Openluchtmuseum aan ’t IJ

Sinds 1 augustus staat de Amsterdamse grachtengordel op de prestigieuze Unesco-lijst van Werelderfgoed. Niet iedereen is daar blij mee. Een stevig debat over stadspromotie, het verbod op staand bier drinken en het schrikbeeld van Venetië.

Waarom is het belangrijk dat de grachtengordel op de Werelderfgoedlijst van de Unesco staat?

Walther Schoonenberg: “Het gemeentebestuur ziet het vooral als het equivalent van een Michelinster en vond het nodig voor de promotie van Amsterdam. Het zal vast bijdragen aan een beter imago. Als je kunt zeggen dat je op de Werelderfgoedlijst staat, klinkt dat toch anders dan: wij hebben de beroemdste hoerenbuurt ter wereld. Maar dit zijn niet de overwegingen van de VVAB, en evenmin waarom de Werelderfgoedlijst van Unesco bestaat; het gaat erom dat waardevolle, cultuurhistorische objecten worden beschermd. In de twintigste eeuw is er in hoog tempo veel verloren gegaan. In heel Azië staat bijvoorbeeld bijna geen historische stad meer overeind.”

Gerrit Vermeer: “Bij de monumentenzorg in Nederland is het altijd puur een kwestie geweest van afwegingen maken. Het is niet zo dat een rijksmonument per definitie niet gesloopt mag worden. Wanneer je een gewone sloopvergunning aanvraagt, is de gemeente doorgaans verplicht om die af te geven. Als het om een monument gaat, heb je daar ook een monumentensloopvergunning voor nodig. Een gemeente kan die afgeven en dan kan een monument gewoon gesloopt worden, zoals nu nog steeds het belachelijke plan is voor het Binnengasthuis, waar de UvA een nieuwe bibliotheek wil bouwen.”

En Unesco kan daar nu dus een stokje voor steken?

Vermeer: “Nee hoor. Dat hebben we gezien in Lübeck en in andere steden met een Unesco-status. De actiegroep Rettet Lübeck deed een beroep op de Unesco om de sloop van een monument door de gemeente tegen te houden. Tevergeefs. Men kreeg van de Unesco zelfs geen enkele reactie. Als actievoerder heb je dus eigenlijk niets aan de Unesco-status, behalve als een gemeente zelf z’n best doet. Het is niet automatisch zo dat het monumentenbeleid strenger wordt en dat er minder kan.”


Schoonenberg: “Dat we in aanmerking kwamen voor de Unesco is eigenlijk het resultaat van vele jaren strijd voor het behoud van de binnenstad. Op het moment dat je een Unesco-aanvraag indient, moet je je bescherming al geregeld hebben. We hebben in 1999 een beschermd stadsgezicht gekregen. Sindsdien zijn bestemmingsplannen aangepast. Maar je kunt nog zulke goede regels hebben, het blijft een politieke afweging of die wel gehandhaafd worden. Amsterdam is daar altijd heel slecht in geweest.”

Maar wat heeft Amsterdam dan wél aan de Unesco-status?

Schoonenberg: “Ik beschouw het vooral als een internationale erkenning van de bijzondere waarde van de Amsterdamse binnenstad. Ik ben een geboren en getogen Amsterdammer. Zelf heb ik ook jaren door Amsterdam gefietst, totaal blind voor de bijzondere schoonheid van de binnenstad. Als je op de Werelderfgoedlijst staat, is het voor iedereen duidelijk dat de grachtengordel vergeleken moet worden met alle andere topwereldmonumenten. Ik hoop dat bij veel mensen het besef groeit wat een voorrecht het is om hier te mogen wonen en werken, maar ook dat het bepaalde consequenties met zich meebrengt. Je kunt niet zomaar monumenten slopen en er iets nieuws neerzetten. Het is moeilijk in geld uit te drukken wat de waarde van zo’n benoeming is.”

Vermeer: “Een hoogwaardige, beschermde historische omgeving trekt creatieve en innovatieve mensen aan. Niet voor niets hoor je altijd: ‘Wat zal de grachtengordel ervan denken?’ Het is bijna een synoniem voor intellectueel Nederland.”

Schoonenberg: “Richard Florida schreef het boek The Rise of the Creative Class, waaruit blijkt dat een historische binnenstad bij uitstek geschikt is voor dat soort mensen. Die willen graag in monumenten zitten. In de jaren zestig en zeventig wilde men onze binnenstad slopen en vervangen door iets totaal anders. Dat is niet gelukt, en die strijd heeft geresulteerd in bescherming. Daardoor is de binnenstad behouden gebleven en kon ze zo populair worden. Met de Unesco-aanwijzing kun je de dynamiek van de binnenstad versterken.”


