Leven in stand-by

We leven in een tijd waarin alles ons te veel wordt, met name die voortdurend oplichtende en jankende mobieltjes. We worden immers geacht constant bereikbaar en beschikbaar te zijn voor werkgever, familie en vrienden. Dichters, filosofen en onderzoekers reiken ons niettemin een oplossing aan: de herontdekking van het nietsdoen.

De tijd vliegt. Het jaar 2010 is alweer ruim zeven maanden oud, het is vakantietijd en dus tijd voor nietsdoen. Nietsdoen is een vreemd begrip dat we eigenlijk allang niet meer kennen, maar wel aanlokkelijk vinden klinken. Toch wekt het woord ook de nodige verbazing op; is het nog wel mogelijk niets te doen in deze wereld van e-mail, smartphones en laptops en hun permanente elektronische bombardement? Is het een beetje te doen, dat nietsdoen, of kost het ons juist extra moeite?

Er zijn gemakkelijker zaken in het leven dan bewust niets te doen. Er zijn ook dringender zaken – althans, daar lijkt het op. De digitale wereld dwingt immers tot participeren. Het rode lampje van de BlackBerrylicht regelmatig en opdringerig op; als een kloppend hart gaat het aan, uit en weer aan. De suggestie dat hier de pols van het leven slaat, werkt. Berichten openen, beantwoorden en doorsturen is niet de mentale houding die bij meditatieonder maintaining the balance valt, maar wel een die eenvoudig te leren is. Het betekent bezigheid, deelname, contact en de zekerheid dat anderen aan je denken; een verplichting die alle deelnemers van het digitale spelletje zijn aangegaan.

We leven in een overhaaste tijd waarin we altijd jakkeren, non-stop aanwezig zijn en een symbiotische prikkel-responsrelatie hebben met rare, kleine apparaatjes. Ontsnappen uit het elektronische web lijkt moeilijk, haast onmogelijk zelfs. Daarom denken zoveel mensen: nietsdoen, ook dát nog! Dat de romanticus Friedrich Schlegel het nietsdoen prees als ‘de heilige stilte van de passiefheid’ waarin de mens ‘zich kan herbezinnen op zijn gehele Ik’, is iets voor later. Daar kunnen we misschien over nadenken als het mobiele netwerk het even laat afweten.


Als de mobiele telefoon zich meldt, kun je van alles verwachten. De banale boodschap dat iemand volgens planning in de trein zit en op tijd is vertrokken, en dus zoals verwacht op de afgesproken plaats aankomt, bijvoorbeeld. Maar het is evengoed mogelijk dat iemand iets van (levens)belang wil mededelen (kind ongeluk gehad, echtgenoot kwaad of baas ontevreden). De hersenen zijn er vanouds op getraind te reageren op een nieuwe gebeurtenis en worden actief als het lampje aangaat, het beloningssysteem wordt geactiveerd en er neurotransmitters vrijkomen. De oermensen waren erop geprogrammeerd op prikkels te reageren en hebben dit reactiepatroon doorgegeven aan hun nakomelingen. Zij moesten een voorbijhuppelend dier als een mogelijke maaltijd zien en oppassen dat ze niet zelf prooi werden van een dier dat op de loer lag. In een tijd van supermarkten en bedwongen wildernissen hoeven mensen niet meer zo op dieren in bomen te letten, en toch zitten ze nog steeds gevangen in biochemische processen. Pas op, het sambaritme van het mobieltje gaat af!

De ervaring dat zo’n ritme geen dodelijk gevaar vormt, helpt ook niet veel. De hersenen worden actief, de druk is aanwezig, net als in het geval van drugs. Het gaat immers om precies dezelfde zenuwbanen die ook door nicotine of cocaïne worden geprikkeld.

