‘Even flink zijn, dat kan ik goed’

Bij het Volkskrant magazine werd ze in eerste instantie met de nek aangekeken, en ook toen ze hoofdredacteur werd van Het Parool trokken mensen hun wenkbrauwen op. Te blond, te licht, te vrouw. Inmiddels heeft ze zichzelf ruimschoots bewezen. ‘Ik zit er niet om aardig te zijn, maar om een betere krant te maken.’

Wat vindt de hoofdredacteur van Het Parool van onze nieuwe burgemeester?

“Een heel goede keus. Niets op aan te merken. Maar ik ben bevooroordeeld, want Eberhard heeft een paar jaar in de Stichting Het Parool gezeten. Het is een buitengewoon geïnteresseerde, aimabele man.”

Had u iets met Job Cohen?

“Cohen is erg statig. Eberhard is toegankelijker.”

En u mag Eberhard zeggen.

“Ja, maar ik mocht ook Job zeggen, haha. Hoe dan ook, bij Eberhard is de drempel lager. We hebben laatst nog tegen elkaar gezegd dat wij allebei de leukste baan van Nederland hebben. We hebben veel raakvlakken omdat we allebei zo met de stad bezig zijn.”

Boeit de stad u meer sinds u deze baan heeft?

“Jaaaa. Ik kijk er heel anders naar. Als je niet bij Het Parool werkt, beperk je je tot je eigen leefomgeving, de buurt waar je woont en werkt. Nu zie ik wat er in Noord en Nieuw-West gebeurt. Af en toe fiets ik daar voor m’n lol ook even doorheen. De hele stad interesseert me.”

Ook de lullige gemeenteraadsruzietjes of het feit dat er een stoep ergens opengebroken ligt?

“O ja, juist heerlijk. Een verhaal over een fietspad dat door een weiland van een boer moet en de boer die dat jarenlang traineert. Geweldig!”.

Denkt u dan niet: ‘Wat een getut’?

“Nee, ik hou erg van kleinmenselijke verhalen.”

Hobbelt u verplicht van receptie naar lintjesknipsessie?

“Ik krijg elke week inderdaad een enorme stapel uitnodigingen. Heel leuk, maar het kost ook veel tijd. Het komt allemaal naast en bovenop de baan. En dat terwijl het belangrijkste van mijn functie is dat ik altijd op de krant ben.”


Veel hoofdredacteuren zie je anders zelden op de redactie.

“Dat vind ik niet goed. Natuurlijk heb ik wel eens een lunch, maar bij voorkeur ben ik de hele dag bij Het Parool.”

Heeft u het krantenmaken inmiddels in uw vingers?

“Ja, al zit adjunct Frank Poorthuis doorgaans aan de middentafel, waar de krant echt wordt gemaakt. Frank en ik bedenken iedere ochtend samen de voorpagina; de rest van het handwerk doet hij met de chef en de artdirector. Maar nu hij met vakantie is, doe ik het.”

Zien we dan een andere krant?

“Nee, dat denk ik niet. Wij zitten op één lijn. Al was dat in het begin natuurlijk wel even zoeken. Ik heb toen ik er net was een bescheiden restylinkje doorgevoerd en toen hebben we samen bepaald wat we wilden. Zo hebben we er bewust voor gekozen om altijd iets over Amsterdam op de één te zetten. Voorheen was dat niet zo.”

Volgens critici hebt u van Het Parool een Viva voor veertigers gemaakt. Er staat veel meer in over mode, kunst en kinderen dan voorheen.

“Het kunst- en stijlkatern waren er al voor mijn komst, hoor. Hoewel… kunst is misschien wel een belangrijkere pijler geworden. Maar is dat vrouwelijk?”

Het onderwerp kinderen volgens velen wel.

“Ja, maar PS Kind is bedacht door een man. Daar was ik zelf niet opgekomen. En als ik het al had verzonnen, had ik het beslist niet meteen voorgesteld. Ik kende het vooroordeel over mij: Barbara, tijdschriften-achtergrond, vrouw. Dan ga je natuurlijk niet meteen over kinderen beginnen.”