Rogier van Kralingen: “Dat betwijfel ik. Het behoud van het culturele erfgoed is slechts een onderdeel van de aantrekkingskracht van een stad op de creatieve klasse. Belangrijker is een liberaal en open karakter. Dat trekt ook het internationale bedrijfsleven aan. De toevoeging aan de Unesco-lijst zie ik op zichzelf als een groot compliment voor de stad. Daar ben ik niet tegen. Maar de Amsterdamse gemeente heeft er een beleid aan gekoppeld dat heel sterk is gericht op toerisme. Er ligt bijvoorbeeld een aanvraag voor de bouw van 49 nieuwe steigers voor rondvaartboten. Dat is discutabel en…”

Schoonenberg: “Maar wat wil je daarmee zeggen? Ben je tegen die steigers?”

Van Kralingen: “Natuurlijk. Daarmee dood je de pleziervaart.”

Schoonenberg: “Ik denk dat die aanlegsteigers juist het dynamische gebruik van de stad bevorderen, zodat we niet alleen een openluchtmuseum worden.”

Van Kralingen: “Maar ze zijn bedoeld voor rondvaartboten. De gemeente is een beleid aan het uitstippelen dat gericht is op toerisme. Daar ben ik het structureel mee oneens. Het effect daarvan is dat de wonende en werkende mensen juist uit het historische centrum wegtrekken. Dat zag je al in Venetië en Brugge gebeuren. Die steden zijn verworden tot doodse openluchtmusea.”

Schoonenberg: “Brugge staat pas sinds 2000 op de Werelderfgoedlijst, en volgens mij was de stad toen al lang een openluchtmuseum. Jij geeft van allerlei autonome ontwikkelingen Unesco de schuld.”

Van Kralingen: “Nee, ik vind de Unesco-status een compliment voor de stad. Ik spreek enkel mijn vrees uit voor het op massatoerisme gerichte beleid dat de Amsterdamse gemeente daaraan koppelt.”


Vermeer: “Je moet dan toch eens een keer naar een aantal andere Unesco-steden gaan. Ik heb er onlangs een hele rits bezocht. Het Duitse Lüneburg is bijvoorbeeld een schattig stadje, maar ik denk echt niet dat er meer toeristen komen omdat het op de lijst staat.”

Schoonenberg: “Mensen beginnen vaak over Brugge en Venetië, maar er staat zo gigantisch veel op de Werelderfgoedlijst. Alleen al in Italië tien steden. Of Lyon en Bordeaux, mooie Franse steden en bepaald niet doods. Dus ik vind dat je erg selectief kijkt naar voorbeelden van plekken waar het misschien niet goed gaat.”

Van Kralingen: “Ik kijk inderdaad selectief. Ik focus mij maar op één ding: de Amsterdamse gemeente. Die probeert vijftig nieuwe steigers erdoor te drukken en wij krijgen dreigbrieven doorgestuurd van bewoners die daarom hun woonboten kwijtraken. De gemeentebesturen van Lyon en Bordeaux gaan blijkbaar goed om met hun plaatsing op de Unesco-lijst. Bij Amsterdam betwijfel ik dat. De realiteit is dat deze gemeente te maken heeft met een gat van 620 miljoen euro dat ze op de een of andere manier moet zien te dichten. In zijn boek schrijft Richard Florida dat gemeenten wereldwijd met elkaar concurreren om de meest welvarende en innovatieve klasse van mensen naar hun stad te krijgen. Vangt men deze creatieve klasse, dan vangt men langetermijninkomsten. Ik denk dat de gemeente op het verkeerde paard wedt en extra inkomsten denkt te kunnen genereren door veel nadruk op het toerisme te leggen. Maar daarmee stoot ze die creatieve klasse juist af en snijdt ze zich op termijn economisch in de vingers. Het bedrijfsleven keert Amsterdam al een aantal jaren de rug toe.”


Vermeer: “Dat heeft toch niets met het monumentenbeleid in de binnenstad te maken? De grote bedrijven zijn al tientallen jaren geleden uit het centrum vertrokken.”

Van Kralingen: “Maar de CEO’s wónen wel in de binnenstad. Met Ai!Amsterdam hebben wij vorig jaar met succes actie gevoerd tegen de absurde regel van de gemeente dat je niet meer staand op een terras bier mocht drinken. Toen kregen wij veel positieve reacties van CEO’s en allerlei mensen uit de creatieve industrie, zo van: eindelijk worden de Amsterdammers wakker! Zij vinden dat Amsterdam zijn karakter van liberale, open stad aan het verliezen is. CEO’s die normaal in de mooie grachtenpanden willen wonen gaan liever ergens anders heen als je van de Amsterdamse binnenstad een toeristisch dorp maakt.”

