Zeezucht

Clay Marzo heeft het syndroom van Asperger. Hij ziet het verschil niet tussen iemand die vrolijk lacht en iemand die schuimbekt van woede. Maar zo hulpeloos als de Hawaiiaan aan land is, zo fenomenaal is hij als surfer op zee.

Voor Clay Marzo is het vandaag een ‘rode dag’; zijn therapeute heeft hem aangeraden ieder gevoel te beschrijven met een kleur. Gele dagen zijn ontspannen, dan voelt hij zich actief; groene dagen zijn taaie dagen, dan voelt hij zich prikkelbaar; op bruine dagen is hij ongeduldig en op rode dagen is hij gefrustreerd, woedend en nors. Op rode dagen voelt hij zich als een junkie die afkickt. Op rode dagen zijn er geen golven.

’s Morgens om tien uur staat Marzo aan de rand van een ananasplantage aan de noordkust van Maui, het op een na grootste eiland van Hawaii. Een paar meter achter hem hangt een bordje ‘verboden toegang voor onbevoegden’ aan de omheining en daaronder bevindt zich het gat waar hij een uur tevoren doorheen is geglipt. Zijn belevingswereld kent geen verboden.

Hij wordt tot de beste aankomende surfers ter wereld gerekend en hij is autist; Clay Marzo lijdt aan het syndroom van Asperger. Hij leeft op een geheel eigen planeet.

Hij kijkt naar de zee en daarbij draait en trekt hij onafgebroken aan zijn schouderlange haar dat er uitziet als stro en gebleekt is door de tropische zon en het vele zoute water. Aan zijn voeten ligt de Makuleia-baai die de inheemse surfers op Hawaii ‘Slaughterhouse Bay’ (Slachthuisbaai) noemen vanwege de vlijmscherpe lavastenen waaraan de surfers hun benen en rug kunnen openhalen.

Hij is op Tahiti geweest, in Teahupoo aan de Gold Coast van Australië, in Mexico, Puerto Escondido, op Lanzarote, in Zuid-Afrika, op Huntington Beach in Californië, op de Fiji-eilanden, in alle pelgrimsoorden voor surfers, maar het liefst surft hij thuis, in het slachthuis.


Marzo draagt een zwart singletje, een zwembroek tot op de knie en teenslippers. Sinds hij is aangekomen, heeft hij zich geen centimeter van de plaats bewogen. Hij heeft geen enkel woord gezegd. Zijn gezichtsuitdrukking is volledig blanco.

Hij staat hij daar zo de hele tijd, staart naar de Stille Oceaan en wacht, maar de golven willen niet komen. Vijf dagen geleden waren ze nog veertien meter hoog maar nu is de oceaan glad als een spiegel.

“Clay, wat betekenen de golven voor je?”

Stilte.

“Wat is dat voor een gevoel als je door de tunnel van een brekende golf surft?”

Stilte.

“Clay?”

Hij keert zich van het strand af en klost als een kind dat pas heeft leren lopen terug naar zijn auto, een rode Toyota Matrix. Hij heeft de auto gewonnen bij een surfwedstrijd in Californië toen hij vijftien was. Inmiddels is hij twintig. Zes maanden geleden heeft hij zijn rijbewijs gehaald. Hij had daar drie jaar voor nodig.

Hij slaat met zijn vuist op de motorkap, eenmaal, tweemaal, hij mompelt voor zich uit (‘shit, shit en nog eens shit’), hij stapt in, klapt de deur dicht en zet de muziek hard. Hij luistert naar rap; de beat kalmeert hem. Dan rijdt hij weg.

Marzo ‘houdt’ niet ‘van’ surfen; ‘houden van’ is ingewikkeld, het kan verwarrend zijn, kan overgaan. Zijn verhouding tot de zee is eenvoudig. Surfen is een van zijn eerste levensbehoeftes, iets dat hem in leven houdt. Alleen op zee kan hij zich vrij ontplooien; alleen als hij surft voelt hij zich vrij.

“Clay, wat zou je doen als je niet zou kunnen surfen?”

Hij staart voor zich uit over de snelweg. “Geen idee.” En na een lange pauze: “Ik denk dat ik zou wensen dat ik het wel zou kunnen.” Hij draait een haarstreng rond zijn wijsvinger.


De surfer praat niet veel en al zeker niet met vreemden. Gesprekken zijn een belasting voor hem. Hij kijkt zijn gesprekspartner niet aan. Bij alles wat onbekend, nieuw en onverwacht is, klapt hij dicht van angst.