Hebt u zelf nooit getwijfeld aan uw eigen kunnen?


“Nee, want anders had ik het niet gedaan.”

Echt niet? U lijkt me iemand die zich overal doorheen bluft.

“O nee, helemaal niet. Ik ben gewoon een noeste, harde werker. Toen de vacature voor hoofdredacteur van Het Parool verscheen, zei Matthijs van Nieuwkerk: ‘Is dat niets voor jou?’ Maar ik dacht me-teen: ‘Nee joh, daar word ik natuurlijk nooit aangenomen’. Toen ik vervolgens door de krant werd benaderd, sprong ik een gat in de lucht en twijfelde ik er niet aan dat ik het zou kunnen.”

Dat kan ook duiden op een gevalletje zelfoverschatting.

“Nee, want ik ken mijn eigen tekortkomingen heel goed. Omdat ik geen dagbladervaring had, wist ik dat ik moest zorgen voor een heel goeie adjunct. En Frank is echt een krantenbeest.”

Wat zijn andere tekortkomingen van u?

“Ik wil vaak te snel. Als ik een idee heb, denk ik meteen: Dat is mooi, gaan we doen! Dat heb ik de afgelopen jaren bij Het Parool wel een beetje afgeleerd. Ik ga vaak voorbij aan het feit dat je zo’n idee ook moet voorleggen aan andere mensen, dat je het soms in de week moet leggen en mensen ook nog eens de tijd moeten geven om er aan te wennen.”

Hebt u daar bij Het Parool ook last van? Bij een mammoettanker als de Volkskrant kan ik het me eerder voorstellen.

“Dingen gaan bij Het Parool wel veel sneller. En het helpt natuurlijk erg dat ik de hoofdredacteur ben, haha. Bij de Volkskrant was ik chef en moest ik overleggen met een vijfkoppige hoofdredactie. Dat was pas echt looiig. Maar het blijft mijn valkuil dat ik altijd te snel wil.”

Wanneer is u dat bij Het Parool gebeurd?


“Bij de voorgenomen beëindiging van de dagelijkse cartoon van Joep Bertrams. Ik denk nog steeds dat het heel legitiem is om tegen iemand te zeggen dat het tijd wordt voor iets anders. Maar de manier waarop ik dat toen heb gedaan, was niet goed. Ik had het proces van afscheid zorgvuldiger in moeten gaan.”

Wat moet ik daar onder verstaan?

“Zoiets is gewoon ingewikkeld. Je kunt op de redactie ook niet aan iedereen gaan vragen wat-ie ervan vindt dat je van plan bent te stoppen met iemand. Het moet geen polderen worden. Maar ik heb Joep er nu te veel mee overvallen, het had rustiger en zorgvuldiger gemoeten.”

Na een storm van protest heeft u uw beslissing teruggedraaid. Heeft u daarbij geen gezichtsverlies geleden?

“Sommige mensen riepen inderdaad: ‘Barbara gaat door het stof.’ Moeten ze maar lekker vinden, dat vind ik niet erg. Overigens wil het feit dat ik mijn beslissing heb teruggedraaid niet zeggen dat dat voor eeuwig is…”

Zie ik hier een terugtrekkende beweging?

Lacht. “We zullen zien. Het is absoluut niet zo dat de tekeningen van Joep mij een doorn in het oog zijn. Maar soms moet je je afvragen of het niet tijd wordt voor iets anders.”

Toen u net bij Het Parool begon, heeft u gezegd dat u wilde dat het weer een echte auteurskrant zou worden. A.F.Th. en Robert Vuijsje kregen een column, maar die zijn allebei weer weg.

“A.F.Th. is er zelf mee gestopt. En Robert heeft het een jaar gedaan. Ik vind het altijd zo’n raar misverstand dat een columnist alleen maar geslaagd is als-ie jarenlang blijft.”

Omdat je dan meer institutionaliseert. Carmiggelt heeft zijn column ook jaren gehad.


