Lang leve het enig kind

Verwend, asociaal en eenzaam. De vooroordelen over enig kinderen zijn ondanks krimpende gezinnen nog steeds springlevend. En dat terwijl één kind het vaak prima doet.

In de roman Ten zuiden van de grens beschrijft de Japanse schrijver Haruki Murakami een intense jeugdliefde, die zich later op vervelende wijze zal wreken. Het verhaal gaat over Hajime en Shimamato, twee klasgenoten die na schooltijd muziek met elkaar luisteren, waaronder Nat King Cole’s South of the Border. De Japanse tieners hebben aan weinig woorden genoeg, want ze delen hetzelfde droeve lot. Allebei gaan ze gebukt onder de eenzaamheid van enig kind zijn. Hajime beschrijft het sociale ongemak waarmee hij moet dealen: “Zodra mensen hoorden dat ik geen broertje of zusje had, was in een reflex hun mening gevormd. Daar heb je weer zo’n verwend, zwak, gruwelijk egocentrisch enig kind. Deze stereotype reactie kwetste en deprimeerde me.”
Hajime en Shimamato ontmoeten elkaar jaren later weer. Hajime runt een succesvolle nachtclub en heeft een gezin, Shimamoto’s leven is hult zich in geheimen. Deze twee verdwaalde zielen, die door gebrek aan broertjes en zusjes buitenstaanders in deze wereld zijn gebleven, zijn hartverscheurend tot elkaar aangetrokken, ook al heeft Hajime een vrouw. Dat loopt uiteraard tragisch af. Murakami, zelf enig kind, legt in Ten zuiden van de grens de vooroordelen bloot over enig kinderen. Zij zijn een biologisch ongeluk, een misverstand dat, indien zaadleiders nog niet zijn afgebonden en mama nog vruchtbaar is, snel moet worden gecorrigeerd.
Ik ben het product van zo’n correctie en moet de mythe van het eenzame enig kind eigenlijk dankbaar zijn. Mijn zus dartelde al acht jaar op de wereld rond en genoot van de vanzelfsprekende aandacht die je krijgt als je het eerste en enige kind en kleinkind bent. Maar een zekere zomervakantie ging het ‘mis’. Mijn zus had toch niet genoeg vriendjes en vriendinnetjes gehad om mee te spelen. Het enige jongetje dat er wel was, ging op dat moment gebukt onder gedragsproblemen. Na die lange, moeizame vakantie beloofden mijn ouders haar een zusje, want alleen is toch maar alleen.
Ik kwam en iedereen werd natuurlijk ook dol op mij, ook mijn zus. Uren kon ze met me spelen, we waren onafscheidelijk. Ik kroop als kleuter zaterdagochtend vrolijk bij haar in bed, ook al lag er een vriendje te ronken. En later, toen mijn zus als kunstacademiestudent een eigen huis betrok, bleef ik geregeld bij haar slapen. Broers en zussen zijn ooggetuigen van je eigen jeugd. Op haar bank konden we eindeloos praten over onze ouders, wat stom aan ze was of juist fijn. Soms denk ik nog wel eens aan die beslissing van mijn ouders. Was mijn zus wezenlijk ongelukkiger geweest als ze als enig kind door het leven had moeten gaan? Is haar het droeve lot van Hajime en Shimamato uit Ten zuiden van de grens bespaard gebleven?

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Esma Linneman