Hij kan zich niet inleven in hoe anderen voelen en denken. Hij ziet niet het verschil tussen iemand die vrolijk lacht en iemand die schuimbekt van woede. Iedere gezichtsuitdrukking is een code die hij moeizaam moet ontcijferen.

Veel mensen in een beperkte ruimte, een onverwachte aanraking, het etiket in een pullover, dat is allemaal één grote kwelling. Hij probeert zich te troosten door dwangmatig met zijn haren te spelen of in zijn handen te wrijven zoals metselaars dat doen voor ze met hun werk beginnen.

Het leven op het droge stelt te hoge eisen aan hem maar op zee, op zijn surfplank, presteert hij de ongelooflijkste dingen. Zijn lichaam heeft de perfecte bouw voor een surfer: een lang bovenlijf met korte benen. Hij heeft een laag zwaartepunt en omdat hij ook zo buigzaam is als een stuk elastiek, kan hij zich artistiek bewegen.

“Hij is net een kat, hij komt altijd weer op zijn pootjes terecht,” zegt Kelly Slater, de negenvoudige wereldkampioen uit Florida. “Clay kan dingen die ik absoluut niet voor elkaar krijg. Hij doet dingen die niemand anders kan.”

Hij denkt zijn bewegingen niet van tevoren uit, hij surft intuïtief. Het ziet er zo gemakkelijk uit als hij loodrecht langs een golf omhoog glijdt, ondersteboven van de golfkam door de lucht vliegt, om zijn eigen as draait, ruggelings landt, met de achterkant van de plank vooruit naar beneden schiet en na een draai van 180 graden weer snelheid maakt voor de volgende sprong.


De Hawaiiaan Laird Hamilton, de koning van de monstergolven, die op 21 meter hoge golven gesurft heeft, zegt: “Clay is een kunstenaar die je niet in een hokje kunt stoppen.”

Hij lijkt op Mark Harris, de televisieheld, de laatste overlevende uit Atlantis, de man uit de zee wiens lichaam verlept als hij lang geen water op zijn huid voelt.

“Clay, wat bevalt je zo aan het surfen?”

“Weet niet.”

“Neem de tijd om na te denken.”

Stilte.

“Ik ben alleen. Niemand stelt me vragen. Mijn hoofd wordt leeg, ik bén er simpelweg, en word één met de golven.”

Marzo is niet zo’n begaafde surfer hoewél hij aan Asperger lijdt, maar juist omdát hij autistische trekjes heeft.

Een van de kenmerken van Aspergerpatiënten is dat ze zich obsessief bezighouden met een onderwerp; ze leren gebruiksaanwijzingen van buiten, zijn bezeten van mieren of passagiersschepen uit de negentiende eeuw. Albert Einstein wijdde zijn leven aan de natuurkunde, Clay Marzo surft.

Als de golven goed zijn, is hij zo’n zeven tot acht uur in het water. Hij surft meestalzonder pauze te nemen. Hij moest al tweemaal naar het ziekenhuis vanwege uitputtings- en uitdrogingsverschijnselen.

En als hij niet surft, zit hij voor de televisie en bekijkt hij video-opnames van zijn surfpartijen. Hij heeft een vriend die hem bij iedere wedstrijd filmt.

’s Avonds zit hij in zijn kamer. Het licht is uit, de ramen verduisterd en de televisie staat op een tafel voor het bed. Marzo bekijkt een fragment van tien seconden, bestudeert de golven dertig, veertig keer, en analyseert hoe hij surft; alsof hij in trance is. Hij neemt ieder detail waar, slaat het op en als hij denkt dat hij niets meer kan leren, spoelt hij door naar het volgende fragment. Dat doet hij tot diep in de nacht.


Eén verdieping lager zit zijn moeder in haar kantoor. Op haar bureau ligt een tekening die haar zoon haar voor Moederdag heeft gegeven; hijzelf is een gestileerd, bruin poppetje, de zee is blauw gekriebel en de zon een gele cirkel. De tekening had van een vijfjarig kind kunnen zijn.

Jill Marzo werkt als masseuse in een hotel. Ze is een hartelijke vrouw die iedereen meteen in haar armen sluit en veel praat. Ze laat zich momenteel van haar man scheiden, omdat deze niet accepteert dat zijn zoon een autist is; hij is van mening dat het hem aan discipline ontbreekt.

Ze bladert in een fotoalbum en wijst op een opname waarop te zien is hoe haar zoon tot zijn heupen in de zee staat met opgestoken armen en uitgestrekte wijsvingers. Het lijkt of hij een ongeveer zeven meter hoge golf, die ieder moment over hem heen kan slaan, toejuicht. “Die foto verklaart alles,” zegt ze. “Het lijkt of de zee hem roept. Vanaf zijn geboorte wist ik dat er met hem iets niet klopte.”

