Journalist van de natte vinger

Op 6 juli overleed de beroemdste journalist van Amsterdam: Jan Blokker. Dat hij een veelzijdig man was, staat buiten kijf. Maar wat rest er van zijn omvangrijke oeuvre? Is er iets van blijvende invloed merkbaar? Dat valt tegen. Erg tegen zelfs.

Zijn laatste column verscheen op 5 juli, de dag voor hij overleed. Passend voor een man die vond dat een journalist niet moet zeuren maar – weer of geen weer, zin of geen zin – zijn werk moet doen. “Wat gaat het de lezer aan,” had hij eerder geschreven, “of jij wel of niet helemaal gedisponeerd bent? Dat heb je zelf altijd gezegd: of ik nu slaande ruzie met m’n vrouw heb, of het huis staat in brand, of de buren geven een houseparty – het is woensdag, dus er moet een stukje in de krant.”

Die stukjes schreef hij tussen 1968 en 2006 voor de Volkskrant, en nadien, na een ruzie waarbij de hoofdredacteur niet zijn kant koos, voor nrc.next. Behoudens een paar weken vakantie in de zomer was hij altijd present op zijn plek: vaste dagen, vaste plaats. Dat was zijn professionele trots. Het is afgesproken, er wordt op gewacht; het wordt geleverd.

Jan Blokker (1927-2010) heeft zichzelf keer op keer omschreven als ‘een echte kaaskop’, de archetypische Nederlander, kind van Ot en Sien. In toenemende mate betekende dat ook: de Nederlander zoals ze die niet meer maken. De voorbeelden waarmee hij zich identificeerde kwamen uit vooroorlogse of zelfs negentiende-eeuwse boeken. Hij zag zichzelf als Robertus Nurks, ‘een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout’, die bij alles wat nieuw en anders was op voorhand riep: “Niet veel zaaks”. Holland op z’n smalst, dat was hem vertrouwd.

Zijn gezondheid was de laatste jaren een bron van zorg. Dat hij toch nog 83 is geworden, was een mirakel. Zeven jaar geleden was de dood hem al aangezegd. Hij lag in het ziekenhuis aan de beademing toen hem de Gouden Ganzenveer werd uitgereikt. Zijn dankwoord werd in absentia voorgelezen: “Even heeft het er naar uitgezien dat de Gouden Ganzenveer 2003 postuum moest worden uitgereikt. Dat was misschien wel deftig geweest, en het cachet van de onderscheiding zou er wellicht mee gewonnen hebben: een veer zo gewichtig dat de laureaat er bij voorbaat onder dreigt te bezwijken – dat vraagt om haast herculesachtige kandidaten die de uitdaging aandurven.” Hij was vereerd, maar bleef ironisch.


Blokker was ontegenzeggelijk energiek, ondanks ziekte werkte hij hard tot het laatste moment. Columns schreef hij, maar ook boeken en eerder scenario’s; daarnaast hield hij toespraken, maakte ooit tv-programma’s, gaf lezingen en doceerde enige tijd journalistiek. Maar wat rest er van dit omvangrijke oeuvre? Is er iets van blijvende invloed merkbaar?

Zoals de humor van Godfried Bomans de oude Volkskrant belichaamde – verzuild, rooms en behoudend – zo was de humor van Blokker de incarnatie van de nieuwe Volkskrant, de linkse Volkskrant van de jaren zeventig en tachtig, waar het epitheton ‘katholiek’ sinds de jaren zestig uit de kop was verdwenen. Naar eigen zeggen was Blokker helemaal niet zo links; hij koesterde zelfs een afkeer van het toen bij die krant heersende dogmatisme en ‘zelfgebreide denken’. Hij was, met die hem kenmerkende stilistische aanpassing van de metafoor, ‘een behoudende eend in de progressieve bijt’.

Die gespletenheid typeerde hem. Hij werd gezien als het boegbeeld dat hij helemaal niet wilde zijn. Hij hield van de journalistiek, maar verachtte de gemiddelde journalist (‘zo’n laaghoofdige mulo-scholier met diploma school voor de journalistiek’). Hij schreef een mensenleven lang columns – eerst voor het Algemeen Handelsblad, later voor de Volkskrant, de laatste jaren voor nrc.next – maar had geen hoge dunk van het genre (‘een column schrijven kan tegenwoordig iedereen, lees de krant er maar op na’). Hij had dan ook maar één advies voor wie een betere krant wilde maken: “Schaf die meer dan zestig columnisten per krant af, hou er vier over en besteed de vrijgekomen middelen en kolommen aan deugdelijke verslaggeving.”

Het zou een misverstand zijn daaruit te concluderen dat hij zijn arbeid als onbelangrijk zag. Naar zijn stellige overtuiging kon hij iets wat anderen niet konden, en wat ze maar beter niet eens konden proberen. “Ik ben een journalist en er zijn geen journalistieke columnschrijvers meer.” Waar het in zijn ogen op neerkwam, was dat de journalistiek in Nederland wel deugde en de columnistiek zoveel te meer, maar slechts in de gedaante van één persoon: Jan Blokker. (“Mijn maatstaf heet Jan Blokker.”) Twee, later drie keer per week vernam de lezer uit de krant wie er nu weer billenkoek had verdiend. Daarnaast besprak hij wekelijks dikke delen non-fictie, bij voorkeur historisch van aard, eerst in het boekenkatern van de Volkskrant, daarna in dat van NRC Handelsblad. Hoewel hij zijn studie geschiedenis nooit had voltooid, werd hij op latere leeftijd een soort historicus honoris causa.


