Thuis in de Bijlmer

Verloederde flatgebouwen bevolkt door exotisch geboefte – dat is het beeld van Amsterdam Zuidoost. Ten onrechte, vindt verslaggeefster Else Lenselink, die al jaren met liefde in dit stadsdeel woont. ‘Je kunt even een brief posten en de deur open laten staan.’

‘Waarom heb jij een Bijlmerketting?” Mijn collega bij het Amsterdams Steunpunt Wonen wees naar de gouden naamketting die ik ooit van mijn man had gekregen. “Ik wóón in de Bijlmer,” zei ik met nauwelijks verholen trots. Ze barstte in lachen uit. “Jij woont in de Bijlmer? Waar woon je dan?” “In Hogevecht.” Mijn collega, die de flat beroepsmatig kende vanwege de nogal dramatisch verlopen renovatie, vond het een grote grap. “Waarom niet in Koningshoef of Geerdinkhof?”

Koningshoef en Geerdinkhof zijn laagbouwwijken met tuintjes en auto’s voor de deur. Een schril contrast met Hogevecht. Die flat is het thuis van veel Ghanezen, wat Surinamers, Antillianen en een handjevol Nederlandse oudgedienden dat er al dertig jaar zit. Al met al niet een plek waar mensen verwachten mij aan te treffen. Er woonden in het begin twee andere blonde dames, waar ik steevast mee verward werd -‘Nee, ik ben die andere blanke’.

De eengezinswoningen van het nieuwe Koningshoef, die vond mijn collega beter bij mij passen. Die hoogbouw, dat wordt toch nooit wat?

De hoogbouw. Onnodig grote betonnen kolossen die neerdrukken op het straatbeeld, maar in de woningen zelf voel je je juist heel licht. Op tien hoog ben je anoniem en losgemaakt van de ruimte om je heen. Geen wonder dat er af en toe bierblikken langs de gevel zeilen: met de straat beneden heb je eigenlijk niets te maken.

Oorspronkelijk werd de naam Bijlmer, een afkorting van Bijlmermeer, alleen gebruikt om de eerste hoogbouw in de D-, E-, F-, G-, H- en K-buurten aan te duiden. Maar inmiddels wordt heel het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost de Bijlmer genoemd, tot groot verdriet van de mensen in de wijken die later zijn bijgebouwd, zoals Gein 3, Nellestein of Reigersbos. Zij houden graag afstand van de oude Bijlmerbuurten, de grote flats en de problemen die breed worden uitgemeten in de media.


Doorgaans bepaalt de wijk de mening van mensen over hoe leuk het wonen is in de Bijlmer. Mensen wonend in de nieuwe, duurdere laagbouwwijken – Geerdinkhof of bij de Gaasperplas in het groen – zijn beter te spreken over hun stadsdeel dan de mensen in een sociale huurwoning in de nog immer te renoveren flat Kleiburg. Maar ook binnen een flat heb je genoeg verschillende meningen over het verschil tussen leuk en overlast.

“Mensen vinden jullie gewoon een stelletje Hollanders die niet weten hoe het zit.” Mijn buurman en ik keken elkaar onnozel aan. We kregen op onze kop van een flatgenoot, omdat we in de krant hadden geklaagd over wat dingetjes die volgens ons toch nog anders konden. Omdat je met media-aandacht doorgaans meer voor elkaar krijgt dan via de koninklijke weg, hadden we ons in het Amsterdams Stadsblad en Het Parool kritisch uitgelaten over de rol van het stadsdeel en woningcorporatie Rochdale bij de aanpak van onze buurtgangsters. Al vijftien jaar konden die redelijk ongehinderd hun gang gaan in de oude H-buurt. De reinigingsdienst kwam elke ochtend braaf alle restanten van hun nachtelijke bezigheden opruimen. Net nieuw in de Bijlmerflat Hogevecht vergaten mijn buurman en ik te checken wat onze flatgenoten daar eigenlijk van vonden. Als echte Hollanders waren we gewoon onze botte gang gegaan. “Jullie worden uitgelachen hoor,” zei de zelfbenoemde woordvoerder van de Hogevechtbewoners met een trotse glimlach. “Pas maar op: in Haardstee woont ook iemand die altijd de politie belt. Daar gaan ze dan ’s nachts brommerracen voor de deur.” Die kwajongens toch.


Een flatgenoot vond het een probleem dat we de media bij deze interne zaak hadden gehaald. De media belichten vaker zaken waar Bijlmerbewoners niet altijd trots op zijn. Jongens die midden in een Nederlandse woonwijk spelen dat ze in een Amerikaanse getto wonen, bijvoorbeeld.

