Rare jongens, die leunstoelgeneraals

Elders in de wereld schrijven ze vuistdikke memoires, maar bij ons bemoeien ze zich liever met het beleid van hun opvolgers. Geen raardere oud-politici dan Néderlandse oud-politici.

Onder het opschrift ‘Bush Returns to Arena With Memoir in Hand’ maakte The Wall Street Journal vrijdag bekend dat de Amerikaanse oud-president George W. Bush in de tweede week van november zijn memoires hoopt te publiceren. “The book, ‘Decision Points’, published by Crown Publishing Group, lays out 14 major decisions by Mr. Bush during his life and White House tenure,” zo meldde de krant. “Among them, according to several people who have seen the manuscript: backing the bailout of the nation’s financial system, enacting billions of dollars in tax cuts, limiting the use of human embryonic stem cells, and building up troops in Iraq for the so-called surge.”

Maar weinig lezers van The Wall Street Journal zullen met verbazing hebben kennisgenomen van dit bericht. Want in de Verenigde Staten is het al sinds mensenheugenis de normaalste zaak van de wereld dat presidenten, wanneer ze het Witte Huis hebben verlaten, beginnen aan het schrijven van hun memoires. Amerikanen die boeken in dit genre verzamelen, zullen Decision Points dan ook graag een plaatsje geven naast de memoires van onder anderen Bill Clinton (My Life, 2004), Ronald Reagan (An American Life, 1990), Jimmy Carter (Keeping Faith, 1982), Gerald Ford (A Time to Heal, 1979) and Richard Nixon (The Memoires, 1978). Om eventuele misverstanden te voorkomen: we hebben het hier niet over haastig vervaardigde flutboekjes met veel foto’s en onbenullige anekdotes, maar over pillen van doorgaans zo’n duizend pagina’s met achterin steevast een duizelingwekkend personenregister.

Hebben we hier te maken met een uitzonderlijk, specifiek Amerikaans verschijnsel? Nee, in het geheel niet. Ook in landen als Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk wemelt het in de boekwinkels van vuistdikke memoires van oud-politici. In die landen hebben ze vaak aan één deel niet eens genoeg. Neem de Britse oud-premier Margaret Thatcher, die in 1993 The Downing Street Years publiceerde en twee jaar later het eveneens autobiografische The Path to Power. Of neem de Duitse oud-Bondskanselier Helmut Kohl, die tussen 2004 en 2007 zijn Erinnerungen aan het papier toevertrouwde: het resulteerde in drie dikke boeken van in totaal 2600 pagina’s. Veel buitenlandse politici hebben bovendien de gewoonte om dagboekaantekeningen te maken en die later, desnoods postuum, met het publiek te delen. Mooiste voorbeeld: de al genoemde Ronald Reagan, wiens presidentiële Diaries (1981-1989) twee jaar geleden werden gepubliceerd, nadat we in 2003 in Reagan. A Life in Letters ook al waren getrakteerd op een selectie uit zijn vele duizenden brieven tellende privécorrespondentie.


Nee, dan Nederland. Van onze dertien naoorlogse oud-premiers – Jan Peter Balkenende nog niet meegeteld – deden er slechts twee een poging om memoires te schrijven: Willem Drees (Zestig jaar levenservaring, 1962) en Jelle Zijlstra (Per slot van rekening, 1992). Ook mindere goden als ex-ministers, ex-staatssecretarissen en oud-fractievoorzitters lieten – en laten – het op dit punt massaal afweten, een enkele uitzondering (zoals Ed. van Thijn, Jaap Boersma, Norbert Schmelzer, Wil Albeda en Gerrit Zalm) daargelaten.

Waar hebben we die merkwaardige traditie toch aan te danken? Het antwoord is simpel: het schrijven van (politieke) memoires wordt in Nederland bijna per definitie beschouwd als ijdel vertoon, waarvoor de betrokkene zich bij voorbaat heeft te verontschuldigen. De enkelingen die toch een poging wagen, doen dat dan ook dikwijls onder verwijzing naar zeurende kleinkinderen (waarom schreef opa of oma al die mooie verhalen niet eens op?) of de bijna spreekwoordelijke uitgever die maar bleef ‘aandringen’. Het besef dat het schrijven van memoires voor oud-politici een prachtig middel kan zijn om – nogmaals – verantwoording af te leggen, is hier nog nauwelijks doorgedrongen. Terwijl voor die visie veel valt te zeggen. Mensen maken immers keuzes in hun leven. Voor mensen die belangrijke politieke posities hebben bekleed, geldt dat die keuzes vaak grote gevolgen hebben gehad voor anderen. Wat is er dan, ook vanuit democratisch oogpunt bezien, wenselijker dan dat dergelijke prominenten nog eens in retrospectief terugblikken op hun leven en op de keuzes die zij hebben gemaakt?

In elk geval hebben we daar veel méér aan dan aan de bezigheden waarmee veel Nederlandse oud-politici zich wél graag onledig houden, namelijk het luidkeels becommentariëren van het beleid van hun opvolgers. Het in 1981 uit Den Haag vertrokken VVD-orakel Hans Wiegel gold jarenlang als specialist op dat terrein. Maar wat we de laatste weken meemaken, slaat alles. Oud-politici, zo blijkt nu, hoeven niet eens meer door journalisten gebeld te worden voor commentaar op actuele politieke gebeurtenissen. In plaats daarvan zoeken ze steeds vaker en in steeds groteren getale zélf de publiciteit: met open brieven, manifesten en collectief ondertekende epistels op de vaderlandse opiniepagina’s. Het verschijnsel leverde gepensioneerde CDA-prominenten als Dries van Agt (79), Ruud Lubbers (71), Frans Andriessen (81) en Bert de Vries (72) reeds het predikaat ‘leunstoelgeneraal’ op. Een treffende kwalificatie, daar niet van, maar zouden de heren hun tijd niet beter kunnen besteden?


Misschien dat Van Agt het goede voorbeeld zou kunnen geven. Als we een suggestie mogen doen: wat te denken van een kloek boek onder de titel Beleidspunten. En nee, dan bedoelen we niet het beleid van de huidige CDA-leider Maxime Verhagen of een eventueel kabinet-Rutte. We bedoelen het beleid van Van Agt zélf, toen hij nog minister-president was en hij de werkloosheid in vier jaar tijd liet oplopen van tweehonderdduizend naar vijfhonderdduizend, terwijl de bruto collectieve uitgaven stegen met 6,2 procent (de sterkste toename in de afgelopen veertig jaar) en het financieringstekort explodeerde van 3,8 naar 9,4 procent.

Of zou George W. Bush, volgens velen de slechtste Amerikaanse president ooit, toch méér lef hebben dan Van Agt, de man die op dat punt titelhouder mag worden genoemd in Nederland? Eén ding is zeker: zolang we het in onze contreien moeten doen met oud-politici die overal tijd voor hebben, behalve voor het in boekvorm opmaken van een kritische eindbalans van hun eigen beleidsdaden, zijn we nog altijd geen grotemensenland.

Roelof Bouwman