Britse ruimdenkendheid

De Britten hebben nog steeds een perifere kijk op Europa. Zie The Economist van eind juli. Onder de titel ‘An endless war’ opent het Londense zakenblad de Europasectie met een beschouwing over de strijd van het Turkse leger tegen de Koerdische PKK in het grensgebied met Irak. Als je niet zou weten dat dit Azië is, kun je nog steeds denken dat Europa een continent is waar primitieve stammen elkaar naar het leven staan. Dat is achterhaalde geopolitiek. Maar de Britten hebben een wereldrijk gehad, en houden het Europese speelveld graag breed. Sterker, de grens tussen Turkije en Irak is van Britse makelij, reden waarom ook de Britse kijk op dit deel van de wereld niet zonder historische bijklank is. Ter informatie: na de Eerste Wereldoorlog kwamen de provincies Mosoel en Kirkoek (waar olie zit) bij de Britse kolonie Irak terecht, en niet bij de nieuwe republiek van Atatürk.

Zou David Cameron, de Conservatieve nieuwe Britse premier, daaraan gedacht hebben toen hij zich in Ankara beloofde sterk te maken voor een Turks EU-lidmaatschap? Ik betwijfel het, want anders had hij zich diplomatieker uitgelaten en meer rekening gehouden met de Turkse argwaan ten aanzien van de Europese mogendheden (de Britten incluis). De Turken zijn het Britse verdeel-en-heers uit de koloniale tijd nooit vergeten en willen ook niet van één Europese beschermer afhankelijk zijn. Daar hebben ze slechte ervartingen mee. Toen het Ottomaanse Rijk uiteindelijk aan de zijde van Duitsland aan de Eerste Wereldoorlog meedeed, gingen de zaken verschrikkelijk mis. In 1919 dreigde Anatolië zelfs onder de Europeanen te worden opgedeeld. Hoewel de Britten historisch gezien altijd het beste met de Turken voorhadden (al denken de Turken daar een slagje anders over), waren zij ook degenen die geopolitiek het meest van de ondergang van het rijk van de sultan profiteerden. Niet alleen vielen de oliebronnen op het Arabisch schiereiland in hun handen, zij erfden ook Jeruzalem en het Heilige Land – en alle oorlogen die daar sindsdien bij horen.

Niet dat de Britten aan die oorlogen enig plezier beleefden. De Balfour Declaration (1917), waarbij de joden een tehuis op (moslim)grondgebied werd beloofd en tegelijk de nationale aspiraties van de Arabieren werden aangemoedigd, kwam de Britten op de achterdocht van de hele regio te staan. De Suez-oorlog (1956) markeerde het einde van hun status als grote mogendheid, en in het conflict tussen Israël en de Palestijnen nemen ze een ‘gebalanceerd’ standpunt in waarmee ze steeds meer joodse ergernis wekken (ook in Amerika). Dat weerhield de nieuwe Britse premier er niet van om bij zijn bezoek aan zijn Turkse collega Erdogan – die zich met zijn steun aan een ‘vredesvloot’ die de blokkade van de Gazastrook moest breken als Palestijnenvriend heeft geprofileerd – tegen Israël uit te varen. Om bij de Turken in de smaak vallen en de nieuwe Britse regering in Europa op de kaart te zetten, kregen Duitsland en Frankrijk te horen dat zij moeten ophouden om Turkije aan het lijntje te houden. Daar was geen understatement bij. We weten nu weer dat er een Tory in Downing Street zit. Sinds Margaret Thatcher betekent dat sidderen.


Hoewel ikzelf nogal eurosceptisch ben, blaast Cameron mij te hoog van de toren. Net als Tony Blair predikt hij modernisering, wat uit de mond van een Conservatief extra hol klinkt. Daarbij is het de vraag of het aan de Britten is om de rest van Europa inzake de Turkse EU-kandidatuur de les te lezen. Daarmee wekken ze niet alleen de verdenking op de federalisering van Europa te willen frustreren (geen betere rem dan Turkije erbij), maar spelen ze ook in op een wijdverbreid gevoel onder Turken dat Duitsers en Fransen hen willen buitensluiten. In dat verband herinnerde Cameron aan het non van Charles de Gaulle tegen de Britse toetreding, alsof de Britten zelf onder een vergelijkbare discriminatie hebben geleden. Dat is valse solidariteit en pure stemmingmakerij.

De reserves van Angela Merkel en Nicolas Sarkozy over Turkse EU-toetreding zijn bekend, maar zullen niet minder worden als de Britten zich in deze gevoelige kwestie als Turkenvriend opwerpen en de suggestie wekken dat Duitsers en Fransen bang zijn voor (niet-westerse) vreemdelingen. Dat is een irrititant Brits trekje. Zelfs The Economist wijst graag op de krampachtige wijze waarop het (altijd racistische) Europese continent met immigratievraagstukken omgaat. Wat betreft de integratie van vreemdelingen geloven de Britten dat zij verder zijn. Die ruimdenkendheid is hun gegund, maar als voortrekkers van Turkse EU-toetreding hebben zij een berg boter op hun hoofd. Sterker, als Duitsers en Fransen het ergens over eens zijn, dan is het dat.

import dirk jan van baar