Bijlmerbewoners en de media hebben een moeilijke verhouding. Het valt niet mee om je telkens weer je te moeten verdedigen tegenover de vele verhalen die rondgaan over het stadsdeel (‘Nee, in mijn garage zie je geen breezerseks’ en ‘Nee, mijn buurmeisje is geen tienermoeder’).

In de Bijlmer bemoei je je niet met andermans zaken, wat die zaken ook zijn. Vuile was hang je niet buiten, de status quo is altijd nog beter dan de stress die verandering teweegbrengt. We werken hard en willen verder met rust gelaten worden.

Zowel de buurtgangsters als het stadsdeel hadden baat bij mediastilte over de uitbreiding van hun criminele activiteiten. Dat dealers geen pottenkijkers kunnen gebruiken, spreekt voor zich. Maar het stadsdeel was net lekker bezig met een nieuw project: het imago van Zuidoost. Het invoeren van bijvoorbeeld een alcoholverbod lag dan ook gevoelig; het neerzetten van een alcoholverbodsbord tussen de rondslingerende lege flessen Hennessy zou slecht zijn voor het imago van de oude H-buurt. Het zou alleen maar een plaatje op AT5 opleveren dat alle vooroordelen bevestigt. Dat er mensen moeten wonen tussen de troep, was even van ondergeschikt belang.

Maar uiteindelijk zijn het toch de media geweest waarmee de buurtgangsters hun toekomst in de oude H-buurt hebben bekort. In een item op AT5 – dat even grappig als pijnlijk was – deden de jongens aan een verslaggeefster uit de doeken wat hun business precies inhield. Het filmpje circuleert nu al tijden op het internet onder ‘wannabe gangsterrappers’. Dit was genoeg om ook de burgemeester en het stadsdeel ervan te overtuigen toch maar iets aan de overlast te doen. Inmiddels wonen de meeste van hen in een buurtje verderop.


Amsterdam-Zuidoost is een apart stadsdeel, in allerlei opzichten. In de media wordt het meestal gepresenteerd als een exotisch getto, als een slechte buurt van Amsterdam. Om te begrijpen wat Zuidoost écht is, moet je het zien als een op zichzelf staande stad, apart van Amsterdam. Met goede buurten en slechte buurten, waarin zowel nette, tweeverdienende burgers wonen als mensen met een strafblad zo dik als een telefoonboek. Een aparte stad van 80.000 inwoners met een eigen geschiedenis, een eigen economie en een eigen politieke elite.

Als je er vanuit het centrum heen fietst, verlaat je eerst Amsterdam om dan via het dorpje Duivendrecht of Diemen Amsterdam-Zuidoost weer in te rijden. Oorspronkelijk was het niet eens de bedoeling dat het bij de hoofdstad zou horen. Het Bijlmermeer was drooggelegd met de gedachte dat er een nieuwe, aparte stad gebouwd zou kunnen worden. Daarna was het idee dat dit grondgebied toegevoegd zou worden aan gemeente Ouder-Amstel. Toen die gemeente daar in 1966 van afzag, werd Bijlmermeer ingelijfd bij Amsterdam.

Omdat er al mensen woonden toen er nog geen metro reed, is de Bijlmer nog lang geïsoleerd gebleven. En dat is het kennelijk nog steeds; sinds ik er ben gaan wonen, heb ik de helft van mijn oude vrienden niet meer gezien. Als je hier – zoals ik – komt wonen zonder ooms, tantes, kerkgenoten of clangenoten, blijf je lang afgesloten van de eigen dynamiek van de buurt.

Wat de Bijlmer ook apart maakt, is dat de bevolking zo samengesteld is dat veel mensen uit de rest van Nederland zich er niet in herkennen. En als ze zich vermannen om door de kleur van Bijlmerbewoners heen te kijken, is hun gedrag nog steeds fascinerend. ‘Wat doen al die mensen nou, zo midden op de dag op straat? Moeten die niet werken? Het lijkt wel een ander land. Hebben ze een feestje of zo? Kan ik met de auto komen? Of is die dan meteen verdwenen?’


Wanneer mensen iets leuks en kenmerkends over de Bijlmer willen zeggen, noemen ze vaak het multiculturele karakter van het stadsdeel. ‘Er zijn zo enorm veel verschillende nationaliteiten en culturen die gezellig samenleven in Amsterdam-Zuidoost.’ In werkelijkheid zijn er meer verschillende nationaliteiten in Amsterdam-Centrum dan in stadsdeel Zuidoost, en bovendien leven ze nauwelijks samen. Wat mensen meestal bedoelen, is dat de meest zichtbare cultuur – die van verschillende generaties Surinamers – hen aanspreekt. Voor hen is de Bijlmer een plek waar je lekker Surinaams eten kunt afhalen, waar tropische muziek uit de balkondeuren schalt, waar mensen niet binnen blijven maar elkaar op straat treffen.

