‘Ik ben hartstikke eenzaam’

Vorige week vrijdag overleed Conny Mus (59) plotseling aan een hartaanval. HP/De Tijd-verslaggever Marcel van Roosmalen zocht de Midden-Oostencorrespondent van het RTL Nieuws in 2002 op en schreef deze prachtige reportage. Een kijkje in de maffe wereld van Conny Mus: ‘Ik vind zowel de Israëli’s als de Palestijnen klootzakken.’

Conny Mus (51) staart naar het plafond als hij over het leven praat. “Het gaat even minder. Ik zit in een dip. Ik ben hartstikke eenzaam.” Hij laat foto’s zien van vriendin Alexandra – blond, bruin en slank – en dochter Natasha (3) – blond, bruin en vrolijk. Alexandra zat vroeger in de juwelenhandel, maar exploiteert nu een nailstudio in Jeruzalem en Natasha wordt volgens Conny Miss World 2020.

God, wat mist hij z’n meisjes. Ze zitten in Servië om de vader van Alexandra te begraven. Over twee weken komen ze terug, maar de kans is groot dat Conny ze dan niet ziet. Hij wil in Bagdad zitten als ‘het daar begint’. Hij verheugt zich op Bagdad. Alles beter dan Jeruzalem.

De Midden-Oostencorrespondent van RTL 4, RTL Z en VTM (het Vlaamse RTL-zusje) heeft dikke wallen onder de ogen. Vannacht is-ie doorgezakt in de kroeg om alles te vergeten. De hond likte ‘m vanmorgen veel te vroeg wakker. “We hebben hem pas. Hij moet altijd schijten.” Na het rondje met het hondje ging hij meteen naar kantoor in West-Jeruzalem.

Sinds vanmorgen ligt hij daar in zijn stoel. De cowboylaarzen rusten op het bureau. Met de afstandsbediening zapt hij van zender naar zender. “Ik ben verslaafd. Ik kan niet zonder nieuws.” Het is alarmfase 1 in Jeruzalem. De tv-zenders waarschuwen voor een Palestijnse vrouw die mogelijk een aanslag wil plegen.

Conny Mus wordt er niet goed van. Vorige week ontplofte er vlak bij zijn huis een bus. Tien doden, veel gewonden en afgerukte ledematen in zijn straat. Sindsdien slaapt hij slecht en jankt hij veel. “Wat een ellende. Alexandra belde meteen vanuit Servië. He-le-maal over de rooie.”


Hij woont nu twintig jaar in Jeruzalem. De laatste twee jaar is het een kutstad. En afgelopen weken vond hij het er verschrikkelijk. De man met de hamer is langsgekomen en heeft hem een flinke tik gegeven. “Ik ben een emotioneel mens. Ik jank makkelijk. Ik ben geen held, maar op het werk kan ik me afsluiten. Ik ben wel een prof, hè?”

Hij somt alle ellende op die hij in Israël heeft gezien. “We hebben F16’s gehad, gevechtshelikopters, liquidaties, bomaanslagen in allerlei varianten, tanks in Bethlehem… Het vreet aan me. Ook privé. God, wat ben ik blij dat mijn meisjes er nu niet zijn. Ze zitten veilig in Servië.”

Hij vraagt zich af of Jeruzalem de ideale omgeving is voor z’n dochter om op te groeien. “Wij kunnen nooit met de bus. De taxi’s zijn hartstikke duur. Effe lekker shoppen doen we zelden. We gaan nooit meer uit. Borreltjes drinken we bij vrienden. We zitten nooit op een terrasje. Het enige wat we nog kunnen, is de hele zomer barbecueën in de tuin.” Het is zelfs zo erg dat hij twijfelt of hij wel naar de nieuwe Harry Potter- en James Bond-films zal gaan. Met een ernstig gezicht: “Weet jij dat het al meer dan een jaar geleden is dat ik in een bioscoop ben geweest?”

Hij wil ook graag naar de dierentuin. “Dat wil zo’n meisje. Het probleem is: je kunt ‘r niet de hele dag opsluiten in de tuin. Je moet haar naar een crèche brengen. Dat zijn allemaal risico’s hier.” Hij besluit met ‘en nuga ik pissen’ en loopt zijn werkkamer uit.

