Holland in de Congo

Vijftig jaar geleden streek de Belgische koning voor het laatst de vlag in Congo. Bijna niemand weet echter dat een Rotterdamse zakenman de beruchte Leopold II er in het zadel hielp. Deze Lodewijk Pincoffs was gaarne bereid de hebberige koning te helpen bij zijn activiteiten in het westen van het Afrikaanse land. Dat concludeert historicus Robert Wiggers op basis van archiefonderzoek.

‘Koning Leopold heeft zich aan u niet gepresenteerd als veroveraar, maar als brenger van beschaving,” sprak koning Boudewijn plechtig tot de Congolezen op 30 juni 1960, de dag dat hun land onafhankelijk werd van de Belgische kolonisator. De vorst werd weggehoond, niet alleen door de kersverse premier Patrice Lumumba, maar later ook door de geschiedenisboekjes. Die zeggen tegenwoordig netjes dat Leopold een wrede uitbuiter was en verantwoordelijk voor de dood van miljoenen Congolezen. Maar dat ook Nederlandse handelaren een flinke vinger in de Congolese pap hadden, is nauwelijks bekend.

Historicus Robert Wiggers, overdag werkzaam als adjunct-directeur van Wilde Ganzen, een organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, duikt in zijn vrije tijd de archieven in en pluist reisverslagen, brieven en memoires uit om te achterhalen wat de relatie was tussen Nederlandse handelaren en koning Leopold II in de Congo, en hoe het gebied hierdoor werd ontsloten voor de wereldmarkt. Hij hoopt er volgend jaar in Leiden op te promoveren.

De Nederlanders waren eerder in de Congo dan de Belgen?

“Jazeker. De belangrijkste handelaren waren de Rotterdammers Lodewijk Pincoffs en Henri Kerdijk, die in 1857 al met hun ruilhandel begonnen en later de Afrikaansche Handelsvereeniging (AHV) oprichtten. Ze handelden met karavanen uit het binnenland. In ruil voor kralen, katoenen stoffen, messen, geweren, kruit en rum kregen ze materialen als ivoor, palmolie en rubber.”

Ze trokken niet verder het land in?

“Nee. Dat was het terrein van de lokale heersers, die wilden blijven verdienen aan de heffingen die ze de karavanen oplegden. Niemand mocht de blanken daarom de weg wijzen. De rivieren uit het binnenland monden via onbevaarbare stroomversnellingen uit in de oceaan. Wie toch het land in wilde, moest eerst zijn gedemonteerde schepen vierhonderd kilometer het land in dragen. De eerste jaren stichtten de Nederlanders daarom factorijen aan de kust, handelsposten. Daar waren een of meer blanken gestationeerd, met een entourage van zwarte slaven.”


Over het nut van slaven is te lezen in de memoires van Onno Zwier van Sandick, een employé van de AHV op een Hollandse factorij. Vergeleken met de ‘vrije negers’ waren slaven wel duurder (alleen al bij aanschaf kostten ze een vat rum, een geweer, een bus kruit en zo’n achttien gulden aan snuisterijen) maar ze hadden het voordeel “dat men ze altijd disponibel heeft, terwijl een vrije neger, als hij genoeg gegeten heeft, er niet aan denkt te gaan werken,” aldus Zwier Van Sandick.

Slavernij werd geaccepteerd, maar slavenhandel niet. Waren de Nederlanders ertegen?

“Ze waren vooral heel pragmatisch. Ze handelden er niet in omdat het veel te gevaarlijk was; voor de kust patrouilleerden Engelsen, die slavenschepen tegenhielden. In 1867 vertrok het laatste slavenschip. Tekenend is dat bijna alle Portugese, Spaanse en Amerikaanse slavenhandelaren toen overgingen in dienst van de AHV. Het bedrijf werd in één klap de grootste speler in de Congo. Opmerkelijk, want het waren verschrikkelijke mensen die veel geweld hadden gebruikt.”

Paste dat niet bij de VOC-mentaliteit?

