Dé stad

Elk land heeft één grote stad die ertoe doet, waar iedereen die vooruit wil in het leven naartoe wil. In Nederland is dat Amsterdam – of ze dat in Rotterdam of Utrecht nu leuk vinden of niet.

Volgens internationale bevolkingsstatistieken woonden er in 2009 voor het eerst meer mensen in steden dan op het platteland. Op alle continenten is dezelfde trend aan de gang: een trek van het platteland naar de stad. Overal groeien de metropolen. Het Chinese Shanghai telt al 20 miljoen inwoners. De trend is maar al te begrijpelijk. Zolang als de tegenstelling stad-platteland bestaat, wordt het één met vooruitgang geassocieerd en het ander met stilstand. Oftewel: modern versus ouderwets, dynamisch versus ingeslapen. Op het platteland ligt het ritme van het dagelijkse leven vast en moet je je voegen naar de ingesleten patronen van wat gebruikelijk is. Wie de lotsverbetering van meer inkomen zoekt, doet er het beste aan een kansje te wagen in de jungle van de grote stad.

Wat voor derdewereldlanden geldt, gaat in verzwakte vorm ook op voor westerse landen. Weliswaar heerst er geen honger of snerpende armoe in de provincie, maar wie iets meer van zijn leven wil maken zal toch naar de stad moeten, al was het maar om een opleiding te volgen. Dus raakt het platteland van verschillende Europese landen (en in Amerikaanse staten) in snel tempo vergrijsd en ontvolkt. Sommige jongeren keren na voltooiing van hun opleiding terug naar hun geboortestreek, maar dat zijn er altijd minder dan er vertrokken. Een grootstedelijke omgeving biedt niet alleen een rijk geschakeerd opleidingspalet, maar ook meer kans op werk.

Per land is er meestal maar één stad die ertoe doet. In Nederland is dat Amsterdam. In Frankrijk is Parijs zonder twijfel dé stad, in Duitsland Berlijn, in Italië Rome. Hoewel de Schotten er anders over zullen denken, is Londen toch dé stad van Groot-Brittannië. Meestal is die stad meteen ook de hoofdstad van het land, maar niet altijd. Zo meen ik dat in België niet Brussel maar Antwerpen dé stad is, en in Turkije niet Ankara maar Istanboel. In Amerika heb je New York, Washington en Los Angeles, maar Washington is eigenlijk een soort Den Haag: de regering zit er en dan heb je het wel zo’n beetje gehad. New York en Los Angeles zijn allebei dé stad, maar Amerika is zo groot dat het met gemak aanspraak kan maken op twee steden die ertoe doen. Hetzelfde is in Rusland aan de hand. Moskou en Sint-Petersburg zijn allebei geweldenaren als steden, waarbij Sint-Petersburg net als Los Angeles wat frivoler en trendyer is dan Moskou respectievelijk New York.


De grootte van de stad is van ondergeschikt belang. Op mondiaal niveau is Amsterdam met z’n 800.000 inwoners een minuscuul stadje, meer een dorp eigenlijk, maar Reykjavik telt er slechts 150.000 en zal evengoed door sommige IJslandse plattelandsbewoners voor een poel des verderfs worden gehouden. Het aanzien van de grote stad is altijd dubbelhartig. Enerzijds moet je erheen om fortuin te maken, anderzijds kun je er heviger dan elders volstrekt in de goot belanden.

Een stad die ertoe doet, oefent meer dan andere steden in een land aantrekkingskracht uit op jonge mensen. Zelf wilde ik na mijn eindexamen heel graag in Amsterdam gaan studeren. In die tijd (1971) had zich net de Maagdenhuisbezetting afgespeeld en was Roel van Duijn met zijn Kabouterpartij bezig om Oranjevrijstaat op te richten. Dat vond ik allemaal reuze interessant, en ik had daar graag met mijn neus bovenop gezeten. Maar mijn moeder had haar bedenkingen tegen die ‘losgeslagen bende woestelingen’ voor een naïeve zeventienjarige, en dirigeerde mij met zachte hand naar het provinciale Leiden om te gaan studeren en wonen. Aldaar ging het er minstens even wild aan toe als in de grote stad (het waren tenslotte de jaren zeventig), Leiden had alleen de naam niet.

