Maandag wasdag

Ook in Twente hebben ze tegenwoordig wasmachines. Maar eens in het jaar wil Folkloregroep Riessen best demonstreren hoe het er vroeger aan toe ging. ‘Hennie, wil jij even je mutsje laten zien?’

Onze aardbol is rond en alom heerst op haar het woeden der geschiedenis.

Revoluties golven, tronen wankelen, kronen rollen, bommen vallen, kreten stijgen op, bloed vloeit. Maar één gemeente ken ik, die daar ligt, nog even onberoerd als op de dag der schepping: Rijssen.

Aldus begint een der mooiste novelles uit de Nederlandse literatuur, zijnde Het grote gebeuren (1958) van Herman Pieter Schönfeld Wichers, alias Belcampo. Bepaald geen Amsterdam, dat Rijssen.

Een brede gordel van heide en veen hield elk wereldberoerends buiten. Nooit plofte een bom, nooit stak een bajonet binnen Rijssens grenzen, nooit had een tijdelijke en dus valse leuze op Rijssenaren vat. Wel waren er eens wallen, maar vóór de tachtigjarige oorlog begon, had men die alweer gesloopt. “Tachenteg joar, dat doert oons vuls te lange,” zal wel een van de raadsleden gezegd hebben.

Dat is het enige smetje op dit prachtige epos over de Dag des Oordeels. Hoe kon dat raadslid van tevoren weten dat die oorlog tachtig jaar zou duren? Bovendien klopt het niet, want in 1584 hielden Engelse en Duitse huurlingen flink huis in Rijssen. Of moet je bij Echte Literatuur, net als bij beeldende kunst, gewoon geen vragen stellen?

In elk geval gebeurde er in het Rijssen van de eerste helft van de vorige eeuw hoegenaamd niets. Goed, misschien botsten er bij het in- en uitgaan van de Gereformeerde Kerk aan de Boomkamp weleens twee bejaarden op elkaar en wellicht is er ooit een deksels Rijssenaartje geweest dat met een verkeerd geplaatste bal een ruit aan gruzelementen schoot, maar voor spektakel moest je toch niet in dit deel van Nederland zijn.


Tot 1987. In dat jaar besloot de Folkloregroep Riessen voor het eerst iets te organiseren dat in Weekkrant West-Twente wordt omschreven als ‘folkloristische wasdagen’. Het zou een dag moeten zijn ‘waarop in klederdracht gehulde dames laten zien hoe er vroeger gewassen werd’. Drieëntwintig jaar later doen de dames dat nog steeds, maar de belangstelling voor het evenement verschrompelde als een in de bleek gezette plak varkenspoep op een smetteloos witte onderjurk. Vorig jaar waren er nog maar vijftig toeschouwers, liet Jennie Voortman, secretaris van de organiserende Folkloregroep, onlangs optekenen in diezelfde Weekkrant. Jennie: “Veel Rijssenaren zeggen onderhand: Dat hebben we nu wel een keer gezien.” En, tactisch: “We hebben nu bewust voor de bouwvak gelozen, omdat er dan de meeste toeristen zijn. En de maandag is ook een goede dag, omdat er dan ’s morgens markt is. Dan kunnen ze na de markt even wat eten en dan naar de wasdag gaan.”

Voorwaar, zoveel doorzettingsvermogen moest beloond worden! Op naar het streng gereformeerde Rijssen dus, tussen Holten en Almelo. Op een maandag. Op dé maandag.

Maandag wasdag.

Het evenement zou om 13.30 uur beginnen, maar toen we er om 13.00 uur arriveerden, sloeg de schrik ons om het hart. Op de plaats van bestemming, een nondescript vijvertje in een woonwijk, was het nagenoeg uitgestorven. Er vertoefde slechts een handvol eenden, dat zich luid kwakend liet fteren op stukjes brood. Maar de genereuze Rijssenaar die hun deze tractatie verschafte, maakte zich na gedane arbeid haastig uit de voeten. En zo waren we moederziel alleen – met wat tevreden naboerende eenden.


Maar ziet: op het grasveld langs het water rustte, keurig in gelid, een aantal dranghekken. Dat leek een teken dat er iets stond te gebeuren! En God zij geloofd en geprezen was dat ook zo, want toen er vanuit het niets ineens een man in een ruitjesoverhemd opdook die de hekken begon te verplaatsen, wisten we dat we niet voor niets naar Rijssen waren afgereisd.

Henk Voortman heette de nijvere sjouwer, en nee, hij was niet van de organisatie. “Dat is mijn vrouw. Ik mag helpen.”

