Honderd jaar de weg kwijt

Al een eeuw lang wordt in Nederland naar het juiste pad gezocht, voor God, koningin en vaderland. Op naar de Jubileum Jamboree! ‘Hier rechtdoor, aan het einde linksaf en dan de borden volgen.’

Van een padvinder mag je tenminste één ding verwachten. Inderdaad: dat hij het juiste pad weet te vinden. Maar sinds padvinders scouts zijn gaan heten, lijkt dat niet meer zo logisch. Dat ervaren we althans als we een bezoek willen brengen aan het terrein waar het festijn 100 jaar Scouting Nederland plaatsheeft. Een mooi staaltje langs elkaar heen praten, op de oevers van de Maas bij Roermond.

Scout 1: “U bent pers? Dan moet u de borden C1 volgen, dan komt u uit bij de leveranciersingang. Daar moet u naar binnen.”

Scout 2: “Dit is de leveranciersingang, wat komt u leveren? U bent pers? O, maar dan moet u V4 volgen, helemaal buitenom.”

Scout 3: “V4? Nee, dat zal C4 zijn, want V4 kennen wij niet in onze planning. U moet hier rechtdoor, aan het einde linksaf en dan de borden volgen.”

Op dat moment mengt zich, met zichtbaar genoegen, een hopman in het gesprek. “HP/De Tijd? Dat is toch een links bolwerk? In dat geval stuur ik u met alle plezier de verkeerde kant op.”

Dat is aardig aangeboden, maar dat kan de padvinder zelf veel beter. Op zijn aanwijzingen komen we na een rondje toeren tenminste weer op precies dezelfde plek uit. Paniek. De padvinder pakt zijn geplastificeerde kaart erbij en mompelt: “Dat is gek: ik zie hier dat C4 precies uitkomt bij Gate 3…”

Overleg met de nog altijd grijnzende hopman. Dan: “U mag de route C3 volgen.”

Vijf minuten later staan we voor de derde maal voor zijn neus. Nu neemt de hopman het definitief over. “Ik zal het zelf maar even nakijken, anders stuurt hij u wéér het bos in. Hoewel ik dat met HP/De Tijd maar wat graag zou willen doen…”


Dat laatste is een grapje, bezweert hij, alvorens ons terug te sturen naar de plek waar we al drie keer linksaf zijn geslagen. Want daar hadden we naar rechts moeten gaan.

Honderd jaar scouting in Nederland alweer, wat vliegt de tijd! Het heuglijke feit wordt gevierd met een Jubileum Jamboree, volgens goed padvindersgebruik afgekort tot JubJam, een naam waarbij alleen buitenstaanders het wagen om de klinkers te verwisselen. Want scouts zijn nog altijd brave jongens en meisjes met een roomblanke ziel, aan wie dat soort vuilspuiterij niet is besteed. Scouts helpen elkaar met het aan elkaar knopen van boomstammen. Met het pompen van water. Met het opzetten van een tent, waarin gezamenlijk de nacht wordt doorgebracht, al dan niet in aanwezigheid van een grote stapel Suske en Wiskes. En oude vrouwtjes die moeten oversteken, hebben dezer dagen in Roermond natuurlijk de tijd van hun leven. Jammer alleen dat ‘tien eurocent voor een karweitje’ voor geen meter rijmt.

De padvinderij is het geesteskind van de Britse luitenant-generaal Robert Baden-Powell, die tijdens de Tweede Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1899-1902) met succes de stad Mafeking verdedigde. Bij terugkeer richtte hij een jongerenorganisatie op, waarvan de leden zich conformeerden aan het militaire handboek voor verkenners dat hij had geschreven. In 1910 deed een afvaardiging van die jongerenbeweging Nederland aan. Dat sloeg zo aan dat in Amsterdam en Den Haag onmiddellijk Nederlandse takken werden opgericht. “Ik zal ernstig trachten mijn plicht te doen tegenover God, koningin en vaderland, iedereen te helpen waar ik kan en de padvinderswet te gehoorzamen,” luidde in de beginjaren de belofte van de scouts in spe. Tegenwoordig zeggen ze: “Ik beloof mijn best te doen een goede scout te zijn, iedereen te helpen waar ik kan en me te houden aan de Scoutingwet. Jullie kunnen op me rekenen.” Dat klinkt een stuk fijner – als een niet zo strak aangetrokken knoop.


Honderd jaar nadat de eerste Nederlandse scouts hun gelofte aflegden aan God, koningin en vaderland, is een immens leger van nazaten neergestreken op de uiterwaarden van de Maas. Elfduizendtweehonderdenachttien zijn het er, zegt een van de leidinggevenden. Twaalfduizendzeshonderdenvierenzestig, verbetert een ander hem.

Het zijn er in elk geval veel. En slechts een minderheid draagt nog een vormloos kaki-shirt en een hoed met vier deuken. “Tja,” glimlacht Reijer Groenman, woordvoerder van Scouting Nederland, “het werd tijd voor een nieuwe scoutfit.”

Scoutfit?

Zei hij dat echt?

“Ja, mooi woord, hè? Was ook hard nodig, ons uniform was 36 jaar geleden voor het laatst veranderd. En ook al zijn er onder de oudgedienden nog wel een paar mensen die zich tegen de nieuwe scoutfit verzetten, het merendeel is er heel blij mee. Voor de dames hebben we nu eindelijk eens iets getailleerds!”

Groenman is bij uitstek de persoon om uit te leggen wat scouting nu eigenlijk precies is. Zijn eerste poging valt echter wat tegen. “Scouting is voornamelijk heel divers, binnen alle kaders die je met elkaar stelt.” Maar zoals het een goede scout betaamt, maalt hij er niet om een tweede poging te wagen als de eerste niet het gewenste effect blijkt te hebben. “Scouting is met elkaar, met je oude of met je nieuwe vrienden, leuke, spannende en uitdagende dingen doen, het liefst in de buitenlucht.”

