‘Ik ben nu gecalculeerd roekeloos’

Als er iemand selfmade is, dan is hij het wel. Oprichter en eigenaar Atilla Aytekin (1969) van Triodor Software werd uitgescholden in zijn jeugd en uitgekotst na zijn faillissement, maar leidt nu een bedrijf met een miljoenenomzet. ‘Het verschil tussen succes en mislukking is soms heel klein.’

Als ik iets echt wil bereiken en iemand probeert me tegen te houden, dan wals ik eroverheen. De ambitie spat er vanaf in mijn hele organisatie. Voor mij gelden er geen barrières. Ik ben behoorlijk humaan in het zakendoen en ik ben ontzettend maatschappelijk bezig met bijvoorbeeld mijn Dutch Dream Foundation, waarmee ik jonge ondernemers steun. Maar als ik in een bepaald segment aan de slag wil en een vriend of kennis die daarin al bezig is vraagt of ik zijn markt met rust wil laten, geef ik niet zomaar op. Ik stel dan samenwerking voor. Als iemand me dan toch gaat treiteren en me wil vertragen terwijl ik weet dat ik drie keer sneller kan gaan dan hij, ga ik eroverheen. En dat betekent dat hij helemaal uit de markt wordt gedrukt. Persoonlijk heb ik daar geen problemen mee; ik kan dat voor mezelf verantwoorden omdat ik ze van tevoren heb gevraagd of ze wilden samenwerken.

Zo’n honderdvijftig man heb ik in dienst: honderd in Istanbul, veertig in Amsterdam, tien in Leersum en één in Amerika. Software bouwen, dat is wat we doen. Ik zit in de agrarische sector – we maken samen met partner Lely Industries software voor robots waarmee koeien automatisch gemolken kunnen worden. En tachtig procent van de eierindustrie in Nederland gebruikt onze software om eieren te traceren. Daarnaast werken we ook met financiële software-ontwikkelaars, zoals partner Exact. De derde tak is een heel speciale: software voor dakdekkers. En dan hebben we ook nog applicaties voor internet, zoals de populaire site spele.nl – een spelletjessite voor kinderen.


Vóór mijn dertigste had ik al enorme ondernemersambities; dat komt denk ik door mijn voorgeschiedenis. Ik wilde me bewijzen. Drie was ik toen ik naar Nederland kwam, mijn vader was gastarbeider in Zutphen. Ik ging naar een zwarte school, ook al heette dat toen nog niet zo. Turkenschool, zo noemden ze het toen. Binnen de school was het heel gezellig, maar daar buiten werden we flink gepest. Daardoor ontstond zo’n interne cohesie, we dachten: ze schelden ons uit, hoe slaan we terug? Dat deden we door alles te winnen wat er te winnen viel; korfbal, schaken, voetbal, dammen.

Als enige van de lagere school ging ik naar het vwo. De eerste dag zat er niemand naast me, voor en achter me was het leeg, iedereen was ergens anders gaan zitten. Vlak voordat de les begon, kwam de directeur de klas in: ‘Atilla, opstaan, meekomen.’ Terwijl we in de gang liepen, zei hij heel laconiek: ‘Er waren een paar ouders die hun kind niet bij jou in de klas wilden hebben, dus we stoppen je gewoon even in een andere klas.’ De wereld zakte onder mijn voeten weg, ik voelde me een soort paria. Ik ben meteen naar de wc gegaan om te huilen. Onmacht was het, een enorm diep rotgevoel. Een jaar heb ik het op die school volgehouden, toen ben ik er vanaf gestuurd. Ik had namelijk niet alleen negens en tienen voor vakken als wiskunde en aardrijkskunde, maar ook vieren voor vakken waarvan de leraren me niet mochten, dan kon ik niet meer presteren. Kwaad was ik dat ik weg moest, maar ik dacht ook: jongens, ik zal naar de universiteit gaan! Via de mavo heb ik uiteindelijk informatiekunde gestudeerd in Tilburg. En afgemaakt. Ik heb mijn woede kunnen ombuigen naar een positieve bewijsdrang. Zo’n 98 procent van mijn generatie is weggegleden, hun toekomst is verprutst door die afwijzende benadering. Je moet heel sterk en gemotiveerd zijn om daar tegen te kunnen. Een heel klein aantal mensen van de tweede generatie Turkse en Marokkaanse Nederlanders heeft het volgehouden. Juist die hoogopgeleide Turken en Marokkanen zijn nu in het zakenleven de winnaars. Die gaan de autochtonen allang voorbij; in motivatie en inspiratie. We hebben een soort oerdrang om te presteren – dat is een onuitputtelijke bron van energie.