“Maar niet iedereen is Carmiggelt.”

Je loopt het risico dat het allemaal erg vluchtig en hijgerig wordt als je steeds nieuwe gezichten aantrekt.

“Het is mijn taak te voorkomen dat het een zap-krant wordt, dat klopt. Maar tegenover Theodor Holman of Kees Tamboerdie al héél lang een column hebben, kun je best op een andere plek in de krant wat speelser omgaan met de ingrediënten. Dat moet je ook doen. De allerbelangrijkste functie van een hoofdredacteur is dat je zorgt dat de krant continu in beweging is. Als je dat niet goed doet, moet je om de vijf jaar restylen. Alles wordt sleets. Je moet doorlopend opletten of de krant nog fris en spannend is.”

Wat beschouwt u als uw belangrijkste journalistieke wapenfeit bij de krant?

“Mijn voorgangers waren er al mee begonnen, maar ik denk dat we inmiddels de slag hebben gemaakt naar de ultieme stadskrant. Dat was lastig, want men was daar bij Het Parool altijd een beetje bang voor. Voor je het weet maak je het Amsterdamse sufferdje. Toch durfden we echt de keuze voor Amsterdam te maken, en dat heeft goed uitgepakt. Landelijk nieuws kun je ook op nu.nl lezen, maar voor Amsterdams nieuws moet je bij ons zijn. Of bij AT5. Maar daar hebben ze een groot gebrek aan geld, en dat kun je momenteel helaas ook wel zien.”

Hoe vonden jullie het bij Het Parool toen de Volkskrant ook op tabloidformaat ging?

“Het is een enorme verbetering, maar om de thema’s van katern 2 hebben wij op de redactie echt zitten schuddebuiken van het lachen. Die zijn exact hetzelfde als de onze. Hoe kun je zo schaamteloos kopiëren?”

Vond u dat echt grappig?


“Ja joh. Ik ben niet zo bang voor concurrentie. Ik heb in mijn kamer altijd een groot whiteboard hangen waar de plannen voor de komende weken op staan. Ik ben nogal geordend, dus ik houd van dat overzicht. Maar wij werken in een glazen gebouw en veel mensen waarschuwen mij: ‘Als de collega’s van de Volkskrant en Trouw langs lopen, kunnen ze gewoon zien wat je gaat maken en het nadoen!’ Ja, en? Dan moeten ze dat vooral doen. Daar houd ik me niet mee bezig. Bij de Volkskrant hadden wij op maandagochtend altijd een vergadering waarin we de zaterdagkrant bespraken. Dan ging het alleen maar over dingen als ‘Wat had de NRC? Wat had De Telegraaf? En waarom hadden wij dat niet?’ Hou toch op, bekijk jezelf gewoon kritisch.”

Waar krijgt u stress van?

“Van tijdgebrek. Mijn agenda is af en toe echt dramatisch. Als ik met vrienden een eetafspraak wil maken, kan ik die pas half oktober inplannen. Dat vind ik zo lullig, zeker tegenover die vrienden. Alsof ik zo belangrijk ben, pffft. Maar goed stress… ik ben niet zo stressgevoelig. Dat zou ik pas worden als onze oplage zou dalen. Daar zou ik meteen van wakker liggen.”

U blijft zo blij. Uw collega-hoofdredacteuren maken allemaal een veel tobbiger indruk dan u.

“Ja, maar die hebben ook dalende oplages, hahaha. Ah nee, dat is flauw. Ach weet je, het is een generatieverschil. Toen ik drie jaar geleden bij het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren kwam, voelde ik me echt zo’n snotneus.”

Dat genootschap is ook wel een vrij geriatrische toestand, toch?

“Ik was inderdaad verreweg de jongste. En onervaren. En vrouw. Zat ik daar tussen al die statige mannen van boven middelbare leeftijd. Maar binnen drie jaar is er veel veranderd. De hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant is begin veertig, Philippe Remarque van de Volkskrant ook, bij nrc.next komt Rob Wijnberg die heel jong is. Er is een ander type hoofdredacteur opgestaan.”