“Vergis je niet, de handel was tot dan toe betrekkelijk gelijkwaardig. Al probeerden beide kanten elkaar natuurlijk te bedonderen; de blanken met valse gewichten, de zwarten met stenen die in het rubber waren gestopt. Wel gewelddadig waren de aanvallen op factorijen die zwarten soms uitvoerden, en als reactie daarop de strafexpedities tegen de betreffende dorpen.”

Heeft de Nederlandse economie nog baat gehad bij de Congo?

“Heel veel! En dan niet alleen aan de export uit het gebied, zoals de palmolie, maar ook aan de importkant. Zoveel mogelijk handelswaar werd hier in eigen land ingekocht. Conserven kwamen uit Rotterdam, jenever uit Schiedam, kralen uit Brabant, katoenen stoffen uit Twente, enzovoort.”


Hoeveel Nederlanders zaten er in die tijd?

“Tot 1908, de periode die ik onderzoek, hebben er op de factorijen in totaal zo’n vijfduizend Nederlanders gewoond, schat ik. Ik ben nog bezig met een exacte inventarisatie. Er zijn in het gebied drie Nederlandse begraafplaatsen te vinden. Het was overigens heel normaal om een relatie aan te gaan met een zwarte vrouw, die dan ‘huishoudster’ werd genoemd. Maar als hoofd van het huishouden hoefde ze feitelijk niet te werken. Soms trouwden Nederlanders zelfs met vrouwen uit adellijke families.”

Dan bestaat de Nederlandse erfenis in de Congo in elk geval uit een hoop genen.

“Er moeten inderdaad veel halfbloedjes geboren zijn. Niemand weet het, maar we hebben er bijna allemaal verre familie zitten.”

De spil in die grote Congolese familie vormde Lodewijk Pincoffs, een zakenman die in Rotterdam intussen ‘den grooten piet’ uithing, zoals een krant in die tijd het omschreef. Als raadslid-Kamerlid-reder-bankier, tevens oprichter van de Rotterdamsche Handelsvereeniging (RHV) waarmee hij havens ontwikkelde op de zuidelijke Maasoever, werd hij zo belangrijk dat zelfs de burgemeester iedere dag voor zijn werk even bij hem op de koffie kwam. Pincoffs sloeg tweemaal het aanbod af om minister van Financiën te worden.

Dat was maar goed ook, want achter de mooie cijfers van de AHV schuilden enorme verliezen en verkeerde beleggingen. Pincoffs besloot contact op te nemen met de Internationale Afrikaanse Vereniging van de Belgische koning Leopold II, die zo wanhopig op zoek was naar een eigen kolonie dat hij zelfs even serieus had overwogen een stukje Japan te veroveren. Daar dacht Pincoffs wel munt uit te kunnen slaan.


“Hij wist waarschijnlijk niet hoezeer Leopold toen al op geld belust was,” zegt Wiggers. “Ook historici hebben dat lang niet beseft, maar vanaf het allereerste begin was hij vooral op zoek naar een melkkoe. Zijn grote doel was het vinden van een tweede Java.” Dankzij Java hadden de Nederlanders eerder hun nationale begroting weten op te krikken met behulp van de winst die plantages met dwangarbeiders opleverden, de zogenaamde batig slot-politiek. “Dat wilde Leopold ook.”

Pincoffs werd lid van de door Leopold opgerichte studievereniging voor de Boven-Congo. “In verschillende ontmoetingen wees hij hem op de kansen die de westkust van de Congo bood, en hij bood de koning zelfs aan om hem een handje te helpen. Het werd zodoende de AHV die in 1879 Leopolds eerste gedemonteerde rivierschepen naar Banana bracht, de grootste Nederlandse factorij, om van daaruit zijn eerste expedities te beginnen.”

Redde Leopold Pincoffs van de ondergang?

“Nee. Terwijl in Banana de schepen in elkaar werden gezet, werd in Rotterdam het faillissement aangevraagd. Pincoffs had jarenlang met gemanipuleerde cijfers geld van de RHV naar de AHV gesluisd en miljoenen guldens geleend. Toen de megafraude uitkwam, het grootste beleggingsschandaal in de Rotterdamse geschiedenis, vluchtte hij halsoverkop naar New York, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Maar Leopold zat intussen wel mooi in de Congo.”

Hij schijnt er zelf nooit te zijn geweest.

