Kiezen tussen Oost & West

De Turkse regering van premier Erdogan houdt vol dat ze nog steeds lid wil worden van de Europese Unie. Maar sluit ondertussen vriendschap met Iran en Syrië en ageert in emotionele bewoordingen tegen Israël. Wat wil Turkije nou echt?

Op het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken grijpen de ambtenaren naar verluidt wanhopig naar het hoofd als premier Erdogan zijn islamitische hart weer eens laat spreken. Als hij de Iraanse president Ahmadinejad ‘mijn goede vriend’ noemt bijvoorbeeld, of wel erg ondiplomatieke taal uitslaat naar Israël. Dan moeten ze weer aan de bak en draaien politici en diplomaten overuren om de schade binnen de perken te houden. Want Turkijes doel in de internationale politiek mag niet in gevaar komen. En dat doel is: een zelfverzekerde plek innemen in de wereldpolitiek, en in de eigen regio in het bijzonder.

Emotie, dat is de achilleshiel van regeringspartij AKP in het buitenlands beleid van Turkije. Dat zegt Joost Lagendijk, voormalig GroenLinks-lid van het Europees Parlement, nu docent aan de Istanbulse Sabanci Universiteit en senior adviseur van het Istanbul Policy Center. En die emotie neemt nogal eens bezit van Tayyip Erdogan, de diepgelovige premier van Turkije. “Maar het is niet zo,” zegt Lagendijk, “dat het buitenlands beleid van Turkije is gebaseerd op die emotie. Integendeel: Turkijes beleid is gebaseerd op gezond verstand.”

Er wordt wel beweerd dat de AKP-regering, aan de macht sinds 2002, door haar buitenlands beleid haar ware gezicht laat zien. De AKP (Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij) wordt geleid door vrome moslims. Ze komen voort uit de politiek-islamitische beweging en sommigen waren eerder actief voor partijen die werden verboden omdat ze anti-seculier zouden zijn geweest. De AKP ontsnapte op het nippertje aan hetzelfde lot, maar vertrouwd wordt de partij door het seculiere establishment allerminst. Dat establishment – het leger, de juridische macht, een flink deel van de academici – vreest dat de AKP een verborgen agenda heeft en Turkije wil omvormen tot een islamitische staat. De toenadering tot islamitische buurlanden zou daar een uiting van zijn.


Feit is echter dat de nieuwe buitenlandse politiek niet uit de koker komt van premier Erdogan en minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoglu, maar al in de steigers werd gezet tijdens de voorgaande regering van de sociaal-democraat Bülent Ecevit. Die regering zag dat het tijd was voor een buitenlandse politiek die niet langer werd bepaald door de NAVO (waarvan Turkije lid is sinds 1952) en de Verenigde Staten, zoals tijdens de Koude Oorlog het geval was. Can Paker, voorzitter van de liberale Istanbulse denktank TESEV: “De veranderende verhoudingen op het wereldtoneel vroegen om een nieuwe benadering door de Turken. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Turkije vroeger niet eens een buitenlands beleid hád.”

Precies in dat licht ziet Cengiz andar, journalist en politiek commentator, het huidige optreden van Turkije in de wereldpolitiek. “Het is nogal ziek van het Westen,” zegt hij, “om überhaupt de vraag te stellen of Turkije bezig is weg te drijven van het Westen. Europa bezit Turkije toch niet? Turkije is een opkomende macht, net als bijvoorbeeld China, India en Brazilië. Moet zo’n land zijn koers laten bepalen door de vraag of die wel of niet in lijn is met wat Europa wil? Die tijden zijn toch echt voorbij. Turkije is zelfverzekerder dan voorheen en kan niet meer worden geïnstrueerd door andere landen.”

Die zelfverzekerdheid heeft alles te maken met Turkijes economische groei, gemiddeld zo’n zeven procent per jaar sinds de economische crisis die het land trof in 2001. Het land heeft qua omvang de zestiende economie ter wereld, en de zesde in Europa. De Turkse bevolking is groot (72 miljoen zielen) en jong; het land is een prachtige afzetmarkt voor Europese producten en kan de EU helpen aan de jonge bevolking waaraan het vergrijzende werelddeel zo’n behoefte heeft. De Turkse schrijver Ugur Ziya Simsek omschreef het zo toen hij eerder dit jaar in Amsterdam was: “Istanbul is een dravend en briesend paard, Amsterdam een voor de kachel slapende angorakat.” Waarbij Amsterdam makkelijk inwisselbaar is voor Europa, en Istanbul voor Turkije als geheel.