De muren hangen vol met foto’s van Conny. Overal ter wereld staat hij met z’n microfoon. We zien Conny met een kalasjnikov in bed, Conny met Pistolen Paultje, Conny met Arafat, Conny met Simon Peres, Conny met Freddy Heineken, Conny in een kogelvrij vest en Conny met helm. Er hangt ook een grote foto van Viola Holt, want dat is zijn beste vriendin.


Conny komt samen met zijn assistente en producer Emma weer binnen. Ze geeft een handje en Conny zegt erbij dat het ‘een gouden wijf’ is. Ze overleggen of ze wel of geen beelden moeten kopen van een ander station. “Wat vragen ze?” wil Conny weten. “450 dollar per minuut,” zegt Emma. “Laten ze het lekker in hun reet stoppen!” beslist Conny.

Conny zegt dat ‘alle vooroordelen kloppen’ en dat Israëli’s aardig lijken, maar het niet zijn, “Als je hier woont, leeft en werkt, blijkt gewoon dat het geen aardige mensen zijn. Ze zijn onbeschoft en willen altijd gelijk hebben. Ze weten het altijd beter. Kijk naar het verkeer en je weet hoe ze zijn.”

Zelf heeft hij het een aantal jaren met een Israëlische vrouw ‘uitgehouden’, dus hij is ervaringsdeskundige. “Op de een of andere manier is er in dit land een vrouwenoverschot. Israëlische vrouwen zijn lastig. Heel moeilijk. Ze zijn heel knap, maar na hun 25ste doen ze d’r niets meer aan. Dan hebben ze een vent. Daarna krijgen ze kinderen en dijen ze uit. Dat is de cultuur hier.”

Conny lacht. “Jongen, het is zo’n maffe samenleving. In deze stad is het één grote religieuze hutspot. Allemaal groeperinkjes met hun eigen dealtjes. Heb je de pinguïns al gezien? Zo noemen we die lui die zich helemaal in het zwart kleden. Het zijn allemaal sekten. De ene groep heeft wel pijpenkrulletjes, de andere niet. Je hebt er met geborduurde keppeltjes, maar ook met pofbroekjes of witte kousen. Je hebt hier ook een stroming waarvan de vrouwen kaalgeschoren moeten zijn.” Hij moet nu heel hard lachen. “Ja joh, kale vrouwen…” Hij wijst naar zijn kruis. “Niet daar kaal, maar gewoon op het hoofd geen haar. Je maakt het hier allemaal mee. Je kunt het vergelijken met al die verschillende stromingen in het christendom. In het begin was het voor mij allemaal abracadabra.”


Nu weet hij precies wie bij welke groep hoort. Hij ziet ook meteen of iemand Arabisch of joods is, maar ‘het conflict’ begrijpt hij steeds minder. “Het hele politieke klimaat is in de war sinds de tweede intifada. Met Israëli’s kun je geen redelijk gesprek meer voeren. Ze zien alleen hun eigen kant en zijn blind voor wat ze de Palestijnen aandoen. Toen ik vorige week bij die ontplofte bus stond, voelde ik ook geen sympathie voor de Palestijnen. Als ik in de bezette gebieden ben en zie hoe Israëlische militairen de Palestijnse bevolking volledig vernederen en ze zie schieten op kinderen, heb ik geen enkel respect voor de staat Israël. Ik vind zowel de Israëli’s als de Palestijnen klootzakken omdat ze niet in staat zijn de boel op een redelijke manier op te lossen. Ik denk dat wij er binnen een kwartier uit zouden zijn.”

We beamen dat dit zo is. Conny zucht: “Een correspondent hoort met z’n poten in de blubber te staan. Dus ik moet niet zeuren.” Maar van te veel blubber wordt een mens gek. Conny zegt dat het aan hem vreet. Wouter Kurpershoek van het NOS Journaal is zelfs tijdelijk ‘gek geworden’ van alles wat hij heeft gezien. “En Joris Luyendijk van de NRC gaat hier ook weg, hè? Jammer. Dat was een goeie gozer. Die kwam ik altijd tegen op de plekken waar het gebeurde. Z’n vriendin woonde hier nog geen week of ze vond al een afgerukte arm in de plantenbak. Dat is minder.”