“Dat klopt. Hij maakte gebruik van stromannen, zoals de beruchte avonturier Henry Morton Stanley. Deze Stanley werd meteen dikke vrienden met Anton Greshoff, die werkzaam was op een factorij nabij Banana. Zijn neefjes ‘reden zebra’ op Stanleys knie. Het was voor Stanley een nuttige vriendschap, want Greshoff werd later directeur van de afdeling Boven-Congo van de Nieuwe Afrikaansche Handelsvennootschap, de opvolger van de AHV.”


Wat ging Leopold toen doen?

“Hij breidde zijn invloedssfeer in de Congo snel uit. Dat ging zo goed, dat hij in 1885 bij de andere Europese mogendheden wist te bedingen dat hij gezag kreeg in de hele Congo. Dat lukte hem omdat hij toezegde de vrijhandel te beschermen. Speciaal daarvoor werd Kongo Vrijstaat in het leven geroepen.”

Een vrijhandelsgebied.

“Een vrijhandelsgebied, maar wel één waar vrijhandel ver te zoeken was. Invoerrechten mocht Leopold niet heffen, maar hij bedacht allerlei vernuftige trucs om aan alles en iedereen te verdienen. Hij hief uitvoerrechten, eiste wapenlicenties, hief grondbelasting, enzovoort, en begon zelf tegen de afspraken in handel te drijven. Met Arabische slavenhandelaren ruilde hij geavanceerde wapens tegen ivoor. Zijn geldhonger was eindeloos. Hij zette gebouwen neer in Brussel en Oostende en presenteerde die als giften van de koning. Hij rustte expedities uit naar Soedan want hij wilde eigenlijk een gebied tot aan de Nijl beheersen, en naar het mineralenrijke Katanga in het zuidoosten, waar hij later op grote kopervoorraden zou stuiten. Bovendien bevocht hij de Arabische slavenhandelaren; niet omdat ze in slaven handelden, maar omdat die hun buitgemaakte ivoor door de slaven naar het oosten lieten dragen en zich op die manier onttrokken aan zijn heffingen.”

Maar hij heeft wel een conferentie georganiseerd tegen slavernij, in 1889.

“Ook dat deed hij om financiële redenen. Hij raakte door zijn aanzienlijke familiekapitaal heen, terwijl de ivoorhandel nog niet genoeg opbracht, en deze conferentie moest uitkomst brengen. Er werden allerlei afspraken gemaakt om de slavernij in de Congo tegen te gaan, en Leopold zou erop toezien. ‘Daar heb ik alleen wel geld voor nodig,’ zei Leopold, en zodoende kreeg hij toestemming om alsnog invoerrechten te heffen.”


En Nederland ging daarmee akkoord?

“Nee, hier waren ze furieus. De NAHV beheerste op dat moment nog negentig procent van de handel! Onder druk van de andere mogendheden, met zelfs een dreiging van een Duitse inval, moest Nederland wel slikken. Op alle mogelijke manieren ging Leopold de Nederlanders echter dwarszitten: met nieuwe heffingen, een licentie voor ivoorhandel en het aanhouden van schepen. Hij liet de conservenblikken opensnijden waarmee de handelaren zich in leven moesten houden. Zelf hoefde hij die heffingen en licenties uiteraard niet te betalen. Maar het was nog steeds niet genoeg voor Leopolds grootse plannen. Hij begon ook de Belgische en Franse handelaren in het gebied dwars te zitten, en liet strafexpedities tegen dorpen uitvoeren om maar zoveel mogelijk ivoor te kunnen bemachtigen.”

Wat gebeurde er toen Belgische handelaren zich van Leopold begonnen te distantiëren?

“Hij koos voor iets nieuws: hij verklaarde alle lege gronden in Kongo Vrijstaat tot staatsdomein. Daar voerde hij een volledig domein- en monopoliestelsel in, met zwarte dwangarbeiders die rubber moesten tappen in het oerwoud. Rubber was booming in die tijd, onder andere vanwege de opkomende auto-industrie. Vele dwangarbeiders stierven aan malaria of door wilde dieren. Als ze hun quota niet haalden, werden er vaak strafexpedities georganiseerd waarbij mannen, vrouwen en zelfs kinderen werden gedood. Als zwarten op hun kano met ivoor niet de vlag van de Kongo Vrijstaat voerden, werden ze vermoord.”

