Vrijmetselen is een mannending

De vrijmetselarij is een eerbiedwaardig genootschap dat de gelijkheidsgedachte hoog in het vaandel heeft. Gek genoeg is er in de Orde van Vrijmetselaren voor vrouwen geen plaats. ‘Je staat als vrijzinnig genootschap tochvoor joker.’

‘Ik vind het ongelooflijk jammer dat de masculiene vrijmetselarij vrouwen nog steeds van deelname uitsluit. Vanaf het begin van de vrijmetselarij zijn er altijd vrouwen geweest die lid wilden worden, maar we staan nog steeds in de kou.” Ria Peerdeman, journalist en lid van de Nederlandse Grootloge der Gemengde Vrijmetselarij (NGGV), wordt er emotioneel van. “Ik voel me echt persoonlijk beledigd.”

Peerdemans frustratie? Ze klopt vergeefs aan de poorten van een de laatste mannenbolwerken die de feminiseringsgolven van de afgelopen eeuwen hebben doorstaan. Als besloten genootschap kan de vrijmetselarij dat ook doen: ze hoeft alleen leden toe te laten die worden geaccepteerd door de bestaande leden, en die bestaande leden zijn mannen.

Dat is al zo sinds het ontstaan van de organisatie in de achttiende eeuw, als uitvloeisel van de Middeleeuwse gildes, vakverenigingen met ook alleen maar mannelijke leden. De oude traditie klinkt door in het rijke gebruik van symbolen – zoals de passer en de winkelhaak, de beitel en het schietlood – en in de hiërarchische structuur van leerlingen, gezellen en meesters, die elkaar wekelijks treffen op besloten bijeenkomsten in tempels of loges.

Wat er binnen de muren van die loges gebeurt, is onderwerp van wilde speculaties. De vrijmetselarij vormt dan ook het decor van menige thriller, waarin de mannenbroeders doorgaans een geheime macht vormen binnen de staat.

Volgens de vrijmetselaars is dat beeld geheel bezijden de waarheid. “Alhoewel auteurs als Dan Brown het tegengestelde beweren is de vrijmetselarij niet de hoeder van een specifiek geheim,” schrijft de NGGV op haar website. “Vrijmetselaren zoeken een oplossing voor het geheim dat zij zelf zijn, dat ieder mens is. (-) Het uiteindelijke doel is om dichter bij jezelf te komen, dichter bij je medemensen en dichter bij datgene dat ons allen bindt.”


‘Ons allen’ – dat zijn dus mannen én vrouwen, vindt Peerdeman. Het weren van ‘de helft van de wereldbevolking’ kan zij niet rijmen met het hooggestemde gelijkheidsideaal dat de vrijmetselarij uitdraagt. Want als je op zoek bent naar spirituele groei en verdieping, stelt zij, moet je je niet op jezelf gaan bezinnen in een afgescheiden wereld.

De internationale vrijmetselarij, die naar schatting wereldwijd ruim vijf miljoen leden telt, laat alleen mannen toe. Vrouwen kunnen zich alleen verenigen in ‘gemengde’ loges, maar die worden niet officieel erkend. Die gemengde clubs bestaan doorgaans voor tweederde uit vrouwen. De mannen die lid worden, doen dat vaak als steunbetuiging aan de feministische strijd, maar zijn dan daarnaast lid van hun eigen loges. Voor de vrouwen blijft het een surrogaat voor een volwaardig lidmaatschap.

In Nederland telt de orde van de vrijmetselaars 6500 leden. De orde is autonoom, maar richt zich naar de regels van de leidende Engelse broederorganisatie en valt daarom onder de reguliere vrijmetselarij. ‘Regulier’, of ‘regelmatig’ betekent: erkend door Engeland. Strijkt men de grootloge van Engeland te veel tegen de haren in, dan kan het genootschap irregulier verklaard worden.

Wanneer je de leden van de mannenloges aanspreekt op ‘de vrouwenkwestie’, vallen de meesten even stil.

“Tja, het kan natuurlijk niet,” is steevast de eerste reactie, maar daarna komen de tegenargumenten. Het historische verhaal, de reglementen, het ‘haantjesgedrag’ van mannen in vrouwengezelschap. “Ik kan mijn hormonen niet uitschakelen.”

Principiële discussies gaan de metselaars liever uit de weg. Dat is al zo sinds het einde van de negentiende eeuw, een periode van grote maatschappelijke omwentelingen waarin ook de positie van de vrouw internationaal op de agenda kwam te staan.


In 1882 werd Marie Deraismes als eerste vrouw ingewijd in een loge in Frankrijk. Toen de loge als gevolg daarvan met schorsing werd bedreigd, trok Deraismes zich schielijk terug.