Conny heeft diep respect voor de journalisten in het veld en kijkt neer op hen die zich er makkelijk vanaf maken. “Ik bedoel jou niet, hè? Jij komt hierheen om mij te spreken. Zo hoort het. Je kunt de totale Conny Mus niet bevatten als je ‘m drie keer spreekt door de telefoon. Je moet ‘m zien. Je hebt ze hier ook. De jongens met hun moderne communicatiemiddelen die de hele dag in de tuin zitten. Ze zoeken wat beelden bij elkaar en schrijven er in alle rust een verhaaltje bij. Klaar is Kees. Dat is geen journalistiek! Als er een bus ontploft, wil ik die bus en alle ellende zien en het schreeuwen horen. Ik heb het al tienduizenden keren gezien en ik heb er slapeloze nachten van, maar het is mijn plicht naar de kijkers er zelf bij te zijn geweest.”


Conny Mus vindt Conny Mus helemaal niet bijzonder. “Ik ben heel gewoon. Niets beter dan de rest. Ik begrijp al die aandacht voor mijn persoon niet goed. Ik doe gewoon mijn werk en begrijp niet dat dat bijzonder is. Maar de erkenning doet me goed. Als er Nederlandse politici op bezoek zijn, merk ik dat ze mijn werk volgen. Ze willen er met mij over discussiëren. Laatst ben ik uitgenodigd voor het uitreiken van de grote beelden op het gala. Dat streelt je eergevoel. Dat vond ik eigenlijk wel ongelooflijk geil.”

Toen hij begon, namen andere correspondenten hem niet serieus. “Het was heel erg,” zegt Conny. “Ik wilde lid worden van de buitenlandse persvereniging en ze hebben geprobeerd dat tegen te houden. Toen ik voorzitter van die club werd, zagen dezelfde collega’s me in één keer wel staan. Daar moet ik om lachen.”

“Ik heb ooit gezegd dat je in dit gebied geen correspondent kunt zijn als je joods bent. Het lijkt me moeilijk werken in Palestijns gebied als je Salomon of Rosenthal heet. Ik denk dat Eddo Rosenthal daar nog steeds boos over is. De andere joodse correspondenten gaan daar een stuk volwassener mee om. Eddo heeft een frustratie waar ik niks aan kan doen. Iedereen vergelijkt mijn werk altijd met dat van hem en dat is niet leuk voor Eddo.”

“Toen het nog kon, speelde ik ieder jaar voor Sinterklaas in de bezette gebieden. Dan kwam ik op een paard Ramallah binnenrijden. Ik deed dat voor de kindertjes van de Nederlandse diplomatieke delegatie. Nu doe ik dat nog steeds voor de Nederlanders hier. Die noemen me allemaal ‘vieze klaas’. Ik probeer zoveel mogelijk pepernoten in het tapijt te trappen. Enfin, Eddo had ook een keer gehoord van die Sinterklaas in Ramallah en dat leek hem wel een leuk onderwerp voor het NOS Jeugdjournaal. Toen hij hoorde wie die Sinterklaas was, heeft hij het onderwerp snel gecanceld. Heel kinderachtig.”


Zo, dat is gezegd. Nu gaat Conny naar huis. Een middagdutje doen. Twee mobiele telefoons naast het hoofdkussen. ’s Avonds doet hij mooie kleren aan en een geurtje op. Conny houdt van whisky en Formule I. Hobby’s die zich in Jeruzalem makkelijk laten combineren. Na vier whisky’s bij het eten laveert hij in z’n witte auto met RTL 4-stickers moeiteloos tussen de blokkades van het Israëlische leger door.

De stemming zit er goed in. De raampjes staan open en de stereo staat op tien. Hij draait drie keer achter elkaar een nummer van André Hazes en schreeuwt mee met de muziek. “Zij ge-looooft in mij-ij: Toekomst in ons alle-bei-ei!”

Hij wordt er emotioneel van en kondigt aan dat hij bijna moet janken. Het is allemaal zo mooi en zo echt wat André zingt. “Die gozer is zo echt! Ik hou van echte mensen. Ik ben net als André Hazes, vind je ook niet? Ik denk dat ik echt ben. Ik ben echt! Ik ben Conny Mus, gewoon open en eerlijk. Mooi toch?”