Veel van wat Blokker heeft geschreven, kan gelezen worden als een zelfportret of spiegelbeeld. “In het spraakgebruik wordt het columnisme nog altijd vooral vereenzelvigd met die plek in de krant waar lichtvoetigheid, humor of satire is toegestaan. In de Angelsaksische journalistiek kent het columnisme ook wel grappenmakers, maar het genre is toch voornamelijk gereserveerd voor hoogst serieuze politieke commentatoren.” De Engelse columnist Peter Jenkins, vervolgde hij, ‘was het tegendeel van een “schrijftafel”-columnist, die zijn overpeinzingen ontleent aan het laatste nieuws, aan z’n gezonde politicologische verstand of aan zijn duim’. Waaruit afgeleid kan worden dat Jan Blokker wel degelijk een schrijftafel-columnist was, die zijn stukjes schreef naar aanleiding van het laatste nieuws met gebruik van duim en gezond verstand.

In een column over de moderne geschiedenisles observeerde hij eens: “De docent las ’s morgens de krant door, pikte er een bedreigde sandinist, een zielige walvis, een misdeelde Palestijn en een op Schiphol vastgehouden Tamil uit, en gaf er een werkstuk over op, dat sindsdien wekelijks wordt gepubliceerd in de rubriek ‘Achterwerk’ van de VPRO Gids.”

Het typeert waarschijnlijk minder het hedendaagse geschiedenisonderwijs dan zijn eigen methodiek. De schrijver Hans Vervoort heeft de constructie van Blokkers columns eens treffend beschreven in een kritiek. “Hij begint zijn stukje met een aardige inval of typering en gaat dan met smaak zijn betoog uitwerken. Maar halverwege komt Blokker meestal in de knoei. Soms is het omdat het idee maar een paar regels tekst waard was. Vaker omdat hij geen redenering kan opzetten. Hij redeneert dan ook niet, maar associeert een eind weg en komt daarbij nogal eens in open zee terecht. Snel terug naar het vasteland, een uitsmijter-zinnetje en het is weer gepiept: het is toch maar een krantenstukje.”


Die truc waarmee uiteenlopende onderwerpen met elkaar verbonden worden, paste hij ook toe op het tv-programma Diogenes, waarvan hij jarenlang eindredacteur was. De onderwerpen waren veelal een combinatie van rijp en groen, waaraan zijn commentaar dan een schijn van samenhang moest geven. “Elke dag,” klonk zijn stem als God vanuit de hemel, “worden ergens op de wereld wel verkiezingen gehouden waarbij mensen proberen democratisch, zeg maar uit aller naam, aan de macht te komen. Een hele vooruitgang bij vroeger.” Wat volgde was een drieluik met de titels ‘De macht van morgen’, ‘De macht van gisteren’ en ‘De macht van vandaag’, conform het woord van de Franse regisseur Jean-Luc Godard: “Mijn films hebben een begin, een midden en een eind, maar niet noodzakelijkerwijs in die volgorde.” Het was de journalistiek van de natte vinger, van de grote greep en het handige citaat. Met journalistieke kwaliteit had het niet zoveel te maken.

Ex cathedra mocht hij de beroepsgroep graag geselen met stellingen over het povere niveau van de Nederlandse journalistiek. Afgelopen januari nog publiceerde hij zijn boek Nederlandse journalisten houden niet van journalistiek, een herschreven versie van alles wat hij de laatste decennia over dat onderwerp te berde had gebracht.

“De gedachte,” bereed hij zijn stokpaardje, “dat het verzamelen, optekenen en verspreiden van feiten wel eens zinvoller, opvoedender en efficiënter zou kunnen zijn dan het verkondigen van meningen, overtuigingen of desnoods illusies, is in Nederland nog heel jong.” Het is niet alleen een opmerkelijke zin uit de pen van iemand die van het verkondigen van meningen zijn beroep heeft gemaakt, het is bovenal omslachtig geformuleerd. Het is de retoriek van één, twee, drie (verzamelen, optekenen, verspreiden), één, twee, drie (zinvoller, opvoedender, efficiënter), één, twee, drie (meningen, overtuigingen, illusies). Het is een gewichtige manier om te zeggen: de journalist moet verslag doen van de feiten, zijn meningen kan hij beter voor zich houden.


Waarom formuleerde Blokker niet wat eenvoudiger? Omdat dan de open deur zichtbaar zou worden; die 34 woorden zijn een pompeuze herformulering van het aloude dictum comment is free but facts are sacred.