Twee prijzen heb ik gewonnen, daar ben ik echt trots op. De Turkish Trade Award, voor de beste ondernemer die handelt in Turkije en Nederland. Die award was de aanleiding dat ik door Barack Obama werd uitgenodigd voor een conferentie over ondernemerschap; hij stond drie meter voor me een speech te houden. Ik was de enige uit Nederland die was gevraagd, dat was een soort kroontje op m’n werk. Dat ik de Amsterdamse ondernemersprijs won, was een heel emotioneel moment. In 2001 werd ik nog uitgekotst omdat mijn eigen IT-bedrijf failliet was gegaan en zeven jaar later wordt er voor je geapplaudisseerd…

Toen ik in 1999 na vier jaar werk als directeur voor IT-bedrijf Baan terugkwam uit Turkije, heb ik mijn eigen IT-bedrijf opgezet. Na twee jaar had ik vijftig man in dienst en draaide ik twee miljoen euro omzet. Toch ging het mis. Het verschil tussen succes en mislukking is soms heel klein. Heel veel van wat ik toen deed, doe ik nu nog. Maar het was een ongure tijd en ik was gewoon nog te jong, roekeloos was ik. Het bedrijf ging verschrikkelijk goed, dus ik had plannen gemaakt om door te stromen, investeringen gedaan. En toen klapte de markt in. Ik had mijn businessplan gebaseerd op voorspellingen, op luchtkastelen. Dat doe ik niet meer. Het draait hier nu om continuïteit, dat is het grote verschil.

Ik had een groot ego, maar dat verdwijnt snel als je failliet gaat. Het merendeel van mijn vriendenkring liet me vallen. De onderkant van de maatschappij heb ik gezien – dat ik niet eens vijftig euro had voor boodschappen. Ik heb schoonmaakwerk gedaan voor alle schulden waar ik persoonlijk garant voor stond. Ik had stom genoeg voor heel veel zaken persoonlijk meegetekend en ik had mijn vrouw, die een heel goede juriste is, zelfs overgehaald om ook te tekenen. Overal werd beslag op gelegd, ook op haar salaris. Zij is heel, héél erg boos geweest. Mijn huwelijk heeft het op een haar na overleefd.


Zo’n vijf jaar van mijn leven heeft dat faillissement me gekost. Ik had liever dat het niet was gebeurd, maar toch komt het succes van nu voort uit de ellende van toen. Ik heb de neiging om enorm te vliegen, om te ver te gaan. En ik vlieg nog steeds, maar ik kijk af en toe wel naar beneden. Nu is de roekeloosheid gecalculeerd, ik heb mezelf geduld aangeleerd. Ik ben zo’n type dat 365 dagen per jaar door kan gaan. Soms kan ik niet eens in slaap komen omdat mijn hoofd overloopt van de ideeën. Structuur thuis is dan nodig. Ik leid dit bedrijf met heel veel passie en ambitie. Dit jaar groeien we waarschijnlijk naar de 200 à 250 medewerkers, en volgend jaar naar de 350 à 400. En een beursgang wil ik meemaken. Het is misschien niet het walhalla, maar ik wil gewoon directeur zijn van een bedrijf dat beursgenoteerd is. Een mooi verhaal is het dat een tweede generatie Turkse Nederlander helemaal vanaf nul een bedrijf begint en zo ver komt. En eerlijk gezegd gaat het me ook gewoon om de kick.

Sara van Gorp