Het is fijn om echt te zijn. Conny zet de muziek nu nog harder. “Ik ben hart-stik-ke emotioneel. André maakt alles los. Ik ben een echt mens.” Na nog twee keer André Hazes en drie keer You Can’t Always Get What You Want, een nummer dat ook heel wat losmaakt, stopt de auto bij het American Colony-hotel. Conny komt er graag en vaak.

“Hier komen alle grote jongens,” zegt Conny. “BBC, CNN, de hele hap.”

Binnen bestelt Conny whisky en concludeert dat we boffen. “Wat heb jij een schitterend beroep, jongen. Jij mag dit allemaal meemaken.” Nu gaat hij vertellen over zijn leven. En hij gaat ook vertellen hoe Conny Mus correspondent werd.


Zijn vader bestuurde de tram in Amsterdam. Hij heeft een zus. “Dat wijf is goed. Zo goed.” Zijn schooltijd is makkelijk te vatten: hij deed niets en werd van alle scholen afgetrapt. “Ik heb dus helemaal niks afgemaakt.”

Z’n vader zei dat hij maar moest gaan werken. En zo kwam hij op zijn zeventiende terecht bij Hortescultura, een bedrijfje dat handelde in vleesproducten uit het Oostblok. Als snel werkte Conny zich op tot verkoopleider. “Ik importeerde blikjes goulash uit Roemenië. Dat verkocht ik aan Edah, Albert Heijn en Aldi. Uit die tijd stamt mijn kookhobby. Ik ontwikkelde een eigen recept: we noemden het Mip-goulash.”

Later kwam er dankzij Conny ook Mip-jam, Mip-beef stroganoff, Mip-haché en Mip-salamiworst uit Roemenie naar Nederland. “Ik moet nu niet te veel aan die worst denken,” zegt Conny. “Het water loopt me in de mond.” Conny kan veel vertellen over salamiworsten. Hij maakt zich kwaad als mensen zeggen dat Hongaarse salamiworsten beter zijn dan Roemeense. Dat is namelijk niet zo. “Hongaren spuiten iets in de worst om het droogproces te versnellen. Dat proef je.” Na een korte stilte: “Roemeense worst is gewoon fantastische worst.”

Na een meningsverschil met zijn baas begon Conny voor zichzelf. Zijn bedrijf noemde hij naar zijn worsten: Mip Merchandising. “Levensmiddelen zijn gewoon heel leuk,” zegt Conny.

Het ging mis toen z’n huwelijk op de klippen liep. “Helemaal mijn eigen schuld,” zegt Conny. “Ik was gewoon een stoute jongen. Op beursjes en partijtjes kwam je weleens een ander tegen.” Het ging verschrikkelijk fout. Conny raakte in een heel diepe dip en verkocht Mip. “Ik wilde het land uit en ben voor een vriendje in Israël gaan werken. Hij importeerde bloemen en planten. Inmiddels heeft die jongen een heel mooie huishoudelijke keten in Israël. Je kunt er heel exclusieve potten kopen.”


Conny begon een nieuw leven. Hij trok in bij ‘een lokale schone’ en ontmoette in een hotel een cameraploeg van de EO. “Ik heb ze geholpen met regelen. Later ben ik voor de EO gaan freelancen. Zo ben ik de journalistiek in gerold. Ik wist meteen: hiervoor ben ik gemaakt.”

Om een lang verhaal kort te maken: een paar jaar later tipte een vriendje Ruud Hendriks van RTL over Conny. Ze zochten een correspondent in Jeruzalem voor het nieuwe station RTL 4.

“Mijn grote doorbraak kwam met de revolutie in Roemenië. RTL 4 was nog maar een paar weken in de lucht en ik wist dat ze daar niemand hadden. Ik belde met hoofdredacteur Rick Rensen en vertelde hem dat ik dezelfde avond met een cameraman in Boekarest zou zitten. Ik kende het land uit mijn Mip-periode. Ik heb er een maand gezeten en de hele revolutie verslagen met minimale middelen.”

