De ultieme eindstreep

Als Jean Nelissen (spreek uit: Jean N’Élyssées) de naam van de Spaanse wielrenner Julián Gorospe ophoestte, klonk dat als een hoorspelacteur die door een bak grind loopt. En het boterzachte declameren van de prachtnaam Jean-René Bernaudeau (met de nadruk op eau, hoewel hij dat als Bourgondiër nooit dronk) was eveneens een weldaad voor het trommelvlies.

De Neel, die onlangs verdronk in een tsunami van wijn en cognac en wiens maatschappelijke en mentale afzink vorig jaar op indrukwekkende wijze werd opgetekend door HP/De Tijd’s Rob Willemse, wordt node gemist. Al jaren. De Tour wacht op niemand, luidt een bekend gezegde, maar voor de getroubleerde chroniqueur uit het Limburgse land had de publieke omroep best wel even in de remmen mogen knijpen. Anders gezegd: zonder Jean en de hem constant Franse vliegen afvangende Mart Smeets in het commentaarhokje is de Tour de France al jaren niet meer wat-ie geweest is. Mart & Jean ja, met z’n tweeën. Verplicht. Iets met de som der delen. Een film van Stan Laurelis immers ook alleen maar leuk als Oliver Hardy erin meedoet. En de Twee Pinten konden het al evenmin alleen. (Dramatisch optreden: “Dames en heren, vanavond wegens ziekte… Eén Pint!”)En met het woord pint ben je dan al snel, via een tekstuele Lus van Schijndel, terug bij Jean Nelissen, die weliswaar veel en graag van de revitaillering gebruikmaakte, maar die ook genoeg kennis op zijn bagagedrager had om bij Parijs-Roubaix over elke afzonderlijkekassei in de strook waarop de renners hun ballen fijnstampten een persoonlijk verhaal te kunnen vertellen.

Ik meen me te herinneren dat Jean geduldig uitlegde dat elk van die verraderlijke kinderkopjes in de Carrefour de l’Arbre hoogstpersoonlijk door een norse Bretonse proletariër op ambachtelijke wijze in de weerbarstige Noord-Franse bodem is geduwd. Dat zijn weetjes waarmee je het wel uithoudt tot aan de meet.Jean Nelissen, die meer van Frankrijk heeft gezien dan Karel de Grote (die immers geen monitor had), en Mart ‘Petakkie!’ Smeets zijn al een jaar of zes, zeven geleden verdreven uit de legbatterij in de aankomstplaats, een commentaarpositie waarin het met name door de almaar uitdijende Smeets geleidelijk aan krapper en krapper werd. Mart werd verbannen naar een onder de Franse sterrenhemel geplaatstekeukentafel, waar hij verkleed als vinoloog avond aan avond dezelfde kutplaat van Dalida mocht aankondigen. Nelissen werd door de NOS het bos ingestuurd: in een permanente sigarenwolk door wielerwonderland banjerend moest hij met een declarabele spade eeuwenoude Tourveteranen opgraven, om hen vervolgens aan de enig overgebleven tand te voelen. Tot de omroep hem een spreekwoordelijke stok in het al even spreekwoordelijke wiel stak en de weggebonjourde Journaalhakkelaar Philip Freriks het Franse land mocht afgrazen, op zoek naar klotsende jeu de boules en aangesproken flessen Pernod.


Jean klotste vanaf dat moment alleen nog maar zelf, in zijn geliefde habitat daar onderaan bij Maastricht. En hoe! Virtueel gesproken is een kasteel met veertig kamers zijn slokdarm gepasseerd. “Ik drink niet meer tegenwoordig,” grapte De Neel in voornoemd HP-interview. “Ik zuíp!” Waarna de interviewer bij wijze van lachbui die bak grind over zich uitgestort kreeg. Want ondanks het feit dat hij al zijn rijkdom had verspeeld, bleef de gewezenkasteelheer een levensgenieter. “Als je denkt dat je oud bent, ben je het ook,” zei hij tussen twee slokken door. “Het is een psychische kwestie. En een bejaardentehuis ga ik van m’n leven niet in!” Op 1 september demarreerde Jean naar de ultieme eindstreep, hoog boven de Mont Ventoux. Hij arriveerde er met een paar uur achterstand op voormalig Tourwinnaar Laurent Fignon. “Gelukkig zijn hier geen kasseien,” zal Jean bij binnenkomst wel gegrapt hebben.

import michiel blijboom