De AKP wordt in het algemeen omschreven als een partij ‘met roots in de politieke islam’, maar je zou haar net zo goed kunnen zien als de partij van de opkomende middenklasse in de Aziatische steden. Istanbul is met haar 16 miljoen inwoners nog altijd het economische hart van het land, maar steden als Kayseri, Gaziantep, Konya en Denizli hebben de afgelopen tien jaar economisch flink aan de weg getimmerd. De ondernemers daar zijn over het algemeen gelovige moslims, die zich niet thuisvoelen bij de traditionele Turkse partijen en zich door de AKP vertegenwoordigd voelen; de partij vertolkt hun religieuze gevoelens, maar ook hun handelsgeest. Zij verwachten veel van de EU: meer religieuze vrijheid dan het strikt seculiere Turkije hun nu biedt, en een afzetmarkt voor hun producten.

Het einde van de Koude Oorlog biedt Turkije de ruimte om zijn potentieel ten volle te benutten. In economische zin, maar ook in politieke. De landen in het Midden-Oosten zijn een afzetmarkt voor Turkse ondernemers, en die kan niet worden aangeboord als er conflicten of zelfs oorlogen sluimeren, zoals pakweg tien jaar geleden met Syrië. Illustratief: zag Turkije jaren geleden de regering in de Koerdische regio in Noord-Irak nog als beschermers van de onafhankelijkheidsbeweging PKK, deze zomer reisde minister van Buitenlandse Handel Zafer Caglayan af naar de regio met een flinke schare Anatolische ondernemers in zijn kielzog. En afgelopen voorjaar opende Turkije een consulaat in Erbil, de hoofdstad van de regio.

Ook politiek hoeft Turkije zich niets meer gelegen te laten liggen aan Koude Oorlog-sentimenten van decennia geleden, zodat het onbekommerd banden kan aanknopen met de landen van de voormalige Sovjet-Unie en met zijn regiogenoten in het Midden-Oosten. Maar niet omdat het genoeg heeft van de Europese Unie en het de tegenstanders van Turkse toetreding – met voorop de Franse president Sarkozy en de Duitse bondskanselier Merkel – rustig in hun sop wil laten gaarkoken. De liberaal Can Paker: “Turkije wil een volwaardig partner zijn van de EU, en dat betekent dat het ook concreet wil bijdragen. En dat kan het doen via zijn groeiendeinvloed in de regio.”


Paker gelooft overigens niet dat de Turkse bevolking EU-moe is. “Ooit was de steun voor EU-lidmaatschap bijna tachtig procent en nu nog maar vijftig procent, maar dat percentage is nog substantieel als je bedenkt hoe Turkije op het moment wordt behandeld.” De verwachting is bovendien dat volgend jaar de steun voor de EU weer zal groeien.

Joost Lagendijk doet er nog een schepje bovenop: “Dat Turkije nu banden aanknoopt met het Midden-Oosten, is een belangrijk onderdeel van de Turkse strategie om onmisbaar te worden voor Europa.” Lagendijk herinnert zich een gesprek dat hij daarover had met buitenlandminister Davutoglu: “De AKP-regering ziet natuurlijk dat een aantal EU-landen niet met open armen klaarstaat om Turkije te ontvangen. Dus, zei Davutoglu, moet Turkije ervoor zorgen dat de EU goeie verstandhoudingen met het Midden-Oosten cadeau krijgt als ze Turkije toelaten. Turkije omarmt het Midden-Oosten niet uit liefde, maar uit calculatie.”

En die calculatie werkt net zo goed andersom; wil Turkije zijn invloed en handelsbelangen in de regio verstevigen, dan is het zaak meer te bieden dan andere landen in de regio die hun invloed willen uitbreiden, zoals Iran. En Turkije heeft wat geen enkel (moslim)land in het Midden-Oosten heeft: sterke banden met de EU. Snijdt het die banden door, dan reduceert Turkije zichzelf tot just another country. Politiek commentator Cengiz andar wil de rol van religie echter niet helemaal uitvlakken: “Juist de AKP, met haar praktizerend-islamitische leiders, kan in het Midden-Oosten snel en gemakkelijk vooruitgang boeken.”

Terwijl Erdogans emoties de achilleshiel zijn van Turkijes buitenlandbeleid, zijn ze binnenlands juist de kracht van de AKP. De partij staat in Turkije onder grote druk en daalt flink in de peilingen. Bij de verkiezingen in 2007 stemde 47 procent van de kiezers op de partij, nu zou nog maar 35 procent dat doen. De oppositiepartij CHP, die net na liefst achttien jaar een nieuwe en populaire leider heeft, stijgt van 21 procent in 2007 naar ruim 30 procent nu.