Het tijdschrift Wirtschaftswoche bericht over een manager die in elkaar was gezakt nadat hij zijn mobieltje had verloren. Hij onderging een soort afkickverschijnselen en moest in het ziekenhuis worden behandeld met kalmeringsmiddelen. Samen met zijn mobieltje was er ook een te groot deel van zijn leven verdwenen. Wetenschappers spreken al van ‘nomofobie’ als ziektebeeld. Nomofobie is de angst zonder mobiele telefoon verstoken te zijn van contact.


Maar nietsdoen met een mobiele telefoon op zak is nauwelijks mogelijk. Dolce far niente is onmogelijk als er steeds weer nieuwe prikkels op je af komen en je aan te veel dingen tegelijkertijd moet denken. Volgens de literatuur is nietsdoen alleen mogelijk als de gedachten in het hier en nu in alle rust kunnen afdwalen. De mobiele telefoon zorgt ervoor dat je aanwezig, maar tegelijkertijd ook afwezig bent.

‘Het lijkt alsof de muren van onze huizen membranen zijn geworden die alle berichten en nieuwtjes ongehinderd binnen laten stromen’, schrijft de Amerikaanse non-fictie schrijver William Powers in zijn boek Hamlet’s BlackBerry, waarin hij de teloorgang van het nietsdoen betreurt: ‘Het nieuws zoemt als vliegen om ons hoofd waar wij voortdurend naar grijpen.’

Bijna één op de vier Nederlandse kinderen krijgt het eerste mobieltje al wanneer ze tussen de zes en acht jaar zijn. Tegen de tijd dat een kind twaalf jaar is en naar de middelbare school gaat, behoort de mobiele telefoon in de meeste gevallen tot de standaarduitrusting. En op perrons of bij de gates op vliegvelden gebruikt bijna niemand de wachttijd om gewoon na te denken.

Volgens een studie leest zestig procent van de Amerikaanse bezitters van een mobieltje met e-mailfunctie hun berichten al ’s morgens in bed, leest 37 procent ze achter het stuur in de auto en legt tien procent het apparaat ’s nachts naast hun bed en geven ze zelfs om 3.12 uur of 4.24 uur ’s nachts nog antwoord op berichten die met een absurd riedeltje worden aangekondigd.

Uit een enqute van uitzendbureau Randstad blijkt dat iedere derde persoon op vrije dagen telefoon van zijn werk krijgt. Marktonderzoekers hebben vastgesteld dat meer dan de helft van de werknemers tijdens hun vakantie op zakelijke e-mails reageert.


Het is een leven in stand-by.

Neurologische studies tonen aan dat de mens slechts elke drie seconden nieuwe informatie kan opnemen en verwerken. Als men dus tijdens een autorit langs de nodige stop- en voorrangsborden rijdt en tegelijkertijd afspraken zit te maken, leidt dat tot een soort mentale kettingbotsing.

Opvoedkundigen klagen daarnaast dat kinderen tegenwoordig te weinig spelen. Dat terwijl het spel juist de pure vorm van het nietsdoen is. Alle kinderen beheersen het en doen het automatisch. Zelfs de dichter Friedrich Schiller, een man die tot grote prestaties in staat was, beweerde in zijn essay Brieven over de esthetische opvoeding van de mens dat hij tussen 1793 en 1795 schreef dat in de ‘drang tot spelen’ gelukzaligheid en volkomenheid samenvallen en dat het ‘esthetische spel’ de mens pas tot een ‘menselijke mens’ maakt.

Maar wie gebruikmaakt van de communicatietechniek, verandert. Hij past zijn leefritme aan de apparaten aan en merkt nauwelijks nog dat hij langzamer en minder creatief te werk gaat. Alleen al in de Verenigde Staten zouden werknemers 28 miljard arbeidsuren verdoen, omdat zij voortdurend toegeven aan afleiding. Volgens deskundigen van adviesbureau Basex kost dat bedrijven 588 miljard dollar per jaar.