Wiggers heeft verslagen onderzocht van zendelingen die steeds meer misstanden rapporteerden. Opvallend: over de Nederlanders schrijven ze niet. “Daaruit concludeer ik dat de Nederlanders blijkbaar niet meededen aan die vorm van uitbuiting. De zendelingen woonden namelijk meestal wel in de buurt van de Nederlandse factorijen. Uiteindelijk waren Nederlanders, veel meer dan Belgen, gewoon handelaren.” Daarom raakten ze gefrustreerd over de gang van zaken in de Vrijstaat.


“Op een gegeven moment begon de NAHV’er Greshoff tegen Leopolds bewind te publiceren. Zijn directeuren in Nederland kregen contact met Edmund Dene Morel, een Engelse journalist die als bediende werkte bij een scheepvaartmaatschappij. Morel was zo geschokt dat hij de Congo Reform Association opzette. Het werd de grootste humanitaire campagne ooit, sinds de campagne tegen de slavernij. Alleen in Nederland en België kwam het niet van de grond; hier waren de belangen te groot.” Onder internationale druk moest Leopold zijn privédomein in 1908 afstaan aan de Belgische staat.

Dit was dus de ‘groote en edelmoedige vorst’, zoals iemand binnen het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap hem dertig jaar eerder nog had genoemd, door wiens bewind “de vrije negers, enkel door het voorbeeld in den omgang, de waarde van den arbeid, en de slaven die der vrijheid [zullen] leeren.” Dan zal een nieuw tijdvak voor Afrika aanvangen, voorspelde de schrijver: “Het zal in de beschaafde wereld binnentreden, in de wereld, welke werkt, denkt en vooruitgaat.”

In plaats daarvan is het een hel geworden waar de vloek van de bodemschatten harder kon toeslaan dan in welke ex-kolonie dan ook. Hoe heeft het zo erg kunnen worden?

“Congo is een samenraapsel van volken en gebieden die alleen bij elkaar horen omdat Leopold te hebberig was. En het blijft maar doorgaan. Ook nu weer eisen westerse bedrijven toegang tot Congolese grondstoffen, waar milities en het leger elkaar om bestrijden. Eigenlijk kleeft aan al onze mobieltjes, waarin veel grondstoffen uit Congo zijn verwerkt, het bloed van Congolezen. Net zoals dat in de negentiende eeuw zo was bij het rubber dat we nodig hadden voor onze industrialisatie.”


Werd het beter toen de Belgische staat het bewind overnam van Leopold?

“Het werd wel beter, maar veel uitbuiting bleef bestaan, evenals de strafexpedities. Deze geschiedenis ligt in België nog steeds gevoelig. Veel Belgen pareren iedere kritiek nog steeds met ‘er is ook veel goeds gebeurd.’ Een Vlaamse hoogleraar vertelde me zelfs dat nog in de jaren tachtig archieven werden vernietigd, nadat hij om inzage had gevraagd. Wat dat betreft hebben ze goed geluisterd naar Leopold II, die aan het einde zei: ‘Ze mogen mijn Congo hebben, maar niet weten wat ik er heb gedaan.'”

De Nederlanders weten ook niets van hun Congo-verleden.

“Dat klopt. Zonder de geldzorgen van de Nederlanders had Leopold er nooit voet aan de grond gekregen. Maar uiteindelijk hebben ze ook het einde van zijn bewind ingeluid. In feite hebben Nederlanders twee keer een einde gemaakt aan de ‘onafhankelijkheid’ van Congo.”

De foto’s bij dit artikel komen uit de tentoonstelling’Congo belge en images’. Magnum-fotograaf Carl de Keyzer en architectuurhistoricus Johan Lagae selecteerden ze uit de tienduizenden negatieven van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrikain het Belgische Tervuren. De tentoonstelling is tot en met 8 augustus te zien in de Noorderlicht Fotogalerie in Groningen. Vanaf 14 augustus begint een andere expositie van Carl de Keyser, ‘Congo (belge)’, over het hedendaagse Congo.

Frank Mulder