Het kan verkeren

Heeft de PvdA met het inruilen van Wouter Bos voor Job Cohen verkeerd gegokt? Is hij de aangewezen man om de oppositie te leiden? Wat is er verkeerd gegaan? Cohen-hater Afshin Ellian sprak in zijn NRC-column op 14 augustus al triomfantelijk van Job de Verlosser als Job de loser.

Dat is rijkelijk voorbarig. Allereerst is het afwachten of er straks onder Wilders’ leiding wel een kabinet-Rutte komt. Het CDA kan onder druk van de achterban afhaken als Wilders in New York opnieuw verbaal ontspoort. Of de PVV kan afhaken als Wilders omwille van een minimum aan geloofwaardigheid niet al zijn sociaal-economische beloftes op het rechtse altaar van de bezuinigingswoede wil opofferen. En dan is Job the loser plots Job the winner, want dan kan niemand om hem heen. Dan kan het bladgoud van verkiezingswinnaar Rutte wel eens heel snel afgebladderd blijken.

Met andere woorden: de afloop van de formatie is sterk bepalend en de uitkomst daarvan hangt van veel toevallige factoren af. Dat begint al met de verkiezingsuitslag: de VVD heeft net één zetel meer dan de PvdA; VVD, CDA en PVV beschikken samen over 76 zetels. Eén zetel minder voor de VVD en de kaarten hadden anders gelegen. Tot diep in de verkiezingsnacht zag het er ook anders uit, of zoals Wim Kok in 1994 na zijn nipte verkiezingsoverwinning op Brinkman opmerkte: “De afstand tussen hoofduitgang en nooduitgang is in de politiek gering.”

De verkiezingsuitslag van 9 juni heeft voor de PvdA een dubbel karakter. Enerzijds is het de op een na slechtste ooit: nog eens drie zetels van het resultaat van 2006 eraf, wat tot dan toe het op een na slechtste resultaat ooit was. Anderzijds is het vergeleken bij de peilingen begin dit jaar een verdubbeling van het aantal zetels en ook ten opzichte van de desastreus verlopen Europese verkiezingen is er sprake van een indrukwekkend herstel. De PvdA heeft dus van de kabinetsbreuk geprofiteerd: zij verloor op 9 juni van alle drie de coalitiepartijen relatief het minst en niet de PvdA – zoals eerder dreigde – maar het CDA werd gehalveerd.


De consequentie kán inderdaad zijn dat de PvdA nu in de oppositie belandt. Maar een politieke partij moet niet per se willen regeren, zeker niet als zij daarmee inhoudelijk ongeloofwaardig wordt. En dat werd de PvdA in Balkenende-IV – en zo dreigde een jaar later een enorme electorale afstraffing, waarna zij alsnog in de oppositie zou zijn beland. Regeren is halveren, om met D66 te spreken. Politieke strategie is vaak een kiezen tussen twee kwaden, en de PvdA zit als potentiële regeringspartij tegenover CDA en VVD nu eenmaal met een vaste handicap: er is geen linkse meerderheid, dus er moet altijd over rechts worden geregeerd, zodat elke keer opnieuw beoordeeld moet worden of de kansen opwegen tegen de risico’s. Dat staat los van de lijsttrekker.

Die is uiteraard niet onbelangrijk voor het eigen resultaat, maar eventuele winst gaat dan vooral ten koste van overig links: PvdA, SP, GroenLinks en D66 zijn communicerende vaten. Bovendien is de ervaring dat de PvdA als zij wint (1977, 1982, 1986, 2003) steeds door het CDA in de oppositie wordt geduwd en dat ze alleen als ze verloren heeft, mee mag doen (1981, 1989, 2006). 1998, in het Paarse tijdvak, vormde de grote uitzondering. Die paradoxale uitkomst valt ook nu nog niet uit te sluiten.

Het herstel in de peilingen begon dit voorjaar al onder Bos en zette zich vervolgens onder Cohen voort. Maar dat was nog voordat de campagne echt begonnen was, en dan gaat alle media-aandacht vanzelf uit naar een nieuwkomer. Het was niet verwonderlijk dat, toen de verkiezingsstrijd daadwerkelijk begon, Cohen het aanvankelijk tegen ervaren debaters als Halsema, Pechtold en Rutte moest afleggen. Bovendien heeft hij in tv-debatten het nadeel van de redelijke polderbestuurder, die eerst op andermans argumenten ingaat en zo niet meer aan zijn eigen statement toekomt, omdat hij dan al door de ongeduldige gespreksleider is afgekapt. Bos was ongetwijfeld geschikter geweest als polariserende campaigner, maar Cohen is de betere verbindende premier.


Over zijn geschiktheid als (eventueel) scherp oppositieleider valt in dit stadium nog weinig te zeggen: het is een vak dat je leren moet, en ook leren kunt. Ook Bolkestein werd bij zijn aantreden weggehoond, maar boekte uiteindelijk wel zestien zetels winst. Pechtold staat nu als parlementariër in hoog aanzien; zijn weinig florissante ministerschap is vergeten. Rutte werd twee jaar geleden nog algemeen afgeschreven. Dat hij een goed politicus is, vindt inmiddels iedereen, maar wordt hij ook een goed premier? Op grond van wat wij tot nu toe gezien hebben, is die rol hem evenmin of evenzeer op het lijf geschreven als die van oppositieleider Job Cohen.

Thomas van der Dunk