Vermeer: “Als de gemeente dat zou proberen, vrees ik dat dat niet lukt. De gemiddelde toerist weet helemaal niet of een stad een Unesco-status heeft. Ik heb weleens gehoord van mensen die de hele Werelderfgoedlijst afreizen, maar dat is maar een klein clubje. Schokland en het Wouda-gemaal staan ook op de Werelderfgoedlijst, maar ik zie daar geen rijen toeristen. Sterker, er komt geen hond op af.”

Meneer Schoonenberg, ziet u iets in de vrees van meneer Van Kralingen?

Schoonenberg: “Nee. Als de binnenstad alleen een historische façade is voor toeristen, snijd je jezelf natuurlijk gigantisch in de vingers. We zijn het erover eens dat de gemengde functie een belangrijke waarde van de historische binnenstad is. Die moet in stand blijven. Alle gevaren die dat bedreigen – zoals de ontwikkeling van Venetië – zijn autonome processen waar alle historische steden in Europa last van hebben, of ze nou wel of niet op de Unesco-lijst staan. Het beleid van onze gemeente is juist gericht op het behoud van de gemengde functie van de binnenstad.”


Van Kralingen: “Dat zijn mooie woorden, maar het gaat om daden. Er wordt al jaren aan vrijheden van Amsterdammers getornd. Een belangrijke aantrekkingskracht voor de creatieve sector is ook het uitgaansleven. Als de gemeente alle terrassen om elf uur wil sluiten en staand drinken verbiedt, zijn dat acties om de horeca in te perken. De gemeente heeft zélf onderzoek laten doen waaruit blijkt dat negentig procent van de Amsterdamse binnenstadbewoners tevreden is met de huidige balans van wonen, werken en recreëren. Met het terugdringen van de horeca tast je die balans aan.”

Vermeer: “Ik snap de connectie met Unesco werkelijk niet.”

Schoonenberg: “Kijk, deze meneer is van de actiegroep Ai!Amsterdam die in feite gewoon een pressiegroep is van de horeca.”

Van Kralingen: “Dat is een regelrechte leugen!”

Schoonenberg: “Uw belangrijkste programmapunt is dat je staand moet kunnen drinken op een terras, daar bent u voor opgericht, en u misbruikt nu eigenlijk de Unesco voor uw private belang als Ai!Amsterdam. Als die groep zijn zin krijgt, wordt de Amsterdamse binnenstad één groot horecacircus.”

Van Kralingen: “Maar wij zijn geen horecapressiegroep! Ik wil dat u dat nu terugneemt.”

Schoonenberg: “Nee. U treedt er voortdurend voor op. In elke discussie heeft Ai!Amsterdam het weer over staand drinken.”

Van Kralingen: “Omdat het exemplarisch is voor het gemeentebeleid.”

Schoonenberg: “Creatieve mensen vinden het leuk om op een terrasje te zitten, net als veel andere mensen die in de binnenstad wonen. Maar diezelfde mensen willen ook nachtrust hebben. Het gevaar dat de huidige balans kan bedreigen, is niet de toevoeging aan de Werelderfgoedlijst, maar komt van pressiegroepen zoals die van u. Ai!Amsterdam wil het tere evenwicht dat er nu is verstoren door vrij baan te geven aan de horeca.”


Van Kralingen: “Wij willen helemaal geen vrij baan voor de horeca! Voor alle duidelijkheid, ik woon zelf ook in de grachtengordel. Ik wil de balans juist houden zoals die nu is. We zijn gewoon bezorgde bewoners die naar aanleiding van die belachelijke ‘niet-staand-drinken’-regel wat dieper zijn gaan spitten. Via onze website kwam vervolgens een stroom reacties op gang waar wij van schrokken. Natuurlijk zijn Amsterdammers notoire klagers, maar wij hoorden over boetes die zijn uitgedeeld omdat er ergens een bankje stond en over mensen die hun geraniums ergens niet mochten neerzetten. Veel regels leken te wijzen op een gemeentebeleid om Amsterdam zo pittoresk mogelijk te maken vanwege die Unesco-nominatie.”

Is het in Amsterdam zo erg gesteld met de regels, vergeleken met andere Unesco-steden?

Vermeer: “Als je kijkt naar de ‘verrommeling’ op straat is Amsterdam juist ongekend tolerant. Kijk eens wat een oude, roestige fietswrakken je op talloze historische bruggen aantreft. De gemeente doet er zelf ook aan mee. Bijvoorbeeld door onnodig straatmeubilair te plaatsen op onhandige plekken, zoals lelijke parkeermeters of een woud aan verkeersborden pal voor een monument.”

Hoe pakken ze het in andere steden aan?

