Rob de Wijze

Een potje heel diep nadenken: daar is hij goed in. Maar kan hij nrc.next, de groei- en troetelbaby van het NRC-concern, een injectie geven die meer lezers en abonnees oplevert? Het wordt een spannend jaar voor de jongste en slimste hoofdredacteur van Nederland, Rob Wijnberg (28).

Als je hem weer eens in een forum ziet zitten, doodkalm van een glaasje Spa ziet nippen en – ogenschijnlijk in balans en een en al beschaving – op zijn volgende beurt ziet wachten, verbaast het niet dat Rob Wijnberg per 1 september benoemd is tot hoofdredacteur van nrc.next.

En daarmee, min of meer officieel, tot de nieuwe vaandeldrager van het NRC-concern, dat naarstig op zoek is een aanstormende (en in NRC-termen ‘weldenkende’) elite van jonge hoogopgeleiden aan zich te binden. En voor de papieren krant te behouden. Zoals Wijnberg in openbare fora, panels en discussies opereert – rustig, belezen, maar met een gezonde honger naar de actualiteit -, zo heeft het NRC-concern zichzelf de afgelopen decennia het liefst gezien. In zekere zin is hij hun ideale zoon. Grote vraag: vertegenwoordigt Wijnberg daarmee ook werkelijk de toekomst? En zal hij een nieuwe generatie slimmeriken inderdaad weten te verleiden tot een abonnement of het regelmatig schokken van die ene euro voor een dagvers exemplaar?

Wijnberg heeft het denken niet van een vreemde. Zijn vader, Jeffrey Wijnberg (61), is dankzij zijn wekelijkse column in De Telegraaf een van de bekendste psychologen van Nederland. Allicht zal de jonge Rob zich aan tafel weldra zijn gaan vervelen met de verhalen over ‘gevallen’ of ‘problemen’, zoals vader die in zijn praktijk en via zijn columns behandeld. Om een indicatie te geven: laatst ging de oude Wijnberg in op de vraag hoe ‘de gemiddelde vakantieganger’, terug in het hectische Nederland, zijn prettige vakantiegevoel wat langer zou kunnen vasthouden. Na hier en daar wat tips te hebben rondgestrooid om dat heerlijke vakantiegevoel inderdaad wat langer te laten doorsudderen, eindigde de ‘oude’ Wijnberg met de constatering dat al te veel succes nastreven in deze kwestie eigenlijk ongewenst was. Immers: straks ging het gewone leven op een vakantie lijken en was vakantie geen échte vakantie meer. Hoewel de jonge Rob bij het naadloos rondbreien van een redenering zeker schatplichtig zal zijn aan zijn vader, heeft hij de horizon drastisch opengegooid. Rob ging filosofie studeren, viel aan op de klassieke denkers en moderne filosofen en deed het al snel niet voor minder dan het definiëren annex typeren van ‘zijn generatie’, ‘dé informatie-overload’ en ‘hét vrije woord’.


Het interessante aan Rob Wijnberg is dat hij zich niets lijkt aan te trekken van zijn eigen generatie. Waar zijn leeftijdsgenoten grootschalig onderduiken in een berekenend consumentisme, een sensationele hang naar extreme lichamelijke en spirituele kicks en daarnaast een schier aangeboren afkeer lijken te hebben van verklaringsmodellen die je vrijheid alleen maar inperken, schuwt Wijnberg het benoemen, het analyseren en het determineren in het geheel niet. Integendeel! Het is zijn corebusiness! Als hij kleine voorvallen, nieuwe trends of uitwassen in de media kan koppelen aan het gedachtengoed van grote denkers uit het verleden, zal hij toeslaan. Zaken in perspectief zetten. Herdefiniëren. Overdenken. Van nieuwe haken en ogen en nieuwe vergezichten voorzien. Dat laatste is belangrijk, want net als zijn vader is Wijnberg geen muffe ideoloog met een vastgeroest wereldbeeld, maar een nederige waterdrager die het denken een stukje vooruit probeert te helpen. Hij was er dan ook als de kippen bij om stemmen tegen te spreken die hem als een spreekbuis of een icoon van zijn leeftijdgenoten opvoerden. Niet voor niets heeft de ietwat ouwelijk ogende Wijnberg al verschillende keren laten weten dat hij leeftijd ‘niet zo interessant vindt’.

Als je de afstand wilt proeven tussen Wijnberg en zijn generatie, de kilte tussen die twee, dan moet je zijn essaybundel Boeiuh!, zijn officiële debuut uit 2007, maar eens openslaan. “We zoeken onze uitvlucht in simpel vermaak. We spenderen ruim drie uur per dag aan tv-kijken (MTV, TMF of BNN), chatten en gamen, tegenover een krap uurtje onderwijs en werk. (…) Volgens een onderzoek van Miramedia ‘vinden jongeren nieuws belangrijk, maar nauwelijks nog interessant’, waarbij wordt aangetekend: als het nieuws ‘te veel inspanning kost, haken ze af’. De cijfers zijn ondubbelzinnig: 3,6 procent van de jongeren kijkt regelmatig het NOS Journaal en leest ongeveer twaalf minuten per dag.”