Eenmaal terug in Jeruzalem had hij ‘het geluk’ dat de Golfoorlog uitbrak. Tijdens een luchtalarm verscheen hij met een gasmasker op het hoofd op de televisie. “Dat was verdomme een opzetje van Loretta Schrijver,” zegt Conny. “Ik stond helemaal alleen op straat en vertelde dat iedereen met een gasmasker in de schuilkelders zat. Loretta vond dat ik ook een gasmasker moest opzetten. Ze maakte zich zorgen en ik luisterde naar haar. Daar had ik al snel spijt van. Later in het journaal zette ik het ding af. Toen Loretta vroeg waarom ik dat deed, zei ik: ‘Anders kan ik geen sigaretje roken.’ Volgens de eindredacteur van het RTL 4-nieuws is dat het beste wat ik ooit op televisie heb gezegd. Dat soort dingen zijn heel herkenbaar voor onze kijkers. En het klopt ook hè? Met een gasmasker op je hoofd kun je niet roken.”


We knikken instemmend. Conny bestelt nog een laatste whisky en daarna nog one for the road, en ook nog eentje om het af te leren. Daarna concludeert hij: “Wat is het toch geweldig om over je vak te praten.”

Vervolgens vertelt hij over de reportages die hij maakte in Cambodja (“Zat ik met een stel amateurs in de jungle”), Egypte (“Geweldige kruidenmarkt”) en nog veel meer landen. Binnenkort kunnen we het allemaal lezen in het boek dat hij gaat schrijven over zijn leven. De eerste deadline van de uitgever heeft hij vanwege de stress en de spanningen van de laatste tijd niet gehaald, maar binnenkort trekt hij zich twee of drie weken terug om het op papier te zetten.

Een Palestijnse ober brengt de rekening. Conny begroet hem met een spontaan ‘All Palestines are murderers’. “Vindt die man schitterend,” legt Conny uit. “Ik kom hier al jaren. Die man vindt het fantastisch dat ik zoiets roep.”

Dan ziet hij een rare, dikke kwibus bij de bar. “Wat is dat nou? Die ken ik niet. Wat een rare journalist is dat. Even luisteren waar hij over praat.” Even later is hij terug. “Dat is een beginner. Hij staat enorm dom te lullen. Een reporter van niks.” Dat gaat hij even zeggen.

De kritiek valt goed. De man is namelijk geen journalist. Hij is VN-waarnemer, komt uit Noorwegen en is stomdronken. Hij vertelt Conny dat hij hier is om de dood van een Britse VN-militair te onderzoeken.

Die nacht slaapt Conny amper. ’s Morgens vroeg gaan al zijn piepers en telefoons. Terroristen hebben een hotel met Israëlische toeristen in Kenia opgeblazen, een El Al-vliegtuig beschoten en een partijkantoortje van de Likud-partij in de buurt van Tel Aviv aangevallen. Of Conny even live wil reageren in het ochtendjournaal?


Aan het eind van de middag treffen we een ietwat uitgebluste Conny op kantoor. Hij bereidt zich voor op de avondjournaals van VTM en RTL 4. Hij zal ze vertellen wat hij ’s middags op de Israëlische televisie heeft gezien.

Hij rookt heel veel Dunhill Red-sigaretten, maar is niet zenuwachtig. Hij heeft dit al zo vaak gedaan. Hij trekt een colbertje aan en haalt een borstel door zijn haar. Uit de toilettas op de hoek van zijn bureau tovert hij zijn eigen spons met televisiepoeder tevoorschijn. Sponsjes van anderen zijn niet goed voor de huid. Daar krijg je uitslag van. En een oordopje van een collega moet je al helemaal nooit gebruiken. Hij heeft al drie keer oorontsteking gehad.

De eindredacteur van RTL 4 belt. Nu gaan ze bespreken waar Conny het in de uitzending over zal hebben.

Conny: “Hé ouwe pik, hoe is-tie nou? Hahaha.”

De eindredacteur: “Niet zo goed. Ik heb nogal last van een blokkade.”

Conny: “Writer’s block is klote. Ik weet het, want ik moet nog een boek schrijven.”

Eindredacteur: “Ik heb geen writer’s block, ik heb een neukblock.”

Conny trekt een ernstig gezicht. “Een neukblock is veel erger, jongen. Had je maar een writer’s block. Godverdomme… dit is serieus.”

