D.V.D.B.A.H.G.W.E.V.K.W.

Naar aanleiding van een mogelijke terugkeer van vedetten als Mido en Zlatan naar Ajax, vroeg fanatiek twitteraar Martin Koolhoven zich onlangs af of er, buiten Johan Cruijff en Frank Rijkaard, ooit één uitgevlogen Ajacied is geweest wiens neerstrijken op het oude nest als ‘succesvol’ kan worden omschreven. Een terechte vraag, want de thuiskomst van voormalige rood-witte helden als Jari Litmanen, Edgar Davids en Frank Verlaat voldeed op z’n zachtst gezegd niet aan de hooggespannen verwachtingen. Met die wetenschap in het achterhoofd zou je dus zeggen: laten Cristian Chivu, Wesley Sneijder en Rafael van der Vaart alsjeblieft voor altijd wegblijven, zodat de zoete herinnering niet wordt vergald door de bittere nasmaak van een mislukte comeback. (Even tussen haakjes: laatst zag ik in een steakhouse aan de Amstelveenseweg Piet Keizer zitten, achter een enorme biefstuk en een karaf wijn. Wees gerust: die komt niet terug.)

Cruijff en Rijkaard, veel verder kwamen Koolhoven en zijn mede-twitteraars niet. Dus kreeg ik alle gelegenheid om de naam Arnold Mühren te laten vallen. Als min of meer overbodige reservespeler verruilde deze Volendammer Ajax medio jaren zeventig voor FC Twente, om aansluitend succes te vergaren bij het Ipswich Town van Bobby Robson en bij Manchester United, waar hij de eerste Nederlander werd die in een FA Cup Final doel trof. Om niet lang daarna op voorspraak van Cruijff te worden teruggehaald naar Ajax, waar hij meteen maar even meehielp de Europa Cup II te pakken (voor onze jongere lezers: dat was een foeilelijk bekertje voor de club die een competitie van nationale bekerwinnaars op zijn naam wist te schrijven). En passant reisde hij met Oranje naar West-Duitsland, waar hij in de EK-finale van ’88 de Moeder Aller Voorzetten baarde, al spreekt hij zelf in alle bescheidenheid liever van ‘een mislukt schot’. “Was die bal op maat geweest, dan was er nooit een doelpunt gevallen.”

Ik hou van succesvolle voetballers die gewoon zijn gebleven, en Arnoldus Johannes Hyacinthus Mühren is daarvan wel een heel aansprekend voorbeeld. Mühren, wiens palmares onder meer twee landstitels, vier KNVB-bekers, twee Europa Cups I, twee Europese Supercups, één Europa Cup II, één UEFA Cup, één wereldbeker voor clubteams, één FA Cup (bij zijn tweede finale maakte hij geen deel uit van de selectie en volgens Engelsen hoor je er dan niet bij), één Charity Shield en één Europese beker voor landenteams bevat, was gezegend met een fluwelen traptechniek à la David Beckham. Maar waar laatstgenoemde vanuit Los Angeles een privécoiffeur laat invliegen als er een plukje haar scheef zit (Arnold Mühren heeft zich zo te zien altijd laten knippen door een bereidwillige tante), zich in een gouden kooi heeft afgesloten van de grote boze buitenwereld en daar alleen uitkomt om samen met buurman Tom Cruise wat flitslicht terug te koppen, daar stopt bij Arnold Mühren voor de deur gewoon de streekbus.


Ik heb eens het genoegen mogen smaken om urenlang bij Arnold thuis over voetbal te praten. Aan het eind van onze uiterst genoeglijke conversatie liep de onopgesmukte maestro naar een zelf in elkaar getimmerd prijzenkastje in de hoek van de huiskamer. Daar lagen ze: medailles, lintjes en kleine replica’s van bekers, kortom tastbare herinneringen aan een uitermate rijk voetballeven. “Ach ja,” mompelde Arnold, “mensen zeiden altijd dat ik die dingen eens moest laten zien. Dus toen heb ik ze op een gegeven moment maar in dit kastje gelegd.”Op dat moment ging de bel. Op zijn sokken sjokte De Voetballer Die Bijna Alles Heeft Gewonnen Wat Een Voetballer Kan Winnen naar de voordeur.Het was de man van de leesmap.

Michiel Blijboom