Marzo is in de buurt van de oude walvisvaarderhaven in Lahaina opgegroeid, in een huis dat tien meter van Puamana Beach af ligt. Als baby huilde hij veel, hij kroop nooit; met zeven maanden weigerde hij nog aan de borst te drinken en een week later liep hij.

“Hij sliep alleen in als ik hem in een warm bad had gestopt,” vertelt moeder Jill. “Ik heb mijn handen onder zijn rug gehouden en hem laten drijven terwijl het water stroomde. Hij was meteen in dromenland. Zo ging dat viermaal per dag.”

Zijn vader nam hem op de surfplank mee de zee op toen hij een jaar oud was en met anderhalf speelde hij alleen in de branding. “Hij sprong in de golven en dook,” zegt zijn moeder. “De toeristen hebben me bekeken alsof ik gek was. Maar dat was wat hij wilde: omgeven worden door het water.” In de oceaan vindt hij geborgenheid. Met vijf kan hij surfen, maar de wereld aan land is voor hem een raadsel.


Hij is traag, kauwt op zijn nagels, wappert met zijn armen, is vergeetachtig, stoot zich vaak en gooit glazen om, het gebrom van een stofzuiger is een kwelling voor hem en als hij met Kerstmis zijn cadeaus moet uitpakken, verdwijnt hij zonder iets te zeggen naar zijn kamer. Hij heeft een tijd schelpen verzameld. In de garage van de Marzo’s staan ze opgeslagen, kisten vol. Vervolgens verzamelt hij Pokémonplaatjes, daarna kaartjes met basketbalspelers. Hij kent alle dialogen uit Bigfoot and the Hendersons en Alf uit zijn hoofd. Op school zit hij geen minuut stil, de leraren raken vertwijfeld. Zijn medescholieren lachen hem uit, ze meppen hem omdat hij zo suffig is, omdat hij zo vreemd uit zijn ogen kijkt, omdat hij zijn schoenveters niet zelf kan strikken, omdat hij anders is. Viermaal verandert hij van school; uiteindelijk geeft zijn moeder hem zelf les.

Jill Marzo gaat met haar zoon van arts naar arts. De eerste constateert dyslexie, de tweede ADHD, de volgende denkt aan een sociale fobie, die daarop vermoedt een dwangstoornis. De ene drukt de jongen een antistress-balletje in handen, de ander neemt zijn hersenen onder de loep, weer een ander schrijft hem omega-3-capsules en vitamines voor. Hij krijgt zelfs ritalin voorgeschreven dat het concentratievermogen verhoogt. Dat middel was een complete verschrikking, volgens zijn moeder. “Clay sloeg om zich heen, brulde; de duivel was in hem gevaren, hij werd bijna schizofreen.”

De surfer zit in een strandbar en eet gepocheerde eieren met hollandaisesaus en spek met daarbij burritos en een chocolade milkshake. Hij houdt zijn vork vast als een hooivork. Hij schept, smakt en knoeit. Hij moet gezond eten, want vooral te veel suiker maakt de symptomen erger. Maar er zijn nog steeds geen golven; hoe kan hij zich dan verstandig blijven gedragen?


“Clay, hoe is het, als je een lange tijd niet kunt surfen?”

Hij reageert niet, propt een stuk ei met zijn vingers in zijn mond. Maar dan zegt hij: “Gewone mensen hebben een emmer waarin ze prikkels kunnen opnemen. Ik heb een kopje. Als dat vol is, moet ik de zee in om het uit te spoelen.”

Morgen wil hij de veerboot nemen naar Lanai, het buureiland; daar zou de branding beter zijn. Hij houdt het niet langer uit. Het is tijd voor de afwas.

Toen hij veertien was stuurde hij een dvd met zijn beste surfpartijen naar Quiksilver, de leverancier van surfuitrustingen. De managers daar hadden nog nooit zo’n natuurtalent gezien; ze boden hem direct een contract aan. In het begin verliep alles volgens plan. In 2005 won hij het grootste amateurtoernooi van de Verenigde Staten, maar toen begonnen de problemen.