Vermeer: “Lüneburg is zo’n beetje de strengste stad die ik heb gezien. Verkeersborden zijn er bijna niet, licht- en gevelreclames worden tot een minimum beperkt en moeten aan strenge voorschriften voldoen. Zelfs het logo van de plaatselijke McDonalds is wit. Het is schitterend om te zien: een mooi, gaaf stadsbeeld zonder teringzooi erin. Ik zou er zonder meer willen wonen. Maar je hebt ook Unesco-steden waar op dat vlak helemaal niets gebeurt. De regels worden niet door Unesco opgelegd, hè, het is aan de steden zelf om te bepalen hoe ze ermee omgaan. Als het om gebrekkig onderhoud gaat, denk ik aan de Duitse stad Stralsund. Daar zie je nog voortdurend monumenten instorten omdat ze geen eigenaar hebben. In de periode dat het nog Oost-Duits was, is zeventig procent van de gebouwen onteigend, en niet alle eigenaren zijn daarna weer komen opdagen. Het staat op instorten en niemand doet er wat aan.”


Schoonenberg: “Maar ik vrees dat Amsterdam nu de Unesco-stad is met het meeste achterstallig onderhoud in het publieke domein. De VVAB heeft veel bereikt sinds onze oprichting in 1975, maar we vinden dat de Amsterdamse openbare ruimte volkomen is dichtgeslibt. Op dat vlak is nog veel te doen. Het is gewoon een gebrek aan gemeentebeleid. Ik schaam me er eerlijk gezegd dood voor.”

Vermeer: “De inrichting van pleinen en straten is inderdaad waardeloos. Veel overbodige rotzooi en reclame. Toch heb ik altijd het gevoel dat het licht anarchistische karakter van het straatbeeld wel een beetje Amsterdams is. Het hoort er ook bij.”

Van Kralingen: “Wat erg leeft onder de sympathisanten van Ai!Amsterdam, is de discussie over de Wallen. Wat gebeurt daarmee nu we op de Unesco-lijst staan? Amsterdam zonder de Wallen is als Parijs zonder de Eiffeltoren.”

Schoonenberg: “Wat misschien ook Amsterdams is, is dat men vaak maar wat roept zonder naar de feiten te informeren. Men wil de Wallen namelijk helemaal niet opheffen, alleen inperken. Het gebied begon een monocultuur te krijgen met maar één functie: een openlucht-eroscentrum. Logisch dat niemand daar meer wil wonen. Het enige wat men wil, is daar het evenwicht terugbrengen. De VVAB is daar voor. Ik ben dus eigenlijk heel liberaal, want ik vind dat alles moet kunnen in de stad. Alleen moet niet één functie overheersen. Als de Unesco-aanwijzing er al toe leidt dat we meer discussiëren over de vraag hoe we de gemengde functie van de binnenstad in stand kunnen houden, is dat al positief en heeft het al zin om op die lijst te staan.”


Van Kralingen: “Zoals ik het nu zie, voeren we dus eigenlijk dezelfde strijd. Alleen vanuit een verschillend perspectief. Het behoud van de historische stad heeft een sterke aantrekkingskracht op die creatieve klasse, net als het behoud van de verschillende gebruiksfuncties. Blijkbaar zijn dat in Amsterdam elementen waaraan de gemeente de laatste jaren te weinig aandacht heeft besteed.”

Schoonenberg: “Ik denk dat de Unesco-aanwijzing aan het licht zal brengen dat Monumentenzorg hier gewoon helemaal niets te vertellen heeft. Ze heeft uitsluitend een adviserende rol in de Commissie voor Welstand en Monumenten en kan makkelijk worden overruled door de rest van die commissie. Zelfs als het gaat om restauraties van monumenten.”

Van Kralingen: “Dat geeft maar weer aan dat de gemeente geen duidelijke visie heeft waar het heen moet met de stad.”

Vermeer: “Anders dan in sommige andere Nederlandse steden heeft Monumentenzorg in Amsterdam weinig draagvlak. Door Unesco kan dat een duwtje in de rug krijgen, en hopelijk gaat het monumentenbelang voortaan ook iets zwaarder wegen.”

Dr. Gerrit Vermeer (1956) is docent aan de UvA. Hij is specialist in de geschiedenis van de Nederlandse architectuur en de monumentenzorg. Hij adviseert gemeenten en monumenten-organisaties op het gebied van restauraties, herbestemmingen en welstandsvraagstukken.

Walther Schoonenberg (1957) is secretaris van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad (VVAB). De VVAB wil een betere bescherming van de Amsterdamse historische binnenstad en lobbyde daarom vijftien jaar lang om deze op de Unesco werelderfgoedlijst te krijgen.


Rogier van Kralingen (1976) is mede-initiatiefnemer van Ai!Amsterdam, een club van jonge ondernemers die protesteert tegen onnodige regels. Van huis uit is hij innovatiedeskundige, onder andere op stedelijk niveau. Daarover schrijft hij boeken en geeft hij lezingen.

Ernest Marx