Hier is inderdaad geen militante aanvoerder van een generatie aan het woord, iemand die namens een nieuw tijdsgewricht nieuwe ruimtes en rechten opeist, maar eerder een docent, een wetenschapper die zijn leeftijdsgenoten bestudeert zoals biologen dat met stekelbaarzen doen, of virologen met muizen. En je moet wel een heel verwarde lezer zijn om eraan voorbij te kunnen gaan dat Wijnberg, al schrijvend over de jongeren van nu, wordt voortgestuwd door diepe gevoelens van deernis en tragiek. Je kunt je altijd vergissen, maar dat Wijnberg zélf ook ooit het slachtoffer van een verslavende game is geweest, zélf ooit het NOS Journaal heeft weggezapt vanwege intellectuele overbelasting of zélf ooit zenuwachtig op zijn horloge heeft gekeken en aftelde voor een nieuwe aflevering van BNN’s Try before you die, is zo goed als onvoorstelbaar.

Het zal goed in de smaak vallen bij zijn hoogste baas, mediamagnaat en Rusland-adept Derk Sauer. Niet alleen is dat, net als Rob, een extreem gedisciplineerd heerschap dat met een intellectueel nieuwsgierige bril naar de wereld kijkt. Ook de profielschets van de nieuwe krant, zoals Sauer die in kernachtige zinnen al geschetst heeft (“Ik wil niet lezen wát er gebeurd is, maar waaróm het gebeurd is”) past als een strak zittend pak om het profiel van Wijnberg. Met zijn succesvolle boek Nietzsche en Kant lezen de krant heeft hij er nagenoeg een blauwdruk van geleverd: het laatste nieuws afgezet tegen de grote denkers door de eeuwen heen, of (zoals op de flaptekst met een creatieve omdraaiing wordt gesteld) ‘journalistiek met diepgang en filosofie met dagwaarde’.

Sauers nadruk op het ‘waarom’ komt ruimschoots aan bod in hoofdstukken als Waarom de vrijheid van godsdienst moet worden afgeschaft, Waarom Joran van der Sloot geen leugenaar is, Waarom we dieren nooit rechten moeten geven, Waarom de Commissie Gelijke Behandeling nooit gelijk kan krijgen en Waarom een democratisch Irak nooit werkelijkheid had kunnen worden.


Deze hoofdstuktitels maken eens te meer duidelijk dat Wijnberg met speels gemak over morele en geografische grenzen heen denkt en dat doet zonder in een vliegtuig te stappen, in dure hotels te overnachten en rond te scheuren in taxi’s. Met types als Wijnberg kun je kortom een gezaghebbende en interessante krant maken tegen relatief lage kosten. Draaiende hersens kosten een stuk minder dan draaiende motoren, airco’s en taximeters. Een gegeven dat Sauer zal verwelkomen, want elke krantenbezitter maakt anno 2010, noodgedwongen, een diepgaande studie van kostenreductie.

Hoe zal Wijnberg zijn invloed gaan aanwenden? Naar welk toekomstbeeld over nrc.next gaat hij toe werken? In Het Parool nam zijn ruim twintig jaar oudere collega en kersvers NRC-hoofdredacteur, de Belg Pieter Vandermeersch (49), alvast een klein voorschotje op de richting die het volgens hem met nrc.next op moet. Onze zuiderbuur goot zijn wensen in een klassieke drieklapper: stouter, aparter en brutaler. Eerder liet de man al weten dat té veel NRC-journalisten ‘vergeten dat lezers niet alleen een hoofd hebben’. Met enige nadruk wees hij erop dat ze ook over een mond beschikken, een maag en een lichaam waar ze af en toe hippe en perfect zittende kleren omheen willen draperen. Het was een diplomatieke omweg om te pleiten voor meer kleur, lifestyle, humor en levensvreugde in de NRC, ofwel: voor een lichte koerswijziging richting glossy. Interessant zal zijn of Wijnberg als hartstochtelijk filosoof gevoelig is voor die hedonistische kant van de hoogopgeleide NRC-lezer. Zal hij weldra, conform de wens van Vandermeersch, meer uit gaan pakken met architectuur, reizen, mode, design en – wie weet – roddels (daar houden de NRC-lezers tijdens hun luxe etentje buiten de deur vast ook van!)? Of zal hij juist de andere kant op bewegen: richting serieusheid en verdieping, waarbij je mogelijk uitkomt bij een meer werelds georiënteerde Trouw, volgeschreven door het neusje van de intellectuele zalm.