Het wordt dan ook steeds moeilijker je op één bepaalde gedachte, één aspect van het leven te concentreren. De buitenwereld eist zo’n intense participatie op dat de innerlijke wereld wegkwijnt. Wie zit er te wachten op een telefoontje van mij? Die vraag is intussen belangrijker dan de vraag of je op dat moment echt wilt bellen. De eigen energiestromen gaan naar de behoeften van anderen. Om energie voor je zelf te bewaren, heb je momenten van inkeer nodig. Alleen de formulering al klinkt tegenwoordig gezapig.


Je met nietsdoen bezighouden, betekent steeds nadenken over de verhouding van het individu tot de samenleving, over de wens om erbij te horen en over de afstand die soms nodig is. Dit is niet iets dat pas aan de orde is sinds het begin van het digitale tijdperk. Het hoort bij de mens, net zo goed als de tegenstelling werk en vrije tijd en de verhouding tussen mens en machine erbij horen. Het thema nietsdoen is verbonden met alle grote menselijke thema’s en daarom hebben dichters, filosofen en onderzoekers zich er tot op de dag van vandaag telkens mee beziggehouden.

Steeds weer hebben ze in de natuur, bij de dieren en in de manier waarop het menselijk brein werkt gezocht naar het principe van het nietsdoen. Meestal was de uitkomst een lofzang op het nietsdoen.

‘Het nietsdoen schijnt het plezier, het ware geluk en een zalig leven in zich te dragen’, heeft de Griekse filosoof Aristoteles gezegd. ‘Als de mens tot rust is gekomen, kan hij iets tot stand brengen’, verklaarde de Italiaanse renaissancedichter Francesco Petrarca. ‘Het gelukkigste lot’, zei de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer, ‘is de verlossing van doen en laten.’

De oude Goethe verhief het nietsdoen tot levensprincipe. Natuurlijk was hij voortdurend in de weer met plantenkunde en stenen, maar de inzichten die dit opleverde, kwamen via een omweg terecht in zijn gedichten: ‘Op alle toppen heerst rust/in alle boomtoppen bespeur je / nauwelijks een zuchtje / (…) Wacht maar, weldra rust jij ook.’ In dit gedicht van Goethe over het ouder worden, zinspeelt hij op natuurwetenschappelijke overwegingen. Van doorslaggevende betekenis in deze regels is echter de oproep van de grote dichter dat er ten aanzien van de dood, die iedereen wacht, slechts één toestand gepast is en dat is de toestand van rust.


Zou Goethe vandaag de dag zijn Faust met een iPhone uitrusten? Ongetwijfeld zou Mephisto dan steeds weer nieuwe apps (kort voor de populaire applicaties die de iPhone kenmerken) bedenken. Faust was immers het prototype van de moderne mens avant la lettre. Hij belichaamde het hele wantrouwen van zijn schepper die, naarmate hij ouder werd, een ware cultus rond de langzaamheid ontwikkelde. In de badplaatsen die Goethe bezocht, zag men hem nadrukkelijk bedaard op en neer schrijden. Daarbij lieten zijn gedachten over de verhouding van de mens tot zijn uitvindingen Goethe geen rust. Net zo min als zijn gedachten over de zegeningen die de vooruitgang de mens had gebracht en de nadelen die er uiteindelijk toe leidden dat zij het nietsdoen verleerden. Ook in Faust gaat het om het thema ‘mens en zijn uitvindingen’. Goethe varieert het thema een aantal keren en uiteindelijk culmineert zijn houding in één zin: ‘Uiteindelijk zijn wij toch afhankelijk van de creaturen die wij zelf hebben geschapen.’

Men hoeft het niet eens te zijn met de scepsis van Goethe over de vooruitgang, maar de relatie tussen mens en machine en het gebrek aan nietsdoen dat daaruit voortvloeit, kan inderdaad worden gezien als het verhaal van een misverstand.