In arren moede richtte zij in 1893 samen met Georges Martin Le Droit Humain op. Deze nieuwe, niet-erkende grootloge stond open voor iedereen zonder onderscheid van geslacht, godsdienst of ras. In Nederland hebben zich een kleine vierhonderd mensen in zulke gemengde loges verenigd.

De meeste mannen van de gemengde loges ervaren een meerwaarde in de samenwerking met vrouwen. De NGGV, opgericht in 1960 als afsplitsing van de Nederlandse tak van Le Droit Humain, hield onlangs een enqute naar het thema, waarin een broeder het zo formuleerde: “Uitsluiting voert altijd tot een conservatieve houding, terwijl pluriformiteit voert tot groei en vooruitgang. Vooruitgang is één van de basisthema’s van de vrijmetselarij, net als het overwinnen van moeilijkheden in plaats van die uit de weg te gaan.”

Zover zijn ze dus nog niet bij de ‘oudere grote broer’ van de NGGV, de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden (OVGN), die dateert uit 1756. De OVGN – die in 2006 haar 250- jarige bestaan vierde en de oudste Nederlandse vereniging is met rechtspersoonlijkheid – is de overkoepelende organisatie van de klassieke, masculiene vrijmetselaarsordes.

Ria Peerdeman heeft een aantal mannenbroeders van het Grootoosten ontmoet. Het zijn ‘fantastische mannen’, vindt ze, met wie ze dolgraag tot samenwerking wil komen. Maar al haar pogingen in die richting houden de mannenbroeders tot dusverre af. Nu heeft ze haar hoop gevestigd op de nieuwe leider van het Grootoosten, Willem Meijer, die in juni werd gekozen tot dertigste grootmeester van de vrijmetselaars.


In de eerste hittegolf van deze zomer is het goed toeven in de schaduwrijke Haarlemse studeerkamer van de nieuwe voorzitter, Willem Meijer. Tot drie jaar geleden werkte Meijer als verzekeringswiskundige en consultant voor diverse bedrijven in binnen- en buitenland. “Ik moet nog wel even wennen aan mijn nieuwe rol,” zegt hij.

Willem Meijer staat met overtuiging aan het hoofd van zijn mannenclub, al geeft hij toe dat het ontbreken van de inbreng van vrouwen ook nadelen heeft. Maar hij ziet het niet als discriminatie.

Dat de Europese regelgevers dat anders zien en zijn organisatie misschien op den duur tot verandering willen dwingen, vindt hij een zorg van later.

“Je moet niet vergeten dat zoiets altijd in ontwikkeling is. In het verleden zijn de toegangsnormen al eens verruimd, en misschien gaat dat ook wel een keer gebeuren met betrekking tot vrouwen.”

Meijer is voorstander van ‘vrijheid van denken en vrijheid van ontmoeten’ binnen zijn orde. Dat zou betekenen dat de broeders vrij zijn om ook irreguliere en/ofgemengde loges te bezoeken. Twee jaar geleden heeft hij ook al een voorstel in die richting ingediend, maar dat haalde het niet. Hij ligt er niet van wakker.

“Zelf zou ik soms best wat verder willen gaan, maar je hebt rekening te houden met iedereen, en ik wil zeker onze Engelse broeders niet bruuskeren. Maar ik moet wel vrij kunnen zeggen wat ik denk. En als ik kans zie om de afspraken met de andere clubs in Europa wat te verruimen, dan zal ik daar zeker op aandringen.”

Zijn voorganger, Diederik van Rossum, vindt die verruiming nergens voor nodig. Met een brede lach zwaait hij de zware deur van zijn werkvertrek in Utrecht open. De ochtendzon stroomt de hal binnen. Van Rossum, directeur van het Instituut voor Psychosynthese, was zeven jaar lang voorzitter van de vrijmetselaars, en heeft al die tijd niets gedaan aan ‘de vrouwenkwestie’.


Maar vindt hij de vrouwenuitsluiting geen discriminatie, die haaks staat op het gelijkheidsideaal dat zijn orde predikt?

De gewezen voorzitter beroept zich op de Middeleeuwse tradities waar zijn orde op is geschoeid.

Van Rossum: “Bij het gilde heeft zich nog nooit een vrouw aangemeld. Ik vind het onjuist om dit discriminatie te noemen.”

Van buitensluiting is volgens hem ook nooit sprake geweest. Zodra vrouwen geïnteresseerd raakten, werd er altijd wel iets bedacht zodat ze konden meedoen, is zijn standpunt. “Elke vrouw kan gewoon vrijmetselaar worden,” zegt hij. Hij ziet alleen niet in waarom dat binnen zíjn orde zou moeten. Want: “Welke vrouw wil er in hemelsnaam lid worden van een mannenvereniging?”