Naarmate Blokker ouder werd, hem meer respect, prijzen en lintjes ten deel vielen en hij steeds frequenter werd gevraagd als spreker bij voorname feestelijkheden, ging hij steeds deftiger doen, alsof hij geloof was gaan hechten aan al die eerbewijzen die zijn voortreffelijkheid onderstreepten.

In toenemende mate bestonden de (altijd gepubliceerde) teksten van die lezingen en toespraken uit een aaneenrijging van citaten, niet slechts ter vertoon van geleerdheid, maar ook en vooral als het gewichtiger maken van een dun betoog. Het ging niet ver, het reikte niet diep, maar het werd steevast gebracht als een heel bijzonder, nooit eerder geformuleerd inzicht.

Graag mocht hij zich spiegelen aan ‘grotemensenlanden’ om de lezers te laten weten waarin de Nederlandse journalistiek tekortschoot. “Er wordt te weinig aan great reporting gedaan,” was een terugkerende klacht, “dus het aftasten van de omgeving van het nieuws, wég van de persconferentie of het paleis, wég van de woordvoerders.” Om al die laaghoofdige mulo-klantjes te laten zien hoe je zoiets moet aanpakken, schreef de gesjeesde academicus zelf een handvol grote reportages.

Dat zijn geen voorbeelden van de door Blokker zo gewenste great reporting. Het zijn eerder uitgewalste columns: veel meningen, weinig feiten. Aandacht besteedde hij vooral aan de verplaatsingen van de verslaggever. Zo liep hij twee uur rond in het Hollywood van Europa, de oude UFA-studio in het Duitse Babelsberg. Het stuk begint en eindigt met de clichés van de grote reportage: de conversatie met de taxichauffeur.


Zijn laatste grote reportage schreef hij in 1999. ‘Theater Habsburg’ beschrijft een ‘reis naar het einde van het Habsburgse Rijk’. Het beslaat elf rijk geïllustreerde pagina’s in het Volkskrant magazine. De verslaggever vertrekt uit Praag en reist via Polen, Oekraïne, Roemenië, Hongarije, Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië en Slovenië naar Oostenrijk. Hij heeft de reisgids gelezen maar hoeveel kilometers hij ook rijdt, hij ziet nauwelijks iets wat de moeite waard is. Hij voert zichzelf op als verteller, citeert uit geschiedenisboeken, raadpleegt een oude atlas of een oude encyclopedie, maar een reportage (opschrijven wat je ziet) wil het maar niet worden. Als hij in Praag voor het monument van Johannes Hus staat, citeert hij uit een roman van Milan Kundera. Met andere woorden: hij ziet wat hij al weet. Blokker-de-reporter is in zekere zin thuis in de studeerkamer gebleven.

Blokker schreef in zijn carrière een plank vol boeken; de boeken van de laatste jaren, navertelde geschiedenisvehalen die hij vervaardigde met zijn zoons Bas en Jan junior, werden zelfs bestsellers. Zijn beste columns werden tussen 1971 en 2003 gebundeld in een reeks boekjes die de actualiteit archiveerden. Daarin is het Nederland van Jan Blokker neergeslagen.

Al is dat is niet helemáál waar. De meetlat waaraan hij de actualiteit toetste is van vooroorlogse makelij. Het Holland van Blokker is het Holland van de Camera Obscura, van Dik Trom en de bokkenwagen, de wereld van Ot en Sien. Alles mag er tegenwoordig anders uitzien en iedereen mag ogenschijnlijk anders doen, in zijn ogen is Holland onder dat glimmende oppervlak onwrikbaar Holland gebleven. De kracht van de scheppers van Ot en Sien, schreef hij in een beschouwing, ‘lag in de universele Hollandsheid van hun schepping, of misschien preciezer: in hun gemiddeldheid’. Blokker herkende zichzelf in Cornelis Jetses, de illustrator van Ot en Sien: “Een ondernemend man, maar geenszins een avonturier en zeer aan eigen haard verknocht.”


Holland, dat was voor hem bovenal de wereld zoals geschetst door zijn held, de historicus Johan Huizinga (1872-1945). In eerbiedige navolging was hij de laatste jaren steeds meer diens toon gaan bezigen. Het plechtige, wat archaïsche taalgebruik in een betoog van kleine stapjes voorwaarts, opzij en weer achteruit, geen bewering gedaan zonder een slag om de arm. Wat Huizinga ooit over zichzelf schreef, citeerde hij met instemming; ook daarin zal hij zijn eigen portret hebben herkend: “Ik verwijt mij dikwijls dat ik nooit een echte onderzoeker ben geworden. Ik heb er meestal zoowat met de muts naar gegooid, zonder al te veel ernstige arbeid, en al heeft de muts af en toe het doel geraakt waarnaar ze gegooid werd, een zekere onbevredigdheid over wat er aan mijn geestelijk apparaat ontbrak, is mij niet vreemd.”

Wat rest er van de muts van Blokker? Niet de jeugdromans, niet de navertellingen met zijn zoons, maar een handvol bundels cursiefjes. Stukjes die meestal leuk en scherp waren toen hij ze schreef, maar die – lot van eendagsvliegen – al snel gedateerd aandeden.

Ron Kaal