Het verschil in dagelijks leven tussen grote en kleinere steden binnen een gegeven cultuur stelt nauwelijks wat voor. In de jaren zeventig werden in alle universiteitssteden bezettingen gehouden, werd overal geëxperimenteerd met communes en drugs, geflirt met het marxisme en de macrobiotiek. In deze tijd maakt het nog veel minder uit in welke woonplaats je laptop staat. Toch blijft het onderscheid tussen ‘dé stad’ en alle andere steden plus de provincie onverminderd van kracht. ‘Amsterdam heeft het’ luidde vroeger de slogan, op een gegeven ogenblik vervangen door de veel minder tot de verbeelding sprekende woordspeling ‘I Amsterdam’. Nog steeds is Amsterdam de enige stad die ertoe doet in Nederland. Zijn er soms tieners in gehuchten in Twente of de Peel die dromen van een groots en meeslepend leven in Utrecht of Den Haag? Niet uitgesloten dat ze daar later terechtkomen en het prima naar hun zin krijgen; maar zolang ze nog dromen, dromen ze van Amsterdam, omdat er maar één stad de swingendste kan zijn. En dat is niet Utrecht of Leiden, niet Maastricht of Leeuwarden en ook zeker niet Rotterdam.


Tieners op zolderkamertjes in provinciale nieuwbouwwijken dromen niet van Rotterdam, omdat daar niets gebeurt wat de moeite waard is, in hun ogen tenminste. Ook al wordt via internet alles in een oogwenk verspreid en al hoef je je huis in Apeldoorn niet uit om kennis te nemen van de laatste trends – als je wat wil meemaken moet je naar Amsterdam. Daar woedden de krakersoorlogen met de politie, daar vinden de jaarlijkse Gay Pride en het Boekenbal plaats, dat is de biotoop van de intellectuele en culturele elite, de artistieke voorhoede en mensen die in de media werken. Tezamen worden deze categorieën ook wel als grachtengordel aangeduid, een lichtelijk misleidende term, omdat intellectuelen en kunstenaars meestal niet genoeg geld verdienen voor kapitale grachtenpanden. Maar alla, Amsterdam-Zuid en de grachtengordel is natuurlijk één pot nat en liggen op maar vijf minuten fietsen van elkaar.

In Amsterdam klontert alles samen wat met cultuur en media te maken heeft. Alle belangrijke uitgevers zitten er, alle belangrijke weekbladen, de meeste landelijke dagbladen (op NRC Handelsblad na). De stad biedt de meeste keus aan kledingwinkels, poppodia, musea, galeries, theater, muziek en cabaret. En niet te vergeten een dagelijks aanbod van openingen, vernissages, boekpresentaties, (film)premières en als debat vermomde gezellige avondjes waar de elite en zij die daartoe aspireren elkaar tegenkomen. Twee universiteiten en heel veel hbo-opleidingen zorgen voor een constante aanvoer van jongeren uit het hele land.

Zolang de culturele elite daar samenklontert, zal Amsterdam zijn magneetfunctie behouden. Je kunt twisten over het belang van de typisch Amsterdamse specialisatie in intellectuele opinievorming (the chattering classes), broedplaatskunst, televisieroem of het toeristische trekpleisterschap. Je zou ook kunnen volhouden dat bijvoorbeeld Rotterdam de enige stad is die ertoe doet, omdat men daar tenminste de handen uit de mouwen steekt en niet z’n tijd verdoet met gladde praatjes voor de vaak zoals in het zelfingenomen Amsterdam.


Wat me op mijn laatste criterium brengt voor de vaststelling welke stad in een land dé stad is: het is altijd de stad waarvan de rest van het land zegt dat de bewoners ervan zo arrogant zijn. Dat wordt gezegd van de inwoners van New York, Parijs, Londen, Rome enzovoort. En dus ook van Amsterdammers. Of deze aantijging hout snijdt, kan ik als inmiddels ook ingezetene niet zuiver beoordelen, dus herhaal ik maar de reactie van andere Amsterdammers: ’t Is gewoon de kift.

Beatrijs Ritsema