Scouting heeft ook, zo gaat hij verder, te maken met verantwoordelijkheid leren nemen. Hij geeft een voorbeeld. “Een bever krijgt de opdracht dat hij, ik zeg maar wat, op 15 september de blokhut moet opruimen. Is dat spannend? Voor een kind van vijf wel! Als je zo jong bent, is het héél spannend om je tanden te zetten in het oprollen van een slaapzak. Die uitdaging! Krijg ik dat ding wel mooi opgerold in een plastic zak? Nou ja, oudere kinderen geef je weer wat vlees, rijst en eieren met de opdracht: ‘Draai even een nasi’tje in elkaar.’ Alles naar reikwijdte van wat de kinderen aankunnen, qua verantwoordelijkheid.”


Bevers, doceert hij, zijn scouts van 5 tot 7 jaar. Daarboven zitten de welpen (7-11), de scouts (11-15), de explorers (15-18) en de roverscouts (18-21). “Mensen die door de spannende fase heen gaan,” weet Groenman, “blijven de rest van hun leven actief, zien we over het algemeen.”

Die spannende fase is in dit geval de dertienjarige leeftijd, zijnde het moment dat de padvinder het behaaglijke pierenbad dat basisschool heet verlaat en in het diepe van het middelbaar onderwijs springt. “En áls je actief blijft, dan kun je op je 21ste met drie losse palen een toren van achttien meter bouwen,” zegt Groenman. “Daar kun je bij de bevers natuurlijk nog niet mee aankomen. Wel breng je ze op die jonge leeftijd de basisvaardigheden bij. Leren strikken met dropveters. En als dat dan niet lukt, zeg je tegen zo’n kind: ‘Dan eet je ze toch lekker op?’ We zijn niet zo streng, hoor.”

Alle evolutionaire gebeurtenissen ten spijt is knopen leggen nog altijd core-business (‘cord business’, om maar even een woordspeling van scoutfit-niveau te maken). De jongste editie van Flitz, het jeugdmagazine van Scouting Nederland, besteedt dan ook twee pagina’s aan het leggen van de paalsteek. “Insteken aan de kant waar het lange eind op het oogje ligt.”

Terug naar Roermond, naar het natuurgebied rond de Schippershaven, dat normaal gesproken de habitat is van een dassenkolonie (Groenman: “We hebben met elkaar afgesproken dat we op afstand blijven van de dassenburchten.”) We krijgen Menno de Waal toegewezen om ons het 72 hectare grote terrein te laten zien. ‘Mediascout’ De Waal komt net terug van een vergelijkbare ronde met een televisieploeg, maar laat zich daar niet door ontmoedigen. Een hopman pur sang, zogezegd. “Nou, die oubollige naam gebruiken we al dertig jaar niet meer,” riposteert De Waal. “We heten nu leider. En als team heet je leiding. En elk team heeft een teamleider.”


Het duizelt ons na deze uitleg. En wel dusdanig dat we ons verbeelden dat we aan de einder een peloton zwarte vrouwen op ons af zien komen. Maar het is geen waanbeeld, ze lopen daar wel degelijk, die twintig geuniformeerde Surinaamse dames op leeftijd. Verenigd in de stichting PAVEUR (Padvinders Van Eerdere Uren) komen ze naar eigen zeggen hun ‘eigen padvinderij herbeleven’. “Wij zijn de roots van de Surinaamse padvinderij!” schreeuwt voorzitster Martha Danoe boven het geschater van haar clubgenoten uit.

PAVEUR bestaat uit vrouwen vanaf 45 jaar; de oudste is 87. “En we hebben één witte!” schatert Danoe. “Dat is Tineke uit Dordrecht, onze allochtoon!” Waarna een lachsalvo volgt dat golfjes veroorzaakt op het verder rimpelloze water van de Maas. “Maar weet u, meneer,” zegt een ander, “als we zo met z’n allen over straat lopen, denken ze dat we asielzoekers zijn.” Gesputter van de andere dames. “Jawel hoor, de vorige keer, in Brabant!”

Leider De Waal (“We hebben ook groepen uit Ghana, Engeland, Australië,Kenia, Spanje, Frankrijk, Duitsland en, wat nog meer… o ja, België”) troont ons mee naar een bouwwerk dat scouts uit het Noorse Saetre in elkaar hebben gedraaid: een metershoge toren met platforms op diverse niveaus. “Hartstikke veilig,” beweert Thomas Velthoven, een in Noorwegen woonachtige Nederlander die de Scandinavische padvinders begeleidt. “Er flikkert er alleen weleens eentje uit. Nou ja, dan hadden ze geen scout moeten worden.”

Voor Menno de Waal (25) is het leven bij de scouts één groot avontuur. Met glimmende ogen: “Op de Nationale Jamboree van 2008, in Boxtel, was ik subkampstaf en toen hadden we een watergevecht georganiseerd tegen een ander subkamp. Echt met alles erop en eraan: waterballonnen, supersoakers en dat soort dingen allemaal. Toen hebben we met z’n allen…”


En dan verexcuseert hij zich omdat z’n telefoon gaat.

Het is zijn moeder.

Jan Peter Balkenende

Wim de Bie

Anton Geesink

Gordon

Albert Heijn

Youp van ’t Hek

Henk Hofland

Harry Mulisch

Willem Oltmans

Chriet Titulaer

Bas van Toor (Clown Bassie)

(Bron: Wikipedia)

Michiel Blijboom,