‘De liefde is voor sommigen geheimtaal’

Arthur Japin ging schrijven om lezers een ander leven in te lokken en zo de wereld met nieuwe ogen te laten bezien. Meer begrip voor elkaar leidt tot meer liefde, hoopt hij. Ook in zijn vijfde roman, Vaslav, over de beroemde danser Nijinski, onderzoekt de succesauteur wat dat gevoel met zijn personages doet. Zelf wordt hij nooit boos. ‘Als iemand lelijk doet, denk ik alleen maar: dat is jouw afgang.’

Een miljoen boeken verkocht, en dat in nog geen vijftien jaar. Komend najaar overschrijdt Arthur Japin naar alle waarschijnlijkheid deze grens met zijn nieuwe roman Vaslav. Zijn uitgeverij viert het met de heruitgave van alle romans in een nieuwe, uniforme vormgeving. Zelf houdt Japin niet van feesten. Drukte om zich heen betekent te veel mensen wier gedachten hij niet kan buitensluiten.

Eigenlijk is het ook meer een aanleiding om eens één keer bij zo’n mijlpaal stil te staan, vertelt hij in zijn tuin in de Utrechtse binnenstad, beschut door hoge muren. “Tel je de verkoop van de verhalenbundels en de vertalingen mee, dan zijn we allang over de miljoen heen. Met het Boekenweekgeschenk erbij zelfs over de twee miljoen.” Van De grote wereld alleen al werden vier jaar geleden 813.000 exemplaren gedrukt.

Trouwens, wat kunnen hem die getallen schelen? Veel meer waarde hecht hij aan de trouw van zijn lezers. “Bij elke nieuwe roman bereik ik steeds sneller de grens van honderdduizend exemplaren. Het is het idee: er komt een nieuwe Japin, díe ga ik lezen. Dat ontroert me zeer.”

Feesten mag hij dan mijden, lezingen geeft hij wél graag. Dit najaar treedt hij voor de zevenhonderdste keer op, ook een mijlpaal. “Ik schat dat in al die jaren bijna honderdduizend mensen zijn komen luisteren. Toch ervaar ik hen allemaal als individuen die me vertellen hoezeer ze hebben genoten, of dat ze iets aan mijn werk gehad hebben. Iedere keer is er ook wel iemand die me een heel persoonlijk verhaal vertelt. Daar neem ik altijd tijd voor.”

Het moment dat hij voor een zaal staat, ervaart hij als ‘magisch’. “De energie die ik geef, krijg ik honderdvoudig van het publiek terug. Ik ga opgeladen naar huis. Vervelende lezers zijn er zelden; hooguit vijf keer was er iemand die een lang verhaal over zichzelf vertelde waar de zaal niet in was geïnteresseerd. Inmiddels ben ik handig genoeg om zo’n verhaal een wending te geven en snel de aandacht van de zaal weer te pakken, zonder dat zo iemand zich in zijn hemd gezet voelt.”


Arthur Japin is een bevoorrecht mens. Hij is een van de succesvolste Nederlandse schrijvers van de laatste jaren. De zwarte met het witte hart (1997) en Een schitterend gebrek (2003) maakten hem geliefd bij een grote schare lezers. Voor het laatste boek kreeg hij de Libris Literatuurprijs. Privé vormt hij een gelukkig driemanschap met zijn uitgever Lex Jansen en de Amerikaanse schrijver Ben Moser, blijkens zijn dagboek Zoals dat gaat met wonderen (2008).

Zonder overdrijving valt te zeggen dat de liefde het basisingrediënt is in Japins leven en werk. Vaslav vormt daarop geen uitzondering. In deze roman laat Japin drie mensen aan het woord die dicht bij Vaslav Nijinski (1890-1950), de sterdanser van Les Ballets Russes, stonden: zijn bediende Peter, zijn beroemde impresario Sergej Diaghilev en zijn vrouw Romola de Pulszky. Alle drie vertellen ze, op die dramatische dag in 1919 waarop Nijinski voor het laatst danste, over de liefde die ze voor hem voelen, en hoe Nijinski’s zich openbarende schizofrenie die beïnvloedt.

“Ik heb dat zelf niet zo gezien,” reageert Japin op deze interpretatie. “Voor mij gaat dit boek over worden wie je bent: hoe je dat doet, wat je ervoor nodig hebt. Een thema waar ik ook mijn hele leven mee bezig ben. Maar kennelijk sluipt zoiets als de liefde gewoon uit zichzelf mijn werk in.”