De volgende verkiezingen zijn in de zomer van 2011, maar er komt al in september een grote test aan voor de AKP: de partij heeft een referendum uitgeschreven over een pakket grondwetswijzigingen dat Turkije sterk verdeelt. De wijzigingen zijn onder andere bedoeld om de juridische macht meer in lijn te brengen met de Europese standaarden: een teken dat de AKP wel degelijk werkt aan verdere toenadering tot Europa. In het parlement haalden ze net geen tweederde meerderheid, waardoor nu een referendum nodig is. ‘Europa’ steunt de wijzigingen, maar de Turkse oppositie ziet ze als een manier van de AKP om het juridisch apparaat onder controle te krijgen. De goedkeuring van de bevolking gaat er waarschijnlijk wel komen, maar de grote vraag is hoe trouw de aanhang van de AKP zich precies zal tonen.

De populariteit van de AKP neemt af door economische problemen – de economie groeit weliswaar, maar de werkloosheid is gestegen tot ruim boven de tien procent – maar ook door een mislukte poging de Koerdische kwestie op te lossen door Koerden meer rechten te geven. De ‘Koerdische opening’ werd in de zomer van 2009 met veel stampij aangekondigd, maar bleek concreet tot weinig te leiden. Het geweld van de PKK laaide vervolgens op, Turkse soldaten sterven inmiddels weer bij bosjes en de AKP krijgt de schuld.

Joost Lagendijk: “Het had de relatie met de EU zeker goed gedaan als de AKP de Koerdische opening meer richting had gegeven. Er kwam niets concreets uit, heel slecht. Net als de gesprekken met Armenië: ze gingen van start, maar Turkije stelde toch weer voorwaarden aan verdere gesprekken, en nu ligt de toenadering stil. De AKP maakt schijnbewegingen; ze gaan de goeie kant op, maar ze scoren niet.”


Door flink af te geven op Israël na de aanval op het hulpkonvooi naar Gaza, schroeft Erdogan zijn populariteit weer even op. Hij heeft wat te duchten van de kleine en veel religieuzere Saadet Partij, die flink wat stemmen van de AKP zou kunnen afsnoepen als de AKP zich niet af en toe van haar islamitisch-emotionele kant laat zien. Internationaal wordt het wel weer opgelost. Israël en Turkije praten alweer.

Onder druk van de Verenigde Staten. Turkije heeft er nog altijd belang bij ook díe te vriend te houden. Het is afhankelijk van Amerikaanse inlichtingen in de strijd tegen de PKK in Noord-Irak, en kan in de regio niet veel zonder de steun van de VS. Joost Lagendijk: “Eigenlijk doet de AKP dit heel slim: ze gaan nog steeds richting de EU, maar daarmee winnen ze geen stemmen. Met hun zelfverzekerde en soms emotionele politiek in de eigen regio wel.”

In juni werd er één nieuw onderhandelhoofdstuk geopend tussen Turkije en de EU: dat over voedselveiligheid. Achttien hoofdstukken worden geblokkeerd door de EU, vooral omdat Turkije weigert zijn havens open te stellen voor handel met Grieks-Cyprus. Turkije weigert dat omdat de EU haar belofte niet nakomt Turks-Cyprus directe handel met de EU toe te staan. Die belofte werd gedaan toen de Turks-Cyprioten in 2004 vóór een VN-plan stemden om het eiland te herenigen (de Grieks-Cyprioten stemden tegen). Daarna werd (Grieks-)Cyprus lid van de EU, en het land hield inlossing van de belofte tegen. Dat kon makkelijk, want Europa moest unaniem zijn in zijn steun aan het plan de Turks-Cyprioten economisch niet langer te isoleren. Maar daar komt verandering in: door het Verdrag van Lissabon is nog slechts een meerderheid van stemmen nodig. Dus als eind dit jaar of begin volgend jaar de belofte aan Noord-Cyprus weer in stemming wordt gebracht, is de kans groot dat het voorstel het haalt. Turkijes minister van Buitenlanse Zaken Davutoglu heeft beloofd dat Turkije dan zijn havens opent, waardoor er in één klap acht onderhandelhoofdstukken geopend kunnen worden.


Waarschijnlijk kan er volgend jaar vooruitgang worden geboekt in de ‘visumkwestie’. Turkije hekelt de weigering van de EU om de visumplicht voor Turken te versoepelen. De EU voert aan dat versoepeling niet kan omdat Turkijes paspoorten niet voldoende fraudebestendig zijn, omdat Turkijes buitengrenzen zo lek als een mandje zijn en Turkije niet, zoals beloofd, vluchtelingen terugneemt die via Turkije de EU binnenkomen. Maar inmiddels heeft Turkije biometrische paspoorten ingevoerd en is een hernieuwd verdrag over het terugnemen van vluchtelingen bijna uitonderhandeld. Tegelijkertijd werkt Turkije met Europese hulp hard aan het beter beveiligen van de grenzen. Dan kan de EU er waarschijnlijk niet langer omheen de visumplicht langzaamaan te versoepelen, te beginnen met visa voor zakenmensen, kunstenaars en studenten.

Fréderike Geerdink