Duizenden jaren hebben landbouwers overal ter wereld geleefd naar het ritme van het daglicht en de seizoenen. Zaaien en oogsten, dan weer nietsdoen. Inspanning, ontspanning, inspanning, ontspanning. Tegenwoordig stellen we ons voor hoe de boeren, als er niets te doen viel, rond het vuur zaten en elkaar verhalen vertelden. Het is een beeld vol nostalgie. Al even gezellig was het leven van de jagers en verzamelaars, zoals zij in hun holen zaten als het buiten stormde, hun voorraden opaten en maar wat rondhingen omdat er toch niets te doen was.


Maar voor de jagers en verzamelaars, en ook voor de landbouwers, was het een hard bestaan omdat ze afhankelijk waren van het weer en het licht dat verdween als de avond viel. Jagen, eten zoeken, het land bewerken – het was zware lichamelijke arbeid. De uitdrukking ‘zwoegen en ploegen’ herinnert nog aan die tijd.

Toen brak het tijdperk van de industrialisatie aan. Machines namen de mensen veel werk uit handen, het elektrische licht maakte de nacht tot dag en dit alles gold als een grote stap vooruit, als een verlichting. Toch werden op precies deze manier de voorwaarden geschapen voor de 24-uurs non-stop arbeid en voor het verdringen van het nietsdoen. Elke machine was een hulpmiddel, soms misschien zelfs een bron van plezier. Maar het resultaat was niet wat de mensen wilden, namelijk 24 uur inspanning.

Door betrokkenheid van de vakbonden vanaf het midden van de twintigste eeuw hebben werknemers veel meer en vooral beter geregelde vrije tijd gekregen. Door de digitalisering is het tegenwoordig zelfs mogelijk onder werktijd het kantoor te verlaten, omdat men immers deel is van een netwerk en dus voortdurend bereikbaar via e-mail en telefoon. Men kan de kinderen ophalen bij het dagverblijf en dan ’s avonds de werktijd weer inhalen. De grenzen tussen beroeps- en privéleven vervagen. Prachtig! Een geweldige kans. Maar deze ontwikkeling wordt de mens ook noodlottig: als hij altijd en overal bereikbaar is, heeft hij geen vrije tijd meer en dus ook geen gelegenheid tot nietsdoen.

Toch ligt het probleem niet bij de machines die niemand meer kan en in elk geval ook niet meer wíl missen. Deze ontwikkeling is niet meer terug te draaien. Het probleem ligt in de houding van de mens ten opzichte van de machines en het werk in het algemeen, of beter gezegd: ten opzichte van het werkzaam zijn. Machines, smartphones en computers laten zien hoe druk de gebruiker het heeft. De samenleving respecteert de werkende mens en wantrouwt degene die niets doet.


Als er niets op het spel staat, ontdekt de mens opeens zichzelf en is hij tot veel in staat. Er zijn beroemde voorbeelden die dat illustreren. De natuurkundige Isaac Newton lag onder een appelboom, schreef zijn biograaf William Stukeley, toen er opeens een appel naar beneden kwam. Dit bracht Newton op het idee dat de hemelmechanica weleens op dezelfde wetten kon berusten die ook appels uit bomen op de grond laten vallen.

René Descartes, een zeventiende-eeuwse filosoof, studeerde bij de jezuïeten en achtte zich niet in staat vroeg op te staan. Zijn leraren gooiden emmers koud water over hem heen, maar hij sluimerde gewoon door, want hij dacht na in zijn halfslaap. Later zou deze traag-geniale man de theorie van het dualisme van lichaam en geest poneren, om zo tot de centrale uitspraak over zijn filosofie te komen: ‘Ik denk, dus ik ben.’ Denken en zijn op de grens tussen droom en dag.

De Britse filosoof Bertrand Russell schreef: ‘Zonder de klasse van nietsdoeners zouden de mensen nu nog steeds barbaren zijn.’ ‘Waarom zijn de goden goden?’ vroeg Friedrich Schlegel. Antwoord: ‘Omdat zij bewust en opzettelijk nietsdoen.’