En bij die laatste zin krulde één van zijn mondhoeken omhoog.

Hoeveel wassende vrouwen we konden verwachten, wilden we van hem weten. “Niet veel,” antwoordde hij. “Een stuk of vier, vijf.”

Kort daarop meldde zich, zwijgend, een tweede man die zich met het neerzetten van de hekken onledig ging houden. En terwijl zich achter die barrière drie, we mogen niet jokken, vier kinderen verzamelden, verscheen uit oostelijke richting nog een derde man, op een fiets. Om zijn schouder hing een tas met fotoapparatuur.

“Hé,” zei de man op de fiets tegen de man met het ruitjesoverhemd.

“Ho,” zei de man met het ruitjesoverhemd tegen de man op de fiets.

De fietser stelde zich aan ons voor door een visitekaartje te overhandigen. ‘Video Productie Rijssen’ stond erop. “Is als hobby begonnen,” zei de man, die Jan Nijkamp bleek te heten. “Nou ja, ’t is nóg een hobby, hoor.” Maar dat vermoedden we al.

Jan Nijkamp schroefde de poten van zijn statief los en zei: “Echt wel leuk om te zien hoor, veertig of vijftig van die oude vrouwtjes die hier aan de gang gaan.”

Vijftig?? We besloten de prognose van de man met het ruitjesoverhemd wijselijk voor ons te houden.


“Jennie, die twee daar zijn van HP/De Tiedt,” hoorden we de man met het ruitjesoverhemd zeggen tegen een vrouw in klederdracht die het beeld in kwam lopen.

Jennie Voortman, secretaris van de Folkloregroep, organisatrice van de wasdag en echtgenote van de man met het ruitjesoverhemd, greep meteen de gelegenheid aan om haar verhaal te doen. De Folkloregroep zit met een enorm ledentekort. “Er zijn drie, vier dames die de kar moeten trekken. Of eh, in principe trek ik de kar alleen.”

Jennie wees op een tweede dame, die steunend op een rollator het grasveld betrad. “Die kan ’t niet meer,” zei ze.

Even wilden we een grap maken over ‘de kar duwen’, maar dat leek ons niet gepast. Want Jennie zat er echt vreselijk mee. “Dit zou weleens de laatste wasdag kunnen zijn. Ik trek de kar gewoon niet meer! Alles moet ook maar voor nop, meneer. Ik sta hier straks uitleg te geven door een microfoon met een draad. Heel onpraktisch, maar we hebben gewoon geen geld voor een draadloze. Dat ding dat we nu hebben is al meer dan twintig jaar oud!”

De wasdag van Folkloregroep Riessen, een club die een uitwisselingsverband heeft met vergelijkbare verenigingen in Schagen, Spakenburg, Oldenbroek, Kruiningen en Nunspeet, hoopt vurig dat tenminste de wasdemonstratie kan blijven bestaan. Ze hebben al zo veel tegenslag gehad. Jennie: “We hebben eens traditioneel rogge gemaaid, daar kwam helemaal níemand op af! Daar zijn we dus ook maar mee gestopt.”

Zuchtend: “Ik mag het niet zeggen, maar ik doe eigenlijk alles zelf. Ik ga achter de vergunning aan, ik regel de hekken… Is ook al jaren hetzelfde aantal: twintig. Kijk, je kunt het wel zonder doen, maar dan gaat het mis. Als er geen hekken zijn en er komen veel mensen, dan gaan ze op het wasgoed staan. En dat is niet de bedoeling.”


“Vroeger was dit een natuurlijk watertje,” zei de man met het ruitjesoverhemd, wijzend op het bruine nat waaruit de eenden zich inmiddels discreet hadden teruggetrokken. Of hadden die beesten het na al die jaren ook wel gezien? “Ooit zat verderop een bron en kon je écht de was doen in dit water. Nu niet meer. Dat wassen doen ze thuis. Een wasdemonstratie, zegt u? Ja, zo staat het altijd in de krant. Maar dat is niet zo, ze komen de was hier alleen maar bleken. Het is dus eigenlijk een bleekdemonstratie.”

“De was gaat in de fornuispot,” mengde de dame met de rollator zich in het gesprek. “En dan flink opstoken.”