Eindredacteur: “Waar wil je het over hebben?”

Conny: “Ik hou wel een verhaaltje over de reacties in Israël.”

Eindredacteur: “Je hebt anderhalve minuut.”

Conny: “Voor het late journaal heb ik meer nodig. Dan ga ik naar Tel Aviv voor de verkiezingen bij de Likud-partij. Pakken we dat ook mee.”

Eindredacteur: “Komt voor de bakker.”

Conny: “Hé, jij moet echt wat gaan doen aan die blokkade van je. Gaan we binnenkort heel serieus over praten met een borrel.”


Eindredacteur: “Doen we.”

Conny: “Sjaloom condoom.”

Na een praatje voor de camera gaan Conny, producer Emma en chauffeur en regelaar Shabby naar Tel Aviv, waar de leden van de Likud-partij de lijsttrekker kiezen voor de komende parlementsverkiezingen. In de auto volop humor. Elke keer als de telefoon gaat, roept Conny: “We hebben een beller!” Ook laat hij een scheet. “Oei, ik heb een poepertje gelaten.”

De Likud-leden hebben Sharon herkozen als leider. Hij komt straks naar de streng bewaakte zaal om zich te laten bejubelen. Een groot deel van het Israëlische kabinet en de wereldpers is aanwezig. Voor Conny is het vooral een mooie plek om verslag te doen van weer een hectische dag in Israël. Iedereen kent Conny en Conny kent iedereen.

Ministers komen hem een handje geven. Een staatssecretaris showt zijn nieuwe vriendin aan Conny. Conny keurt haar goed. Tussen de cameraploegen ziet Conny ook een oude bekende. “Is-ie helemaal uit z’n holletje hier naartoe gekropen,” zegt Conny. We kijken naar Eddo Rosenthal. Die zit vlijtig te schrijven in z’n kladblok. “Niet te hard praten,” zegt Conny. “Eddo is altijd erg zenuwachtig als-ie live moet.”

En dan belt z’n zus. Het gaat niet goed met zijn moeder. Ze heeft een paar jaar geleden een hersenbloeding gehad en zit sindsdien in een verpleegtehuis. Ze is met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Omdat Conny op tv moet, is er geen tijd om er lang over te praten.

Nog vóór Sharon komt, zit Conny’s werk er alweer op. Inpakken en wegwezen. Tevreden over zijn eigen prestatie verlaat Conny de bijeenkomst. “Het volk is weer op de hoogte,” zegt hij op de parkeerplaats. Dan botst hij tegen een orthodoxe jood op met zwarte hoed, baard en peies. Conny wijst naar een discotheek en zegt dat daar het partijcongres is.


“We hebben een beller!” roept Conny op de weg terug van Tel Aviv naar Jeruzalem. Z’n gezicht betrekt. Het is zijn lieve zus. Omdat we alles mogen weten, zet hij de telefoon op de speaker. “Dag lieve lieverd… Wat zeg je nou toch allemaal? Heeft ze een ontsteking aan d’r urine? Tjongejonge, ook dat nog.” Hij onderbreekt z’n zus om uitleg te geven in de auto. “Dat is mijn lieve zussie uit Amsterdam. Mijn moeder heeft het aan d’r urineleiding.”

Hij stuurt de auto naar de kant van de weg. Hij heeft een avondwinkel gezien en er zijn sigaretten nodig om het nieuws te verwerken. In de winkel rondt hij het gesprek af. Hij komt terug met twee pakjes Dunhill Red en zwaait ermee in de lucht. “Slecht nieuws! Ik heb een borrel nodig!” Daarna: “Hier zit ook een café!”

Conny bestelt bier. Grote flessen. “Nou ja, toen zeiden die dokters tegen mijn zussie: ‘Wilt u de behandeling staken?’ Ongelooflijk toch? Ze zijn nog niet eens begonnen met behandelen. Maar dan kennen ze mij en m’n zus niet. Er wordt gewoon behandeld.” Hij neemt een paar flinke slokken van zijn bier. “Ze zullen toch niet… Stel je voor zeg: de stekker eruit bij mijn lieve moedertje. Ik moet er niet aan denken. Dan kom ik echt in een dip.”

Marcel van Roosmalen