Waarom komt het thema ‘liefde’ steeds in uw boeken terecht?

“Als ik probeer te doorgronden waarom mensen doen wat ze doen, kom ik daar vaak bij uit: bij hun onvermogen tot liefde, hun verlangen ernaar, hun gebrek eraan. Zo snap ik anderen het best. Niet alleen mijn personages, maar ook de mensen die ik in het dagelijks leven ontmoet.”


Toch lijkt u soms meer met dat thema te willen. Alsof u mensen wilt leren liefhebben.

“Dat is zeker niet mijn doel. De liefde is een taal waarmee ik de wereld kan beschrijven, beheersen, navoelen. Ik zou het heerlijk vinden als iedereen die taal kon lezen, maar voor sommigen is de liefde een geheimtaal. Het heeft lang geduurd voor ik dat kon accepteren; dat ik begreep dat niet iedereen in staat is een ander mens te lezen. Zeker tot mijn dertigste, vijfendertigste heeft me dat erg verward.”

In die tijd maakte u definitief de keuze voor schrijven en stopte u met acteren, uw andere vak.

“Dat viel samen, ja. Kennelijk heb ik gevoelsmatig beslist: als mensen elkaar niet kunnen doorzien, ga ik laten zien hoe een ander mens is. Lok ik hen een leven in en laat ik hen door de ogen van iemand anders naar buiten kijken. Zo kunnen ze voelen hoe het is om zwart te zijn, of mismaakt, of klein. Daarom gebruik ik ook vaak de ik-vorm. De identificatie is dan veel sterker.”

Lang voor de publicatie van Vaslav verdiepte Japin zich al intensief in Nijinski. Voor zijn afstuderen aan de theaterschool, in 1982, schreef hij een toneelstuk over het gevecht van de twee sterke persoonlijkheden Diaghilev en Romola de Pulszky om de willoze, afhankelijke danser. Het is nooit opgevoerd: zijn afstudeervoorstelling werd uiteindelijk een bewerking van Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants. Eind jaren tachtig bewerkte hij zijn stuk opnieuw: er waren plannen voor een regie door Kees Prins, maar subsidie bleef uit. Sindsdien heeft Japin het stuk niet meer gelezen.

“Ik had in 1982 van Lex, die ik toen net had ontmoet, de dagboeken van Vaslav gekregen die hij had bijgehouden in de weken waarin hij het contact met de mensen verloor,” vertelt Japin. “Steeds sterker merkt Nijinski dat de mensen hem niet meer begrijpen. Dat hij hen niet meer kan bereiken. Je ziet hoe hij zich in zichzelf keert en erbovenuit stijgt, een god wordt die los van alle anderen staat en de mensen niet meer nodig heeft. Ik was daar gelijk enorm door gefascineerd.”


Het was een schok van herkenning, al was hij zich daar als twintiger nauwelijks van bewust. “Nijinski schreef vlak na de Eerste Wereldoorlog. Voortdurend vraagt hij zich af waarom mensen elkaar niet beter doorzien en elkaar niet meer liefhebben. Daar hamert hij voortdurend op. Hij schrijft zinnen die ik zelf tijdens een lezing zou kunnen uitspreken. Ook had hij een enorme hang naar stilte, naar communiceren zonder woorden. Dat herken ik heel erg.”

In Vaslav suggereert u dat Nijinski gek wordt door een teveel aan liefde.

“Vaslav wil veel liefde geven. Dat wordt echter niet altijd op de juiste manier begrepen of ontvangen. Hij voelt onmacht om zijn boodschap goed over te brengen. Hij breekt dan met het dansen en probeert zijn verhaal alleen nog in zijn hoofd te voltooien. Vanaf het moment dat hij niet meer danst, zal hij ook dertig jaar niet meer spreken.”

Herkent u dat gevaar van een teveel aan liefde?

“Nee. Ik kan me wel voorstellen dat je je niet goed raad weet met een plotselinge overdaad aan liefde. Het enige waar ik zelf moeite mee heb, is dat ik me zozeer in iemand inleef dat ik soms niet meer weet waar de ander ophoudt en ikzelf begin. Hierover heb ik te weinig controle. Ik sta dan zo open voor andermans gevoelens dat ze de mijne overheersen. Daarom mijd ik gezelschap zo veel mogelijk. “

Als u het over liefde geven heeft, klinkt het vaak alsof dat voor u altijd vanzelfsprekend is geweest.

