als televisie niet was uitgevonden, had ze uitgevonden moeten worden voor live-verslagen van wielerklassiekers en grote ronden.

Positiever dan dit wordt het niet.

import bert van der veer