Het lijkt een duivels dilemma in de slinkende krantenmarkt. Maar je kunt Wijnberg niet verwijten dat hij de slag niet aandurft (anders had hij wel ‘nee’ gezegd) of dat hij onvoldoende begrepen heeft hoe somber het ervoor staat met de journalistiek. Als een van de weinige collega’s heeft hij de analyse van collega Joris Luyendijk in zijn spraakmakende boek Het zijn net mensen (conclusie: journalistiek goochelt per definitie met waarheid en werkelijkheid) niet zomaar afgeblazen als defaitistisch of te negatief. In zijn verhandeling ‘De krant van Joris Luyendijk zou niemand lezen’ bevestigt Wijnberg juist de sombere conclusies van zijn collega en beaamt hij dat journalistiek gedoemd is een intelligente knutselfabriek te blijven. Maar tegelijkertijd haalt hij – verrassend! – een heel praktisch argument naar voren waarom de journalistiek zijns inziens niet in machteloze zelftwijfel dient af te druipen, maar integendeel met volle overtuiging moet blijven knutselen! Zijn redenering? Terwijl de gevestigde machten (politici, industriëlen, legers) voortdurend beelden de wereld in blijven strooien, is en blijft de journalistiek nodig als natuurlijk tegenwicht. “En om dat tegenwicht te kunnen bieden,” betoogt Wijnberg, “moeten media wél een machtspositie hebben. Worden ze niet geloofd, dan kunnen ze ook niet langer tornen aan de machthebbers die ze moeten controleren. Hiervan lijkt Luyendijk zich totaal niet bewust. Hij schrijft zonder gne: ‘Wij overzien niet de hele wereld, we weten niet zeker wat er allemaal gebeurt en wij kunnen niet objectief zijn.’ En stelt dan de vraag: ‘Waarom bevrijden wij journalisten onszelf niet van de impliciete beloftes waarvan we zelf weten dat ze nergens op slaan?’ Het antwoord daarop is eenvoudig: omdat de journalistiek die zich van die belofte bevrijdt zichzelf buiten het machtsspel plaatst. Ze zou door niemand meer worden geloofd, zoals ook de politicus die zijn beperkingen opbiecht, maar weinig stemmen zou trekken. De ideale krant van Joris Luyendijk zou dus weliswaar de eerlijkste en waarachtigste ter wereld zijn. Maar niemand zou die krant nog lezen.” Het is een knap staaltje ontleding, waar Wijnberg een patent op heeft.


Misschien is het idee dat Wijnberg nrc.next een bepaalde richting op gaat duwen en dat een hoofdredacteur een toekomstbeeld heeft waar hij naartoe werkt wel hopeloos ouderwets. Waar een krant voorheen een groep mensen in een gebouw was die vanuit een gelijkgestemd idee hun verhalen de wereld in stuurden, is het anno 2010 vaak niet veel meer dan een mobiel verkeersplein, waar freelancers even een stop maken om hun kunstje te doen, om zich daarna weer in andere hobby’s of bezigheden te storten. Het zou betekenen dat Wijnberg al blij mag zijn als zijn verkeersplein bij de interessante stemmen op het netvlies komt te staan en op zijn minst een stabiel aantal lezers bereid is te betalen om zich naar het verkeersplein te mogen bewegen. Echter, in het buitenland zijn sommige kranten alweer tot de conclusie dat louter ‘netwerkproduct’ zijn bedrijfsmatig te abstract en te onzeker is. In Tsjechië heeft de krant Nase Andresa ervoor gekozen van haar redactie een openbaar café te maken, waar je niet alleen een alcoholische versnapering kunt halen, maar ook kunt aanschuiven bij redacteuren voor een prangende kwestie of verhelderend gesprek. Het zou ‘de band’ tussen krant en lezer ten goede komen en de ‘maatschappelijke functie’ van de krant als product nieuw leven in blazen.

Geen idee of de NRC aan dit model denkt, maar Rob Wijnberg zou er in hoge mate geknipt voor zijn! Je ziet het voor je: zijn verdwaalde leeftijdgenoten die na een zoveelste desillusie, verslaving of liefdesongelukje ten einde raad koers zetten naar het nrc.next-café om de verbrokkelde stukken van hun leven door Rob weer enigszins aan elkaar te laten lijmen. Mits er genoeg wordt ingenomen en Rob zijn helende adviezen maar lang genoeg oprekt, valt daar een rendabele post van te maken voor de firma Sauer BV.


Concluderend: wie de papieren krant een bloeiende toekomst gunt, zal nrc.next het komende jaar regelmatig volgen en wenst Wijnberg sterkte bij zijn komende missie. Het zal razend interessant zijn om te zien of Wijnberg vanuit zijn comfort zone, de filosofie, in staat is nrc.next naar nieuwe hoogten te dirigeren (commercieel én kwalitatief). Of dat hij gedwongen zal zijn het kraantje naar lifestyle en roddel verder open te draaien, omdat denken alléén domweg niet sexy genoeg meer is.

Hans van Willigenburg