Het gein-gen van de Mokumer

Elke import-hoofdstedeling wordt er aan blootgesteld: ‘typisch Amsterdamse’ humor. Meestal is het een twijfelachtig genoegen. Enig mededogen met de geinponem is echter op zijn plaats; hij kán simpelweg niet anders. ‘Zoek je het Anne Frankhuis? Anne is niet thuis, hoor!’

Het is zaterdagmiddag en dus is er markt op de Lindengracht in de Jordaan. Een studente, nieuw in de buurt, heeft net voor vijftig cent een komkommer gekocht bij de groentekraam. De marktkoopman, type marktkoopman: “Schat, je ken hem altijd komme ruile, hoor.” Het meisje kijkt hem niet-begrijpend aan. Wat moet er in hemelsnaam mis zijn met een komkommer dat je hem zou willen ruilen? De koopman, met een knikje naar de langwerpige groene vrucht: “As-ie nie past.” Knipoog, grinnik, blosjes op de wangen: “Geintje, schat!” En een gulle lach van de marktkoopman.

Ach ja, die typische Amsterdamse humor, plaatselijk dus beter bekend als ‘gein’. We horen het steeds minder, met dank aan het wegtrekken van een groot deel van de echte Amsterdammers naar randgemeenten als Purmerend, Diemen en Almere. Maar her en der in de stad zijn er nog bastions waar de gein hoog in het vaandel staat. Op de dagmarkten, in de koffiehuizen, de kroegen waar André Hazes wordt gedraaid om niet-ironische redenen. Dat zijn de plekken waar de ‘moordgozers’ in gevatheid opbieden tegen de ‘wereldwijven’. En die gevatheid, dat is meteen het meest opvallende kenmerk van de Amsterdamse gein. Ik heb Freek de Jonge weleens horen zeggen dat de Amsterdammer altijd bereid is om op straat een grap tegen je te maken, bij voorkeur over iets dat je op dat moment in je handen hebt. Een treffende observatie van de oude cabaretier, waarbij echter de term ‘grap’ niet al te strikt gehanteerd moet worden.

Zo moest ik in mijn studententijd eens een nogal groot uitgevallen ladder transporteren door de stad. Het was een warme zomerdag en ik was helaas te voet. Nog helazer: de kortste route liep door de Jordaan. Als de terrasjes vol zitten met vroege drinkers, dan kom je daar flink aan de beurt. Of ik het ‘hogerop ging zoeken’, of ik misschien ‘een trap wou’. En dan mekaar aanstoten om te verifiëren of iedereen de grap wel goed begrepen heeft. Vanuit een passerende auto klonk slechts de kreet “Hé, Toon!” – een tijdje later pas wist ik de connectie Toon-ladder te maken. Diezelfde dag moest er ook nog een toiletpot getransporteerd worden. Toen heb ik maar een vriend met een auto gebeld. Anders had ik ongetwijfeld meermaals te horen gekregen dat ik een pleefiguur was dan wel de pot op kon. Ja, dat was pas echt lachen geweest.


Het is de laatste week van de Tour de France. Een man snelt op een racefiets door de stad. Jofele Amsterdammer: “Ben je verdwaald?” Zijn maat: “Het is die kant op!” – met een armgebaar naar Oud-Zuid, het stadsdeel waarachter Frankrijk zich verschanst.

Voor de echte Amsterdammer is de gein niet zozeer een in enige mate overwogen middel om wat lichtheid in een situatie te brengen, nee, het is veel eerder een onbedwingbare lichaamsfunctie. Het is een reflex: ze kunnen de grap niet níet maken, ook al hebben ze hem al duizend keer eerder gemaakt. Vraag ergens in Mokum hoe je bij het Anne Frankhuis komt en je krijgt omstandig en met veel handgebaren de route uitgelegd naar Prinsengracht 263. Doet de Amsterdammer dat uit dienstbaarheid? Uit dankbaarheid wellicht voor de toerist die zijn stad weer van de broodnodige inkomsten komt voorzien? Misschien, maar toch vooral ook om deze routebeschrijving te kunnen afsluiten met de tijdloze klassieker: “Maar je hoeft je niet te haasten, ze is niet thuis, hoor!” Dat er nog nooit in de na-oorlogse geschiedenis ook maar één toerist is geweest die om een dermate schamele poging tot humor heeft moeten lachen, maakt natuurlijk niet uit. Het leidende principe is: je maakt die grap en er is niemand die jou wat maakt.