Dichters en filosofen wisten dat het loont het nietsdoen na te streven, maar dat het moeilijk is deze toestand te bereiken. De filosoof Ernst Bloch verwondert zich ‘dat het zo gemakkelijk is om niets meer te willen doen, maar dat het ons zo moeilijk valt écht niets te doen’. Lang voor Bloch had Aristoteles al gewaarschuwd: ‘Het is dus duidelijk dat het waardige genieten van ledigheid moet worden aangeleerd.’ En de Britse schrijver Oscar Wilde was van mening dat ‘helemaal niets doen de allermoeilijkste bezigheid is, die tegelijk ook de grootste mentale inspanning vergt.’


Dat het plotselinge nietsdoen belastend kan zijn voor de mens, heeft volgens medici lichamelijke redenen. Inspanning gaat het lichaam gemakkelijker af dan ontspanning. Dat is ook weer de schuld van onze prehistorische voorouders, die in staat moesten zijn heel snel energiestromen te mobiliseren om te overleven.

De angst voor leegte en verveling schrikt de prestatiegerichte mens af. Als men de definities van de filosofen volgt, is nietsdoen heel iets anders dan luieren. Volgens hen komt verveling neer op een gebrek aan interesse, terwijl nietsdoen betekent dat men zich in alle rust en zonder doel voor ogen overgeeft aan wat plezier verschaft en interessant is.

Daarmee ligt nietsdoen dicht bij actief zijn, waardoor het begrip in het Oude Grieks dan ook meerdere betekenissen heeft: rust, maar ook studie en school.

Dichters en filosofen hebben altijd beweerd dat tijdens het nietsdoen de meest fantastische gedachtesprongen mogelijk zijn. De prestatiemaatschappij zou dus juist deze toestand moeten nastreven.

Het zou dus weleens de moeilijkste kant van het nietsdoen kunnen zijn, want nietsdoen kan men niet afdwingen. Alleen zij die zich ermee hebben beziggehouden, zijn het erover eens dat de toestand van het echte nietsdoen alleen wordt bereikt als het niet om prestaties gaat, zoals op school en tijdens de studie. De dichter Arthur Schopenhauer was van mening dat de ‘waarlijk ledige geest’ – de absolute voorwaarde om te kunnen filosoferen – ‘niet op een doel mag zijn gericht, en dus ook niet kan worden gestuurd door de wil.’

Het kan dus tot iets leiden, maar hoeft niet.


Voor de prestatiemaatschappij zou dat de echte uitdaging kunnen zijn, waarbij het gaat om iets dat niet meetbaar en niet controleerbaar is. En de prestatiemaatschappij meet en controleert graag, zoals steeds weer blijkt uit studies die het prestatievermogen onderzoeken van de moderne mens die digitaal onder vuur ligt.

De wereld van de arbeid is, net als het nietsdoen, een bereik geworden waarin niets meer kan worden berekend. Als ook heel gewone werknemers met hun notebook hun bureau vrijwel overal bij zich hebben en niet meer denken in termen van kantoortijden, dan wordt het heel moeilijk te beoordelen wanneer iemand aan hetwerk is en wanneer zijn vrije tijd begint.

Als arbeid en nietsdoen niet meer te berekenen zijn, dan wordt het tijd dat de hypermoderne mens zich bevrijdt van de tweedeling arbeid/nietsdoen. De tegenstelling tussen werk als meetbare factor en nietsdoen als onzekere factor gaat niet meer op.

Maar waarom zou dan het prestatieprincipe veel meer betekenis hebben voor de samenleving dan het principe van het nietsdoen, dat net zo min te controleren is? Voor het nietsdoen bestaat er in elk geval één maateenheid: geluk. Nietsdoen is een gevoel, en eigenlijk altijd een positief gevoel. Nietsdoen en negatieve gevoelens sluiten elkaar uit.