Als het aan hem ligt, worden vrouwen die zo nodig moeten vrijmetselen lid van de weefsterorde die in 1947 werd opgericht. Maar de weefsterorde wordt door de vrijmetselaars niet erkend en is niet gelijkwaardig, al zullen de leden dat waarschijnlijk niet beamen.

Van Rossum: “Er is bij ons nog steeds geen meerderheid die dit systeem wil veranderen. Je kunt dus gewoon zeggen dat wij democratisch zijn. Maar het is wel waar, wij zijn een van de laatste mannenbolwerken.”

Toch lijkt er onder gewone leden een kentering gaande. Derk Hueting is vier jaar geleden lid geworden van de mannenloge in Breda en voelt zich daar helemaal thuis. Hij is een warm voorstander van de gemengde metselarij. Dat vrouwendeelname in zijn eigen loge niet kan, vindt hij jammer.

Hueting ziet het werken in de loge als een mogelijkheid je spiritueel te ontwikkelen, en vrouwen gaan daarin vaak sneller dan mannen, vindt hij.


“Veel broeders denken dat ze zich minder open en kwetsbaar zullen opstellen als er vrouwen bij zijn. Maar ik zie deelname van vrouwen als een verrijking, een extra impuls.”

Hij is voorstander van een radicale modernisering van de vrijmetselarij. Het oprichten van alternatieve loges is een mogelijkheid, waarbij de goede dingen van de vrijmetselarij – de wijze van dialoog voeren, de ritualen, het werken zonder dogma’s – kunnen worden aangevuld met spirituele ontwikkelingsmethoden van deze tijd.

Hueting denkt aan loges waar jong en oud, man en vrouw door elkaar lopen. Loges met modernere muziek en minder strenge kledingvoorschriften, want nu is het dragen van een rokkostuum of een zwarte smoking met witte strik, zwarte sokken en zwarte schoenen nog vaak verplicht.

Nieuwlichters als Derk Hueting en Ria Peerdeman krijgen bijval van emeritus professor Anton van de Sande. Hij was twee jaar geleden hoogleraar Vrijmetselarij als geestesstroming en sociaal-cultureel verschijnsel aan de Universiteit Leiden en is een van de weinige Nederlandse experts op dit gebied. Zelf is hij overigens geen vrijmetselaar.

Van de Sande windt er geen doekjes om. Hoe Van Rossum het ook wil noemen, de vrijmetselarij bezondigt zich aan vrouwendiscricriminatie en dat moet maar eens afgelopen zijn. “Het is en blijft iets schizofreens,” zegt Van de Sande gedecideerd. “Je staat als vrijzinnig genootschap toch voor joker. De discriminatie van vrouwen is vanuit historisch oogpunt goed te verklaren, maar in deze tijd kan het echt niet meer. Ze liggen in een spagaat en ze zitten er zelf echt mee.”

Volgens de professor is de vrijmetselarij te veel naar binnen gekeerd. Ze moeten verantwoordelijkheid durven nemen voor dat wat in de samenleving plaatsvindt. “Maar het ‘bij de tijd’ brengen van de organisatie is zeker zo belangrijk,” zegt Van de Sande. “En dat is een langdurig en moeilijk proces.”


“Gaat dit bij mijn leven nog veranderen?” vraagt professor Van de Sande zich af. “Ik hoop het. Ik heb er een hard hoofd in, maar het moet wel gebeuren.”

Diederik van Rossum denkt daar anders over: “Bij ons beslist de meerderheid.”

Ria Peerdeman vindt het jammer dat veel mannen die toetreden vaak niet eens weten dat ze een keuze hebben. Ze kunnen toetreden tot een masculiene orde, maar ze kunnen natuurlijk ook kiezen voor de gemengde vrijmetselarij. “De broeders zijn altijd welkom bij ons als bezoeker of als buitengewoon lid. Deze dingen samen zouden al veranderingen teweeg kunnen brengen.”

Derk Hueting vindt dat een gemoderniseerde en deels gemengde vrijmetselarij in de toekomst een bijzondere rol kan vervullen in onze maatschappij. “Door een plaats te bieden waar je zonder dogma’s met elkaar kunt werken aan de ruwe steen.”

Voor grootmeester Willem Meijer mag het best allemaal wat opener, vrijzinniger en speelser, al beseft hij dat hij geen ijzer met handen kan breken. Maar als er iemand de kwaliteiten heeft om de vrijmetselaars met visie en lef te leiden naar ‘meer vrijheid voor allen’, dan lijkt hij dat te zijn.

Tineke Haegens,