Bij Anne om de hoek ligt een drukbezocht koffiehuis. Na het nuttigen van een lunchmaaltijd wil een man uit het oosten des lands even van het toilet gebruik maken. De eigenaar van het koffiehuis wijst hem de weg: “Je gaat hier het hoekie om, trappetje af, en dan zie je vanzelf een deur waar ‘Heren’ op staat. Maar jij mag er ook naar binnen, hoor.” De Tukker kijkt hem wat appelig aan, in afwachting van verdere instructies of eventueel een clou. In plaats daarvan begint de broodjesverkoper om zijn eigen opmerking te lachen alsof hij dat nog nooit eerder heeft gedaan. De vaste gasten mekkeren schaapachtig wat mee, en eentje roept er nog: “Ga nou maar gauw, hij heb net gedweild.” Welkom in Amsterdam. Een uurtje later zie ik de toerist met zijn vrouw zoekend rondlopen aan de overkant van de Prinsengracht. Die man heeft vast een onvergetelijke dag gehad in de stad die ook zijn hoofdstad is.


Een vrijgezellenfeestje dwaalt over de Wallen. Een van de mannen vraagt aan een portier of er ergens in de buurt een feestartikelenwinkel is. De portier: “Ach joh, het zijn hier eigenlijk allemáál feestwinkels.”

Het Comedy Café op het Max Euweplein heeft weleens een serie Amsterdamse Avonden geprogrammeerd. Dit moedige streven om de gein op de bühne te brengen, liep al snel op niets uit. Niet omdat het niveau nou zo uitzonderlijk laag was, maar de bezoekers bleven gewoon weg. Want waarom zou je geld uitgeven voor iets wat je op straat helemaal gratis en voor nop kunt krijgen? Sterker nog, voor iets waar je op straat helemaal niet aan kunt ontsnappen, al zou je het willen?

Vorige zomer werd bij mij in de straat de zonnestudio vertimmerd. Voor deze klus was een timmerman van buiten de stad aangetrokken. Vanwege het mooie weer had de ambachtsman zich op de stoep geposteerd om daar zijn planken op de juiste maat te zagen. Maar met een drukbezocht Jordanees café iets verderop kun je een rustige werkdag dan wel vergeten. Keer op keer kreeg de brave borst van verschillende passanten te horen dat hij toch wel ‘een flinke bos hout voor de deur had’. Op het moment dat de eigenares van het zonnecentrum even een kijkje kwam nemen bij de werkzaamheden werd de grap in iets gewijzigde vorm gebracht. Vanaf dat moment werd er met een vinger naar de timmerman gewezen en tegen de uitbaatster gezegd dat die man óók een flinke bos hout voor de deur had. De reactie van de diepgebruinde onderneemster: “Nou, als ik dat zo zie, dan ben ik net een plank!” Waarna een lange lachsessie volgde tussen de fijne Mokumers onderling. De schrijnwerker heeft uiteindelijk in arren moede zijn werkbank maar naar binnen verplaatst. Toen ik ’s avonds laat het terras passeerde werden de verhalen over dit prachtige voorval nog altijd zeer gretig opgedist.


Dit laatste voorbeeld toont duidelijk aan wat de Amsterdamse humor ook is: een handig middel om te kunnen onderscheiden wie een soortgenoot is en wie een buitenstaander. Als jij verbaal wordt aangepakt en je kunt je niet verweren, dan hoor je er niet bij, makkelijk zat. Dat Amsterdamse taaltje kan de nieuwkomer zich nog wel eigen maken, voor het vocabulaire hoef je maar een Bargoens of Jiddisch woordenboek open te slaan, maar die gevatheid die zit nou eenmaal in je – of niet. Hoe primitief die gevatheid in de praktijk dan ook moge uitpakken. Het zou me niets verbazen als genetici ooit nog eens diep verborgen in het DNA van de echte Amsterdammer een gein-gen zullen identificeren. Pas dan kunnen we officieel spreken van een afwijking.

Een man met aktetas rent over straat. Omstander: “Houd de dief!”

Rampen, terroristische aanslagen, dagenlange stroomuitval: we worden door de overheid voor allerlei onheil gewaarschuwd. Vreemd genoeg is er nog nooit een campagne geweest om de burger bewust te maken van de Amsterdamse humor. Want als twee of meer beoefenaars van het genre elkaar gevonden hebben, dan is het pas echt de hoogste tijd om ramen en deuren te sluiten. Dan gaan ze tegen elkaar opbieden en is het einde zoek. Zoals in deze dialoog, die recentelijk te horen was in een hoofdstedelijke sigarenhandel. Gespreksonderwerp: de aldaar gespeelde illegale lotto.

“Ach, die zwarte lotto. ’t Is allemaal wel geinig, maar je maakt er natuurlijk nooit écht een klapper mee.”