Dika ten Berge heette ze, 76 jaar oud. “Ik ben hier geboren, heb hier schaatsen geleerd, zwemmen geleerd… Als er een kind in het water viel, dan moest je ’t eruit halen. Ik heb van alles meegemaakt hier. Veel gewassen ook. Als kind lag ik gewoon op m’n buik op de brug te spoelen! Ik was de oudste van tien en ik moest…”

Maar daar hadden we nu even geen tijd voor. De bleektroepen waren in aantocht! Vier oudere dames en een meisje schaarden zich rond Jennie en Dika. Ze hadden een wasmand van grove wilgentenen bij zich en drie kruiwagens. Het publiek, toch zo’n zeventig koppen sterk, zette zich schrap achter de hekken. Het kon nu niet lang meer duren.

De bleekploeg legde een tiental kledingstukken op het gras. Jennie pakte een stok met een klomp eraan, hield die boven het bruine vijvertje, haalde ‘m naar achteren en… sloeg vol op het water! En nog een keer – en nog een keer. Furieus, als iemand die voor het eerst op de golfbaan staat en alleen maar gras verplaatst. In dit geval vloog er water door de lucht, dat druppel voor druppel werd verspreid over de kledij die aan de kant lag.


“Het koninkrijk van de hemel lijkt op zuurdesem die door een vrouw met drie zakken meel werd vermengd tot alle meel doordesemd was,” hadden we eens in de Bijbel gelezen (Matteüs 13:33), maar over een vrouw die slootwater uitstort over de uitgevouwen hemden en broeken, zwijgt het Boek der Boeken.

“Get, wat stinkt dat water toch!” riep Jennie.

“Je moet óver het water heen slaan,” vertrouwde ze ons even later en petit comité toe. “Met elke slag neem je water mee – en dat komt dan op het wasgoed terecht.”

Nog een kijkje in de keuken. “We hebben het wasgoed neergelegd met het zeepsop er al in. En straks krijgen we het ummekeern; dan ligt de andere kant van het wasgoed omhoog om te bleken.”

Dat klonk zo simpel dat we verwoed op zoek gingen naar de diepere betekenis. Die er niet bleek te zijn. Alles was zoals het was, in Rijssen.

Jennie pakte de meer dan twintig jaar oude microfoon en sprak de toeschouwers toe. “Dit wasgoed moeten we thuis helemaal uitwassen, want het water is hier tegenwoordig hartstikke vies. Soms grijp je gewoon in de eendenpoep.”

Als een volleerd ladyspeaker begeleidde ze vervolgens de rest van de Folkloregroep, die langs de hekken paradeerde om het publiek een goede blik te gunnen op de authentieke Rijssense klederdracht waarin ze zich hadden gehuld. “En als de dames nu even de naadzak willen laten zien…”

De onderkant van de rok, zo leerden we, was voorzien van een bezemband, ‘een soort stootrand’. Jennie: “Het is als het ware een borsteltje. Handig als je de vloer wilt vegen; je hoeft gewoon maar even door de knieën te gaan. Grapje.”

De dames van de Folkloregroep droegen een ‘kaapje’ met daaronder een ‘slaapmutsje’. We voelden hem al aankomen.


“Hennie, wil jij even je mutsje laten zien?”

“Wij doen dit voor noppes,” sprak Jennie nog maar weer eens. “Maar we verkopen wel ansichtkaarten. Vier verschillende, voor 50 eurocent per stuk!”

Tot zover het reclameblok.

Jennie droeg tipklompen, zei ze. “Typische Twentse tipklompen. Het heeft me twintig jaar gekost voor ik dat hardop kon uitspreken.” Ons lukte het al na één keer. Soms heeft wonen in de Randstad z’n voordelen.

Terwijl de dames de gebleekte was opnieuw met stinkend water besprenkelden (“Het bleken is nog niet gelukt!”), verhaalde Jennie met luide stem over vroeger, toen de Rijssenaren het niet zo nauw namen met de hygiëne. “Als iemand iets aan de voet had en daarmee naar de dokter moest, waste hij maar één voet. Bij de dokter trok hij dan ook maar één sok uit.” En: “Vroeger ging je je niet meer dan één keer per week verscheunen. Want als je twaalf kinderen had, dan had je een was, hoor! Dat paste echt niet allemaal in de fornuispot! Dus dan zei moeder weleens: Doe je onderbroek maar binnenstebuiten, dan kun je ‘m nóg een week aan!”

Het was dus waarschijnlijk niet, zoals Belcampo schreef, een brede gordel van heide en veen die elk wereldberoerends buiten hield. Vermoedelijk was het gewoon de lucht van ongewassen Rijssenaren. Het grote geuren, zogezegd.

Michiel Blijboom