“Dat is het helemaal niet. Ik heb daar in mijn jeugd een verwarrend beeld van gekregen. Met name thuis: er was geweld – mijn vader sloeg mijn moeder – gevolgd door spijt. Daarop volgde dan een overdaad aan liefde om het goed te maken. Buiten het gezin heerste een totaal gebrek aan liefde, aan begrip voor een ander. Ik werd gepest, soms mishandeld. Zo heb ik andere mensen leren aanvoelen. Ik moest een intuïtie ontwikkelen voor mensen die op me afkwamen: wat willen ze? Hebben ze kwaad in de zin?”


Heeft u toen een bewuste keus gemaakt vóór de liefde?

“Toen ik achttien, negentien was en merkte hoe mismaakt ik me voelde door alles wat er was gebeurd, kwam ik op een kruispunt: blijf ik boos of leer ik begrijpen waarom het is gebeurd? Ik koos voor het laatste: te zoeken naar het emotionele belang van de ander, overtuigd als ik ben dat geen mens ooit vanuit kwaadaardigheid handelt. Iedereen heeft altijd een goede reden voor zichzelf om te doen wat hij doet. Mensen staan op met het idee: dít is het best mogelijke wat ik vandaag kan doen – en vliegen dan het World Trade Center in New York in.”

Zelfs de daders van 11/9 handelden niet uit kwaadaardigheid?

“Juist niet. Zij wisten zeker dat zij het allerbeste deden. Dit is het gevaar van iedere religie, nationalisme of welke overtuiging dan ook. Mensen wordt aangeleerd te handelen in een hoger belang. Strikt redelijke overwegingen die er bij hen zijn ingestampt overstemmen dan het aangeboren humane gevoel en kunnen leiden tot de meest onvoorstelbare wreedheden.”

Bestaat er niet zoiets als ‘het kwaad’?

“Het ergste kwaad kan worden aangericht door iemand die zichzelf een goed mens vindt. De hele geschiedenis is hiervan doordrenkt. Wij noemen zo iemand slecht, maar dat is helaas volstrekt subjectief. Dit is het hele drama van de mensheid. Mensen die anderen leed berokkenen, kunnen voor zichzelf goed verantwoorden waarom ze handelen zoals ze doen. En wij kunnen ook zo handelen. Daarom is het zo belangrijk voortdurend bij jezelf te toetsen of je wel naar je gevoel en intuïtie handelt en niet naar wat anderen je proberen te laten denken.”


In uw dagboek Zoals dat gaat met wonderen citeert u schrijver Theodor Holman. Volgens hem is het geven van liefde in uw geval een wraak op uw jeugd en dus een daad van agressie. Maar u reageert niet op die analyse.

“Zo ziet hij dat nu eenmaal. Voor mij heeft liefde te maken met open zijn zonder dwang. Ik zie wel dat ik een overwinning heb behaald op de mensen die mij kwaad wilden doen. Liefde is dan een middel om hen te pareren, als je het in gevechtstermen wilt uitdrukken. Maar dat heeft niets met agressie te maken. Agressie is geweld, boosheid. Dát voel ik niet.”

Ondanks zijn keus voor de liefde en het uitdragen daarvan roept de auteur Japin bij sommigen afkeer op. In venijnige recensies doen zij zijn vaak fraaie aforismen af als tegeltjeswijsheden, zijn bekentenissen in interviews en zijn dagboek vinden ze gekoketteer. Misprijzend noemen ze hem ‘excessief gelukkig’ of ‘narcistisch’.

Dat heeft met rationaliteit te maken, denkt Japin. “Sommige mensen hebben zich zo verschanst in hun hoofd, dat ze het benoemen van gevoelens lijken te ervaren als een aanval. Best begrijpelijk dat ze niet herinnerd willen worden aan iets dat ze zelf hebben uitgebannen. Ze vergeten ook dat mijn boeken nooit uitspraken bevatten van mij, maar van mijn personages. Het is alsof ze de wereld niet kunnen herkennen zodra die staat beschreven in termen van liefde. Mijn volgende dagboek noem ik dan ook: Geluk is mijn geheimtaal.”

Zijn dagboek heeft de extreemste reacties opgeleverd. “Eigenlijk was dat heel leerzaam. Ik legde mijn ziel en zaligheid op tafel, en toch waren er mensen die zeiden: ‘Het is niet waar.’ Of: ‘Het interesseert me niet.’ Heel wonderlijk is dat. Je toont jezelf volledig en nóg zijn er mensen die je niet zien. Dan denk ik: hoef ik me geen zorgen meer te maken, ik kan gewoon mezelf zijn. Wat je ook doet, mensen oordelen toch wel. Dat besef is heel bevrijdend.”


