Lokmoslima

Met een keppeltje kun je je beter niet vertonen in sommige delen van Amsterdam. Hoe zit dat met een ander religieus getint hoofddeksel, het hoofddoekje? Op onderzoek in de rosse en sjiekste buurten van de stad.

Keppeltjes kunnen nogal wat teweegbrengen op straat. Hoe zit dat met de hoofddoek? Die is overal in de stad te bewonderen, maar op sommige plekken minder dan op andere. Op de Wallen bijvoorbeeld, of in de sjieke Bijenkorf. We besluiten daarom niet alleen met keppeltje op de stad te verkennen, maar ook met een hoofddoek. Drie dagen en een avond loop ik af en aan als moslima door diverse delen van de stad. Twee collega’s gaan mee; ze lopen altijd een eindje achter me.De moslimalook komt in diverse varianten, de hippe en de behoudende. Met de eerste variant, spijkerbroek en vrolijk groen hoofddoekje, loop ik overdag op het Centraal Station, over het Rokin en het Damrak. Niemand kijkt me met een schuine blik aan. Dat wordt anders als ik op de Wallen het Seksmuseum binnenloop. Terwijl ik in de eerste ruimte de blote plaatjes sta te bewonderen, komen er twee meisjes binnen. Aan hun blikken te zien, hadden ze niet verwacht hier een moslima tegen te komen. Een van hen draait haar hoofd weg, om me meteen met nog grotere ogen verbaasd aan te kijken. Ze doet moeite om haar lachen in te houden. Een groep Spaanse jongens betreedt nu de ruimte. Het lijkt of sommigen me opzettelijk negeren; een paar kijken me nieuwsgierig aan. Eén van hen vraagt aan zijn vrienden: “Denken jullie dat haar moeder weet dat ze hier rondloopt?” Gelach. Zij kunnen ook niet weten dat ik Spaans versta. Als ze me passeren, proberen ze hun gezicht in de plooi te houden.

Nu is de Zeedijk aan de beurt. Het is er een gemengde boel. Alle talen zijn te horen, behalve Nederlands. Een café-eigenaar die voor zijn deur staat, roept enigszins sarcastisch: “Heb je het kunnen vinden of zoek je nog?” Dat vat ik maar op als: “Ben je verdwaald of zo?” en reageer niet.Ik zou geen lokmoslima zijn als ik niet ook met mijn hoofddoek over de Wallen zou lopen. Er is deze middag weinig mannelijk publiek. De dames hebben alle tijd om naar me te kijken. Sommigen moeten lachen, een paar blijven me geschokt aanstaren. Eentje doet zelfs haar deur open en klopt op het raam van haar buurvrouw. Samen kijken ze giechelend naar me. En een Afrikaan die een paar meter voor me loopt, kijkt een paar keer nieuwsgierig naar me om. Dan stopt hij en vraagt hoe het met me gaat. Terwijl ik zwijgend doorloop, kijkt hij me na alsof hij water ziet branden.


Het wordt tijd voor een conservatievere look. Mijn groene bloemetjesdoek verruil ik voor een egaal zwart exemplaar, en over mijn spijkerbroek gaat een zwarte rok tot aan de enkels. Ik ben volledig in het zwart gekleed. Op naar de Nieuwendijk, een van de drukste winkelstraten van de stad.Er lopen hier veel vrouwen met een hoofddoek, van vervelende blikken is geen sprake. In mijn sombere outfit voel ik me wel heel anders, namelijk volledig onzichtbaar. Het lijkt wel of iedereen over me heen kijkt, en dat komt niet door mijn 1 meter 52. Ze zien me simpelweg niet. Het is moeilijk om oogcontact te maken. De islamitische vaders die willen dat hun dochters zich in donkere kleding hullen, weten dus dat het werkt. Om me weer enigszins vrouwelijk te voelen, loop ik een lingeriewinkel binnen; ik word er erg goed geholpen.

Hoe is de service als ik dure make-up wil kopen? In de Bijenkorf zoek ik oogcontact met een medewerkster van een duur cosmeticamerk. Tevergeefs. Ik loop af op twee medewerksters die met elkaar staan te praten; ze negeren me. Even verderop probeer ik het bij een ander: ook zij loopt liever naar een andere klant. Woedend word ik, ik zal ze leren!Voor de ingang van het warenhuis vindt een snelle metamorfose plaats. Mijn spijkerbroek komt tevoorschijn, ik doe mijn hakken aan, oorbellen in, haar los, jas uit, borst vooruit. Dan loop ik naar dezelfde medewerksters. Eer ik ook maar iets kan zeggen, vragen de dames in koor of ze me kunnen helpen. Nu kan ik het merk wel betalen, denken ze waarschijnlijk. Bij winkelcentrum Magna Plaza gaat het anders. Met en zonder hoofddoek word ik in de winkels even slecht geholpen. Blijkbaar moet je daar ook als niet-moslima in een superhippe outfit komen om serieus genomen te worden. Op de begane grond zit een karikaturist. Als ik, met mijn hoofddoek, op het krukje tegenover hem plaatsneem, vraagt hij vriendelijk waar ik vandaan kom en bestudeert hij mijn gezicht. “Dit is weer eens wat anders, hè?” mompelt hij en begint te tekenen.Als moslima in de avonduren rond station Zuid WTC lopen, is geen garantie voor avontuur. Ik voel me veilig en op mijn gemak, val niet op. In het park op het Java-eiland, in Oost, ben ik veruit in de minderheid. Als ik op een bankje zit, komt een hond aan me snuffelen. De eigenaar roept hem meteen terug. “Maakt niet uit hoor, meneer.” “O nee, het is niet vanwege jou, het is hier geen losloopgebied,” zegt de man. “Dan wil ik ook niet dat hij mensen lastigvalt.” En ik maar denken dat hij dacht dat moslims niet zoveel met honden hebben.


Mijn omzwervingen waren voor mij persoonlijk wel leerzaam: genegeerd worden (in de Bijenkorf) en me onzichtbaar voelen (op de Nieuwendijk) had ik niet verwacht. Op de andere plekken keken overal wel mensen, maar niet meer dan naar iemand met groen haar en een piercing door z’n neus. Amsterdam is wel wat gewend. Een moslima past gewoon in het straatbeeld.

Suna Floret