En die zijn wat opgewekter?

“Dat denk ik wel. De vorige generatie heeft in de loop der jaren het hele medialandschap zien veranderen. Pieter Broertjes van de Volkskrant heeft meegemaakt dat de advertentieafdeling op de Wibaut-straat de ramen dicht moest houden, want de advertenties vlógen naar binnen. En toen ging het opeens allemaal moeizamer, liep de oplage terug en ga maar door. Mijn generatie is daar al mee opgegroeid.”

Kunt u hard zijn?

“Tuurlijk. Al ben ik niet zo’n iron lady als sommige mensen van me schijnen te denken. Maar ik kan hard zijn omdat ik altijd het grotere belang zie. Dus als ik iemand moet ontslaan, kan ik dat doen omdat ik weet dat het goed is voor de krant. Ik zit er niet om aardig gevonden worden, maar om de krant beter te maken. Dat ik ervan wakker lig, mensen boos op me worden, ruzie met me maken, dat doet er allemaal niet toe; het gaat om het resultaat. Dat heb ik altijd in mijn hoofd gehad, ook toen ik al vrij jong leidinggevende was. Even flink zijn, dat kan ik goed.”

Bent u statusgevoelig?

“Nee. Grappig genoeg waren mijn ouders allebei leidinggevende: mijn vader directeur van een heel groot revalidatiecentrum en mijn moeder burgemeester van Terschelling. Ik dacht altijd: ik ga één ding niet doen en dat is leidinggeven. Al dat gedoe en die zware verantwoordelijkheden. Maar ik had zelf vaak aanvaringen met mijn bazen. Dat was een zich herhalend patroon. Ik dacht dat ik het beter wist, het was gewoon wijsneuzerigheid. Toen ik uiteindelijk zelf ging leidinggeven had ik het in één keer veel makkelijker. Tja, het bloed kruipt… Maar om nou te zeggen dat ik er status aan ontleen, nee. Ik was liever een heel goed schrijvend journalist geworden of een fantastische artdirector. Iemand met talent. Leidinggeven vind ik niet echt een talent. Maar ja, het is altijd wel goed gegaan en ik werd steeds weer gevraagd.”


Bij het modeblad AvantGarde moest u anders weg.

“Ja, maar niet omdat ik het niet goed gedaan had; ik had de oplage verdubbeld. Er zat gewoon een directeur die iets tegen mij had. Daar begrijp ik tot op de dag van vandaag niets van. De rechtszaak daarover heb ik overigens glansrijk gewonnen.”

Wat beschouwt u zelf als de lastigste periode uit uw carrière?

“Carrière? Eh, o ja. Nou, ik heb het een paar keer moeilijk gehad. Het naarste was dat ik bij het Volkskrant magazine kwam en dat de voltallige redactie mij niet wilde. Het is heel onprettig als je zo enorm onwelkom bent. Ik moest iedere ochtend even diep ademhalen voor ik daar weer naar toe fietste. Mensen weigerden tegen me te praten.”

U werd toen omschreven als ‘een lomschoolonderwijzeres in macramé’. Heeft u nooit gedacht: jongens, stik er maar in?

“Nee. Dit soort verwoordingen zijn wel pijnlijk, maar niet zo erg als je weet dat ze nergens op gebaseerd zijn. Ze kenden mij niet, dachten alleen maar: die is te blond en te licht.”

Heeft u echt nooit gedacht: misschien ben ik te licht als hoofdredacteur van Het Parool

“Néé. Ik wist zeker dat ik het kon. Bovendien had ik zeven gesprekken gevoerd in de sollicitatieronde. De hele hoofdredactie had vertrouwen in me. Ach, en toen het magazine een succes werd, werden alle redacteuren ook langzaam mijn beste vrienden… Zo gaat dat. Gelukkig ben ik totaal niet rancuneus en héél vergevingsgezind.”

Roos Schlikker