“Jij maakt toch sowieso nooit geen klappers meer?”

“Dat moet jij maar ’s aan je wijf vragen, die ligt nóg bij te kommen.”

“Nee, dat was meer een afknápper.”


“Nou, doe mij maar een klapsigaar.”

En een dergelijke woordenwisseling wordt natuurlijk volcontinu gelardeerd met gelach van beide zijden, als om aan te tonen dat er wel degelijk sprake is van geslaagde grappen. Hierbij dient wel aangetekend te worden dat dit niet het lachen is zoals we dat in de rest van het land gewend zijn. In andere contreien volgt er een lach wanneer een gespreksgenoot iets komisch gezegd heeft, in Amsterdam lach je vooraleerst vanwege je eigen poging om grappig uit de hoek te komen. Dat is wat in comedykringen ook wel ‘aanlachen’ wordt genoemd: je begint zelf maar vast met lachen, in de hoop dat anderen misschien mee wensen te doen. De geboren Amsterdammer Ron Brandsteder doet het ook altijd, alhoewel zijn ‘aanlachen’ meestal uitmondt in ‘aanhoesten’.

Op het terras van een café zit een man met ruitjesoverhemd en ruitjesbroek. De eigenaar komt naar buiten om de bestelling op te nemen. “Zo, hadden ze geen ruitjes meer?”

Het is tegenwoordig best mogelijk om in Amsterdam te leven zonder al te veel onder de plaatselijke gein te hoeven lijden. Dan ga je voortaan niet naar de bruine buurtkroeg, maar naar de Coffee Company, je verruilt het zonnecentrum voor de sereniteit van de bibliotheek en je koopt je groenten niet meer op de gewone markt maar op de biologische – daar zijn de komkommers nog wat ‘handzamer’ ook.

Het risico om een gevatte Mokumer in het wild tegen te komen blijft echter bestaan. De beheerder van de parkeergarage, de buschauffeur, de glazenwasser annex schoorsteenveger, al deze mensen zijn nooit te beroerd om u even uit te testen. ‘Gewoon doorlopen’ is dan het motto, maar wellicht bent u op dat moment in een menslievende bui en wenst u de Amsterdammer tegemoet te komen. Dit doet u dan als volgt:


1) Dien de Amsterdammer onverwijld van repliek middels een quasi-nonchalante sneer die bij voorkeur slechts zijdelings refereert aan de strekking van zijn oorspronkelijke opmerking.

2) Volg deze sneer direct op met een schamper commentaar op een kledingstuk dat de Amsterdammer aanheeft of een van zijn uiterlijke afwijkingen.

3) Lach hard en met uithalen om uw eigen gewiekstheid.

4) Gooi er als uitsmijter nog een hartgrondig ‘tiefus-‘ of ‘kolerelijer’ achteraan. Dikke kans dat u binnen de kortste keren samen ‘huilt van het lachen’ dan wel ‘blind ligt’. Gefeliciteerd, u beschikt nu over Amsterdamse humor.

Oudere, wat bekakte dame tegen de trambestuurder: “Gaat u naar het Slotervaart Ziekenhuis?”

Trambestuurder: “Nou, liever niet natuurlijk.”

Met de voortdurende exodus van de ras-Amsterdammers naar omliggende regionen bestaat bij sommigen de vrees dat in Mokum zelf de gein over enige jaren het loodje zal leggen. “Tel uw zegeningen,” zou je dan kunnen zeggen, maar het is ergens ook wel begrijpelijk dat er mensen zijn die deze reuzenpanda van het volksvermaak wensen te cultiveren. Voor deze liefhebbers heb ik goed nieuws, want er staat alweer een nieuwe generatie klaar om het stokkie over te nemen.

Zo hoorde ik laatst bij het betreden van mijn woning een man roepen. Het was onze jonge, enthousiast bebaarde Marokkaanse postbode. Het bleek dat hij een pakketje had voor een van mijn buren, en hij wilde dat ik de deur voor hem openhield. Terwijl ik zijn verzoek inwillig, marcheert hij me plechtig voorbij en voegt me enigszins commanderend toe: “En een bakkie koffie zou er ook wel ingaan.” Ik kijk hem wat verwonderd aan: waar moet het heen met deze wereld, wat een brutale apen zijn het toch ook… Maar nee hoor: “Geintje, pik!” Gevolgd door een harde lach van in elk geval een van ons tweeën.


Kortom, de brijpot mag langzamerhand vervangen worden door een tajine, die lepel blijft er vast nog wel een tijdje in staan. Hatsee!

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Eijsbouts