Maar dit betekent niet dat we in Zuidoost samenleven in een soort gezellige multiculturele smeltkroes. De meest bijzondere opmerkingen hoor ik in de Bijlmer zelf. “Ik ga niet meer naar Kwakoe, want daar zijn te veel Afrikanen,” zei mijn Surinaamse kennis. “De Hindoestanen zijn weer aan de drank,” zei een vriendin over gegil bij de buren. “I like white people,” zei mijn Ghanese buurvrouw beleefd, toen ze een pen kwam lenen. En mijn kraamhulp heb ik na haar ontmoeting met mijn Roma-buren vreemd genoeg niet meer teruggezien.

Het stadsdeel bestaat uit allemaal kleine wijkjes die nauwelijks met elkaar in contact staan. Vijftig meter achter mijn flat in de oude H-buurt – waar de huizenprijzen beginnen bij 124.000 euro – begint de villawijk Huntum, waar vrijstaande woningen voor 500.000 euro weggaan. In deze bakstenen huizen, leuk aan het park en het water, hebben de mensen kliko’s in plaats van een gat in de grond voor je vuilnis, en een pleintje met losse garages waar je nog tegenaan kunt voetballen. Hier doen mensen nog open met Sint-Maarten.


De bewoners van de apart gelegen wijkjes weten nauwelijks wat er in elkaars wijk afspeelt. Bewoners uit Amsterdam-Zuidoost hebben dezelfde vooroordelen over andere Bijlmerwijken als mensen uit Friesland. Een vriendin uit de wijk Holendrecht, een beruchte, verloederende buurt die hemelsbreed 200 meter van mijn flat ligt, maakte zich ernstig zorgen dat ik alleen naar die enge H-buurt moest fietsen.

Ik fietste voor het eerst naar de Bijlmer vanuit de stad in 1998, uit nieuwsgierigheid. Mijn tocht voerde me over glooiende maaivelden vol met bomen en onoverzichtelijke bosjes. Als je goed keek, zag je dat mensen hutjes tussen de bomen in het Bijlmerpark hadden gebouwd van pallets en oranje bouwplastic. Af en toe zag ik iemand scharrelen, net zo verbaasd om mij te zien als ik hem. Op het veld naast de hutjes waren Afrikaanse mannen fanatiek aan het voetballen. Zodra ik van mijn fiets stapte in het stoffige Ganzenhoef, werd ik ingesloten door junkies. Ze schuifelden langzaam maar beslist op hun doel af: een vers dom grietje dat verdwaald was in de betonnen jungle. Ik ben snel weggefietst.

Dat was de oude Bijlmer. Ganzenhoef, toen nog een beruchte onleefbare plaats in de schaduw van de probleemflat Gliphoeve, was een verzameling winkeltjes waar je eventueel iets zou kunnen kopen, als je lef had. Inmiddels is de plek verbouwd tot het nette winkelcentrum Ganzenpoort, met een Kruidvat en een Albert Heijn. Inmiddels zijn veel flats in de D-, E-, F-, G- en K-buurten gesloopt en zijn de maaivelden tussen de flats grotendeels verdwenen. De bomen zijn gekapt en de weidse ruimtes maakten plaats voor parkeerplaatsen en op elkaar gepropte laagbouw. Het doet nog het meest denken aan een vinexwijk in een inwisselbare Nederlandse groeikern. Er staan hier alleen hysterisch veel straatlampen – voor de veiligheid.


Ik woon in de H-buurt. Omdat daar de maaivelden nog ónbebouwd zijn, de wegen nog hoog zijn, de kinderen nog zelf kunnen buitenspelen en de mensen nog echte stedelingen zijn. In het vertruttende Amsterdam is de Bijlmer nog relatief onaangetast. De truttigste persoon in de buurt ben ik zelf.

Oorspronkelijk ben ik in de oude H-buurt verzeild geraakt omdat ik – net als zoveel mensen in de Bijlmer – even nergens anders terecht kon. Uiteindelijk heb ik besloten om te blijven toen ik op zoek was naar een grote woning, op de begane grond, met parkeerruimte, voor weinig geld.

De oude H-buurt bestaat uit vier grote flats. De betonnen gevaartes doen je duizelen als je eronder staat en naar boven kijkt. De buurt staat niet al te best bekend: er wonen relatief veel eenoudergezinnen, minimahuishoudens, werklozen en laagopgeleiden. De bewoners zijn bovengemiddeld jong: ongeveer eenderde is jonger dan 24 jaar en groeit meestal niet op in de welvarende, stabiele gezinnen die de bedenkers van de Bijlmermeer in de jaren zestig voor ogen hadden.

