Lokjood

Het antisemitisme neemt toe, lezen we in de krant. Joden klagen steeds vaker over scheldpartijen. Soms vallen er zelfs klappen, zeggen ze. Hoe erg is het precies? HP/De Tijd toog met een keppeltje op naar Slotervaart.

Op het Sierplein, maar eigenlijk op alle pleinen in de Amsterdamse wijk Slotervaart, zijn er meer bewakingscamera’s dan lantaarnpalen en meer borden die voor de camera’s waarschuwen dan er parkeerautomaten zijn. Niets werkt het gevoel van onveiligheid meer in de hand dan dat.

Het straatbeeld is troosteloos. Alle voorbijgangers, bijna zonder uitzondering allochtoon of autochtone ouderen, dragen sombere pasteltinten. Jongeren hangen, vooral ’s avonds, op bijna iedere straathoek. Straatcoaches fietsen voorbij in hun herkenbare blauwe outfits. Het Islamitisch College Amsterdam oogt als een gevangenis, grijze flats gaan bijna onmerkbaar over in de al net zo grijze lucht.

Joden voelen zich hier in stadsdeel Amsterdam Nieuw-West onveilig, hebben we in de krant kunnen lezen. Ze worden naar eigen zeggen nageroepen, uitgescholden en zelfs in elkaar gemept door overwegend Marokkaanse jongeren. Ze waarschuwen op de landelijke televisie voor het groeiende antisemitisme. Ze voelen zich niet veilig meer op straat.

Er wordt regelmatig onderzoek gedaan naar antisemitisch geweld, door bijvoorbeeld het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI). Dit soort onderzoeken gaat altijd gepaard met rumoer, want als het CIDI becijfert dat het geweld tegen joden toeneemt, roept een ander (zoals onlangs de website Sargasso, de linkse tegenhanger van GeenStijl) dat het antisemitisme de laatste tien jaar juist is afgenomen. Het is moeilijk om op basis van al die gegevens een evenwichtig oordeel te vellen. Feit: veel joden zijn bang voor toenemend antisemitisme. Maar hoe erg is het precies?

We gaan het proefondervindelijk vaststellen. Natuurlijk, een alomvattend onderzoek naar agressie tegen joden, met harde cijfers die een trend ontkrachten dan wel bevestigen, wordt het niet. Maar een indruk kan het wel geven. De ene verslaggever is lokjood, gekleed in een zwart pak, streepjesoverhemd en met een keppeltje op het hoofd, de andere is waarnemer. Samen gaan we op zoek naar agressie. In Slotervaart, maar ook in het centrum. We gaan niet provoceren. Gewoon dagelijkse dingen doen, maar mét een keppeltje op. Zoals een gematigde jood, zonder pijpekrullen, zonder baard.


Het moet gezegd, een keppeltje trekt in Slotervaart meteen de aandacht. Sterker: het blijkt een magneet voor boze, of op z’n minst misprijzende blikken. Op het beruchte August Allebéplein, toneel van hevige rellen in 2007 en 2008, hangt een groep jongeren voor de supermarkt. Moeders schuifelen voorbij met de dagelijkse boodschappen. Voor die supermarkt gaat een van ons op een bankje zitten. Vrijwel onmiddellijk volgt het kijken. Passerende mensen, van alle leeftijden, laten hun oog langer dan noodzakelijk op het keppeltje rusten. De jongeren kijken agressief, de rest is verbaasd en afstandelijk. De jood is hier niet welkom, dat is meteen duidelijk.

Ook op het wat grotere Sierplein, dat zoals gezegd volhangt met camera’s, wekt de lokjood de weerzin van omstanders. Een jongen op een bankje kijkt zo agressief dat we besluiten onze pas iets te versnellen. Hij blijft ons aanstaren als we op een bankje aan de overkant gaan zitten. Zijn blik afwenden doet hij pas als als we opkrassen.

We zijn letterlijk het plein af gekeken.

Het valt op hoe stil het is in sommige delen van de wijk. We zien veel schotel-antennes, groezelig wasgoed en oude Volkswagen Golfjes. Sporen van vandalisme zijn overal zichtbaar. Een vernielde kinderboerderij, gesloopte winkelwagentjes, een scheefhangende luifel en veel troep. Maar het is vooral heel erg stil op straat. Dat zal deels door de zomervakantie komen; veel bewoners zijn dan in Marokko. Er rijden opvallend weinig auto’s en ook op de balkons is het stil. Iedereen zit binnen, tenzij een verplichting bewoners de straat op dwingt. Of als ze zich vervelen.


’s Avonds wordt de sfeer grimmiger. We kunnen ons prima voorstellen dat een jood hier liever geen ommetje maakt. In de straten tussen de flats is het rustig en hebben we nergens last van, maar Slotervaart is bezaaid met pleintjes tussen de hoogbouw en daar hangen ook de jongeren. Als we gaan zitten op een bankje, wordt er druk geroepen. Niet naar ons, maar naar elkaar. De Marokkaanse jongens komen als een bijenzwerm om ons heen cirkelen en verliezen ons geen seconde uit het oog. We voelen ons ongemakkelijk en gespannen. We zitten klaar om weg te lopen als dat nodig is.

Als we uiteindelijk verder lopen, denken we zelfs het woord ‘lokjood’ te horen, maar we zijn er niet zeker van. Misschien had criminoloog Frank Bovenkerk inderdaad gelijk toen hij zei in NRC Handelsblad: “Deze jongens zijn streetwise. Ze hebben buitengewoon snel in de gaten wie de lokjood is.”

Nog geen vijf minuten later komen we erachter dat het pleintje twee straten van een politiebureau is verwijderd.

Na anderhalve dag als lokjood in Slotervaart te hebben rondgelopen, begrijpen we veel beter waarom joden bang zijn. We zijn niet openlijk uitgescholden, we zijn niet in elkaar geslagen, maar we waren zeker niet welkom. Een jood in Slotervaart voelt zich continu ongemakkelijk. Dat situaties soms ontaarden in scheld- en vechtpartijen, verbaast ons niets.

Het verschil met de drukke Kalverstraat in het centrum kan haast niet groter zijn. Niemand die omkijkt naar het keppeltje. Sterker, niemand lijkt het ding überhaupt te zien, waardoor we bijna zelf vergeten wat we ook alweer kwamen doen. De enige reactie, op het Centraal Station: “Heb je dat gezien, hij droeg een keppeltje!”


Voor het centrum geldt: anything goes. We voelen ons hier dan ook heel veel veiliger dan in een deel van de stad als Slotervaart, waar het dragen van een keppeltje geldt als een soort provocatie. Een verstandige jood stopt zijn hoofddeksel in die contreien dan ook maar beter in zijn binnenzak.

Frank Verhoef en Bouke Sonnega