Jamie Tierney werkt als directeur marketing bij Quiksilver. Hij is een grote man met een ronde bril en bermudashorts met een camouflagepatroon. Hij hinkt naar de tafel – hij heeft zich een paar dagen geleden tijdens het surfen bij een koraalrif verwond aan een voet. Hij gaat zitten, bestelt een kop koffie en vertelt hoe hij Marzo in december 2006 in Australië heeft leren kennen.”We gingen samen wat eten. Clay zei geen woord, hij staarde alleen maar naar zijn bord. Plotseling stond hij op, liep naar een bank, ging liggen, sloot zijn ogen en klopte zachtjes tegen de leuning. Ik dacht dat hij high was.”

Tierney wilde een reclamespotje met hem draaien voor een nieuwe lichtgevenderoze surfbroek. “De camera liep al toen Clay opmerkte dat de broek wel wat langer mocht. Ook het materiaal was niet goed genoeg, en hij vond de kleur niet mooi.”


De laatste tijd moet de surfer veel reizen en dat is een hel voor hem. Voordat hij zijn koffers pakt, is hij altijd misselijk. In Mexico raakt hij zijn paspoort kwijt, op de Filipijnen zijn bagage, en als in Indonesië een vlucht uitvalt, hangt hij vijf dagen volledig hulpeloos op de luchthaven rond en belt voortdurend naar zijn moeder; hij verbelt voor duizend dollar.

Het valt Tierney op dat Clay de controle kwijtraakt zodra er te veel op hem afkomt; journalisten, fotografen, fans. Clay brult dan, smijt met zijn surfplank, slaat tegen de muur. Er barst een vulkaan uit. Daarna ligt hij als een geslagen hond in bed. Tierney: “Ik heb gezien hoe hij verandert zodra hij in het water is. Dan is hij volledig ontspannen. Zo’n puur talent heb ik nog nooit gezien; je kunt zijn bevrijding zien als hij surft.”

De ouders van Tierney zijn psychologen, hijzelf heeft vaker met autistische kinderen gewerkt. “Ik was er op een gegeven moment zeker van dat hij Asperger had.” Vervolgens nam hij contact op met zijn moeder.

Jill Marzo laat haar zoon in december 2007 nog een laatste keer onderzoeken. De test duurt drie dagen. Hij moet schriftelijke en mondelinge vragen beantwoorden en in een drukkamer meten de artsen zijn hersenstromen; ze gaan na welke delen van de hersenen te sterk worden gestimuleerd en welke juist minder actief zijn. De uitslag is overduidelijk. “Het was een enorme opluchting om eindelijk te weten wat er met hem aan de hand was,” zegt Jill.

Sindsdien gaat hij eens in de veertien dagen naar een therapeute. Zij geeft hem tips wat hij in bepaalde situaties moet doen, probeert hem van zijn angsten af te helpen en hem te bevrijden van zijn waanidee dat hij waardeloos zou zijn. Zijn laatste zenuwinzinking is bijna een jaar geleden.


In augustus won Marzo voor het eerst een profwedstrijd. Waarschijnlijk was zijn manager daar blijer om dan hijzelf. Want de surfer geeft niet veel om toernooien. Hij wordt onzeker van het publiek op het strand en haat het om tegen zijn concurrenten te moeten peddelen om de beste golven. Hij begrijpt ook niet dat er een bepaalde strategie nodig is om te winnen. Het is weleens gebeurd dat hij nog maar één punt moest verdienen om een ronde verder te komen; hij hoefde alleen maar op zijn plank te klimmen en naar het strand te surfen. Maar dat vond hij geen uitdaging. Hij wachtte liever op een goede golf waarop hij spectaculair kon surfen. De tijd verstreek en hij verloor.

“Clay, waarom laten toernooien je koud?”

“Ze hebben met het echte surfen niets van doen.” Hem interesseert de pure beleving van de golven, het instinctmatige plezier in het spelen met water.

“Clay heeft het potentieel om wereldkampioen te worden,” zegt Jamie Tierney. “Maar tot welke prijs? Hij hoeft zich niet rot te voelen alleen omdat hij zich moet aanpassen. Voor Clay is het belangrijkste dat hij gelukkig is.”

Clay Marzo staat in de haven van Lahaina. Zo meteen vertrekt de veerboot naar Lanai; de deining is veelbelovend. Hij heeft zijn surfplank en een slaapzak bij zich; hij wil vannacht op het strand kamperen.

“Clay, hoe voelt het als je door een tunnel van water surft?”

Hij kijkt naar de zee, beweegt zich niet, zijn mond is slechts een dunne lijn.

“Clay?”

“Het is of ik in de keelholte zit van iemand die hoest en me uitspuwt.”

“Wat betekenen golven voor je?”

“Golven zijn een geschenk van God.”


Dan gaat hij aan boord. Als de golven niet naar hem toe komen, gaat hij naar de golven.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Maik Grossekathöfer