Als je probeert in Nederland gemiddeld 10.000 mensen, van verschillende afkomst, die elkaar nauwelijks kennen, op een oppervlakte van 500 bij 600 meter te laten samenleven in sociale woningbouwflats, dan krijg je de oude H-buurt. Geïsoleerd van de rest van het stadsdeel door het Bijlmerpark, het winkelcentrum de Amsterdamse Poort, de ABN AMRO en de Karspeldreef, kan je dat op zijn minst een sociaal experiment noemen, dat naar omstandigheden nog wonderlijk goed uitpakt.

Mijn flat Hogevecht – bekend van de illegale ruilhandel van woningcorporatie Rochdales Hubert Möllenkamp, locatie van diverse schietincidenten en van de olijke jeugdserie Abi – is toch de leukste van de vier flats. Nieuwbouwwoningen zijn aan de flat toegevoegd op plaatsen waar eerder de beruchte fietsboxen zich bevonden. De garages zijn losgemaakt van de flats, zodat bewoners niet meer via de donkere garages de flat hoeven te betreden. Mensen wonen nu direct aan het maaiveld, er is altijd wel iemand op straat en die doet je echt niets. Als je naar buiten kijkt, zie je Ghanese, Surinaamse, Afghaanse en Nederlandse jochies fanatiek strijden om een toekomstige rol in de Nederlandse voetballerij. In Hogevecht kan wat bijna nergens anders kan in Amsterdam. Je kunt even een brief posten en de deur open laten staan.


“Stadsdeel Zuidoost is het schoonste stadsdeel van Amsterdam,” zei stadsdeelvoorzitter Elvira Sweet tegen de bewoners van de buurt waar het vuilnis soms in de bomen hangt. Beter vuil op straat, dan vuil in je huis, is de heersende gedachte. Meeuwen plukken doelgericht aan de vuilniszakken, de grasmaaier versnippert de frietbakjes op het gras, waarna buurtkinderen weer kunnen voetballen op een vrolijk knisperend veld. De opmerking van de stadsdeelvoorzitter verried dat de bestuurders van Zuidoost niet vaak door de oude H-buurt wandelen.

Op de automatische piloot vertelde de voorzitter een ongeduldige menigte bewoners wat ze niet wilde horen: “Het gaat allemaal al veel beter dan vroeger, we zijn van ver gekomen.” Mensen waren kwaad omdat de garage bij Hoogoord sinds het cameratoezicht in het aangrenzende winkelcentrum overspoeld werd door drugsverslaafden en de hele economie die daar bij hoort. Sweets zalvende woorden hadden een averechts effect op de aanwezigen. “Nee-hee,” brulde iedereen in koor. De bewoners probeerden duidelijk te maken dat er nu echt actie nodig was.

Het feit dat het stadsdeelbestuur niet direct van de bewoners aannam wat er aan de hand was en de urgentie niet inzag, is precies de reden waarom Bijlmerbewoners weinig vertrouwen in hun bestuur hebben. Niet veel mensen in de H-buurt voelen zich vertegenwoordigd door deze politici. De afgelopen gemeenteraadsverkiezingen was de opkomst weer heel laag in Amsterdam-Zuidoost; amper veertig procent kwam opdagen.

“Ik ga niet stemmen,” beet een Surinaamse man mijn uitgestoken hand met flyer toe, “Wilders doet namelijk niet mee.” Met open mond keek ik de stampvoetende man na. Al flyerend voor mijn favoriete stadsdeelpoliticus, Roy Ristie, kwam ik erachter hoezeer politiek in Amsterdam-Zuidoost verwijderd is van de mensen en andersom, hoe mensen zich bewust afzijdig houden van de politiek. Politiek in Amsterdam-Zuidoost heeft veel weg van een spannend spel van enkele intimi, niet verdeeld langs de lijnen van politieke idealen, maar in clubs met voor een buitenstaander onnavolgbare scheidslijnen.


In contrast met de grootse plannen die politici met het stadsdeel hebben, vragen veel mensen in de oude H-buurt niet veel. Als ze maar een eigen, betaalbaar huis hebben, zonder gangsters voor de deur, ramen die heel zijn, een lift die het doet – graag zonder pis of kippenbotjes – en een veilige garage zonder junkies en dealers. Meer verwachten ze niet van hun politieke vertegenwoordigers. En voor de rest willen ze zich met hun eigen sores bezighouden. Alles in de opmaat naar het grote Bijlmerideaal: ‘Hoe gaat het?’ ‘Rrrustig…’ Rustig is het beste antwoord dat je kunt krijgen; ‘het gaat’ of ‘druk’ is geen wenselijk antwoord. Toch is rustig maar een relatief ideaal. Zoals een Surinaamse buurtgenoot laatst zei toen ik vroeg wat hij ging doen: “Ik ga maar naar mijn werk. Als je in Nederland stil gaat zitten, krijg je stress.”

Else Lenselink