Behoefte om terug te slaan heeft Japin dan ook allerminst. Integendeel. Zoals dat gaat met wonderen bevat de volgende anekdote. Na een slechte bespreking van zijn roman De droom van de leeuw (2002) stapt de auteur op het Boekenbal op recensent Robert Anker af. Hij schrijft dan: “‘Dit is het Boekenbal van de liefde,’ zeg ik. ‘Ik voel liefde voor je, werkelijk,’ en ik geef hem drie dikke kussen.”

Heeft u dat vaker gedaan?

“Niet gekust. Als iemand een campagne tegen me voert, probeer ik wel altijd open te zijn. Ik schrijf een brief waarin ik vertel wat dat met me doet. Mensen verwachten die openheid niet. Ze schrikken ervan, en dan is het ogenblikkelijk afgelopen. Het is alsof ze alleen maar een leuke opmerking wilden maken en er door mijn reactie voor het eerst over nadenken wat die opmerking kan aanrichten. Het is het enige wat ik kan doen: me kwetsbaar opstellen. Soms komen daar prachtige dingen uit voort.”

Zoals?

“Een vriendschap met cabaretière Sara Kroos bijvoorbeeld. Toen ik op televisie de quiz Q.I. presenteerde, deed ze tijdens de opname onmogelijk. Ik moest als een schoolmeester roepen: ‘En nu is het afgelopen!’ Omdat ze twee weken later weer in de uitzending te gast zou zijn, legde ik haar in een brief uit hoe ze me raakte, dat ze me verdrietig maakte. Bijna als logisch gevolg kreeg ik een brief terug waarin zij haar onzekerheden opschreef. Op slag herkenden wij elkaar.”

Is het tonen van kwetsbaarheid een bewuste keuze?

“Nee. Het is ook geen verdienste. Ik heb geen alternatief. Zo ben ik gewoon. Iemand zei onlangs dat hij nog nooit een man had ontmoet die zo ongewapend is. Dat klopt. Ik heb niets om me mee te verweren.”


Een roman schrijven uit wrok ligt niet in Japins aard. Hij zou zich de hele tijd doodongelukkig voelen als hij een paar uur per dag op zijn werkkamer die emoties moest navoelen, zegt hij. In Vaslav lijkt hij die gevoelens van wrok, ergernis en haat wel te onderzoeken. Alle personages rond Nijinski houden van de danser, maar kunnen de gevoelens van de anderen niet navoelen. Er wordt geschamperd over bediende Peter, zonder dat iemand zijn bewondering voor de danser opmerkt. Diaghilev en De Pulszky zien elkaars liefde aan voor pogingen om Nijinski te gebruiken voor hun eigen doeleinden. Alle gevoelens van liefde roepen zo ook afkeer op, en soms sterke haat.

Toch heeft Japin in Vaslav niet zijn eigen negatieve gevoelens verwerkt. De auteur, die zegt nooit ruzie te maken, heeft daar geen behoefte aan. “Ik schrijf steeds vanuit een personage, vanuit de eenling die door de eisen van een groep of zijn omgeving wordt gekwetst. Soms kan dat leiden tot negatieve gevoelens. Zoals bij Diaghilev, die zijn woede koestert en haat een bedwelmend houvast noemt. Toch vind ik ook hem sympathiek, omdat ik hem begrijp. Zijn gevoelens over zijn onhandig grote lichaam maken het hem onmogelijk om van Nijinski te houden.”

Uit u uw afkeer en ergernis dan alleen in uw dagboeken – voor lomperiken of armoedigen van geest?

“Doe ik dat?”

Als u in Paleis het Loo bent en de bezoekers reageren kleinburgerlijk op de schoonheid van de zalen.

“Welnee. Daar zei iemand: ‘Ik zou hier voor geen goud willen wonen, en ik ben postbode.’ Ik vind dat gewoon grappig. Ik keur zulke reacties helemaal niet af. Nee, als iemand lelijk doet, denk ik alleen maar: dat is jouw afgang. Als jij schoonheid niet aankunt, of mij niet, is dat jouw zwakte.”


‘Vaslav’, De Arbeiderspers. €21,95. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl.

Maarten Dessing, foto's Corbino