Iemand die een positief gevoel heeft bij wat hij doet, heeft al veel gewonnen omdat hij ervaart of het goed is wat hij doet, of net niet. Daardoor verkeert hij in een veel minder precaire situatie dan iemand die ongeremd aan de beurs speculeert of gedreven politiek bedrijft.

Dát er gevoelens nodig zijn om zinvolle gedachten te laten ontstaan, en dus ook handelingen, heeft Johann Wolfgang von Goethe zo geformuleerd: ‘Eerst gevoelens, dan gedachten / Eerst het onbeperkte, dan het beperkte.’ Dat was wat hij wilde en uiteindelijk was het een oproep aan iedereen om in alle rust actief te zijn.


‘Dit proces van het voortbrengen van gedachten uit gevoelens betekent niets minder dan de stortvloed van het overhaaste denken over de langzaam malende molens van de gevoelens en gewaarwordingen te laten stromen.’ Tot deze interpretatie van het levensprincipe van de geheimraad komt Goethe-specialist Manfred Osten in zijn boek Goethes Entdeckung der Langsamkeit.

Goethe was er het levende voorbeeld van dat men nietsdoen echt moet willen, dat het een bewuste keuze van het individu is zich in alle rust aan iets te wijden. Goethe had gemerkt hoe het leven sinds de Franse Revolutie van 1789 veel sneller was geworden. Toch koos hij tegen de tijdgeest in voor vertraging. Voor het verzamelen van stenen, in alle rust.

Nietsdoen is een kwestie van instelling en keuze. Een keuze die veel mensen in de huidige hypermoderne tijd al hebben gemaakt. De Amerikaanse schrijver William Powers, bijvoorbeeld, leeft in de Verenigde Staten en werkt voornamelijk vanuit thuis achter de pc en schrijft kritische columns over de media. Powers’ aanbeveling is regelmatig een ‘internetsabbat te nemen’. Hij, zijn vrouw en zijn zoon hebben zich pc-vrije weekends opgelegd toen ze merkten dat ze thuis nauwelijks nog bij elkaar zaten, omdat ze alleen nog maar voor hun scherm te vinden waren.

De Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen schrijft zijn boeken op een stokoude computer die maar één ding kan, namelijk tekstverwerken.

De computer die niet veel kan zou het model van de toekomst kunnen worden. Manufactum, leverancier van lifestyleproducten met een nostalgisch tintje, biedt een dergelijk model aan en verlangt er een stevige prijs voor. Een aantal hotels in de Verenigde Staten biedt ondertussen een ongestoorde vakantie aan, gegarandeerd zonder telefoon- en internetverbindingen.


Over de hele wereld bestaan er al tientallen slow cities, kleine stadjes die zich helemaal gewijd hebben aan wat met het nieuwe woord ‘onthaasting’ wordt aangeduid. Slow food is de tegenhanger geworden van fastfood. De mens heeft de langzaamheid en de verbondenheid met de natuur (her)ontdekt.

Ook langzaamheid is nog geen nietsdoen, maar kan er wel naartoe voeren. Nietsdoen heeft voor iedereen een andere betekenis. Voor de één is het pianospelen, voor de ander een wandeling. En als het nietsdoen een individuele aangelegenheid is, dan moeten ook de uitwegen uit de digitale waanzin individueel zijn.

Giacomo Casanova heeft in talloze vrijages het nietsdoen en waarschijnlijk ook de afleiding gezocht en is tot een mooie uitspraak gekomen: ‘Het leven is kostelijk, je moet het alleen aandurven je eigen leven te leiden.’

En voor het weigeren voortdurend te moeten zwichten voor eisen van buitenaf, heeft de Amerikaanse schrijver Herman Melville een literaire figuur bedacht. In de novelle Bartleby uit 1853 drijft Bartleby de notaris, voor wie hij werkt, tot vertwijfeling omdat hij steeds weer zegt: ‘Ik zou er de voorkeur aan willen geven het niet te doen.’

Susanne Beyer