Edvard Munch: zoet, zuur én bitter

Het werk van Edvard Munch, de Noorse kunstenaar die bij het grote publiek vooral bekend is door het schilderij De Schreeuw, komt naar Nederland. Samen met de Pinacothèque in Parijs stelde de Kunsthal in Rotterdam een overzicht samen waaruit blijkt hoe extreem en vooral divers zijn oeuvre is. Als experiment legde hij zijn werk buiten in de hondenpoep.

Edvard Munch (1863-1944) is een man van tegenstellingen en extremen, van uppers en vooral downers. In periodes van diepe crisis hallucineerde de kunstenaar, leed hij aan vervolgingswaanzin en raakte hij psychisch zo in de war dat de behandelend arts hem onderwierp aan elektroshocks, een serie stroomstoten door het hoofd om de waanbeelden tegen te gaan.

Op zijn schilderijen zien we ziekte, dood, jaloezie, eenzaamheid, melancholie en wanhoop. De emoties spatten ervan af. Privé en op doek wentelde hij zich in zijn obsessies. Maar er waren ook jaren dat zijn leven en werk voortkabbelden als een rustig beekje. Optimisme gloorde aan de hemel.

In die fase schilderde hij boerenvrouwen onder de Zuid-Franse zon, knipoogde hij met zijn decoratieve aanpak naar het werk van Matisse en portretteerde hij een dame met een blauwe hoed. Wist je niet beter, dan zag je een staatsieportret van koningin Beatrix. Alleen schilderde Munch het in 1922, ruim vijftien jaar voor haar geboorte.

Het is die tegenstelling die de tentoonstelling duidelijk wil maken. Munch staat garant voor dreigende, onheilspellende werken, voor macabere, mistroostige en verwrongen gezichten. Maar er is zo veel meer, in zo veel stijlen ook; litho’s, houtsnedes, tekeningen, grafiek. Schilderijen bevolkt door vrouwen, kinderen en arbeiders, maar ook met landschappen.

Behalve de portretten in opdracht, experimenteerde hij met de compositie. Mensen staan er soms half op, afgesneden in een hoekje. Die aanpak – destijds behoorlijk revolutionair – ontleende hij aan de film en fotografie, waar mensen weleens per ongeluk voor de lens langs lopen.


In Rotterdam beweegt Munch zelf ook in een paar minuten durende loop. Behalve een introductiefilm hangen er foto’s uit zijn tijd en zijn er beroemde tijdgenoten op doek. In 1902 schilderde Munch bijvoorbeeld Henrik Ibsen. De befaamde Noorse toneelschrijver is een generatie ouder dan Munch en wordt wel de vader van het moderne drama genoemd. De twee kunstenaars werkten ook samen. Voor Hedda Gabler en Spoken – twee toneelstukken van Ibsen – maakte Munch decorillustraties.

Opmerkelijk is de manier waarop Munch zijn werk behandelde. Witte handschoentjes kwamen er niet aan te pas. Zijn doeken ondergingen een ‘paardenkuur’. Om het verval letterlijk toe te laten, legde de kunstenaar ze gewoon buiten. Er ging zon overheen, maar ook regen, sneeuw én hondenstront.

Die extreme experimenten, die niemand voor zijn tijd deed, doen denken aan zijn eigen paardenmiddel: de elektroshocks. Op sommige werken is het effect goed te zien; kijk maar naar De gele boomstam (1912), het beeldmerk van de tentoonstelling. Rechtsonder bobbelt het doek, een gruwel voor kunstverzamelaars.

Wat de tentoonstelling extra bijzonder maakt, is dat al het werk afkomstig is uit privébezit. “Alles was helemaal af toen het Munchs atelier verliet,” zegt directeur Marc Restellini van de Pinacothèque in Parijs. “Munch was een moeilijke man die weigerde zijn werk te verkopen. Deed hij dat toch, dan alleen aan bepaalde verzamelaars.”

Met die opmerking suggereert Restellinidat het werk op de tentoonstelling een beter stempel heeft dan de kunst in het Munch Museum in Oslo, dat in 1963 haar deuren opende. Dat is te kort door de bocht. Die collectie bestaat uit al het studiowerk dat Munch na zijn dood aan de stad Oslo schonk, onder voorwaarde dat het permanent zichtbaar zou zijn. Enkele werken vereisten misschien nog een laatste penseelstreek, maar het gros was wel degelijk klaar.


De naam Munch is inmiddels zoveel gevallen dat het tijd is voor een lesje Noors. Wat is de uitspraak? Denk niet aan de Duitse stad München. Munsj is niet correct. Willen we het op zijn Noors zeggen, dan is het Monk. Maar misschien moeten we ons als schapen bij de kunstkenners aansluiten. Zij zeggen Moenk.

Geen enkele goede kunstenaar doet zijn hele leven hetzelfde, maar bij Munch lijkt het wel alsof hij uit twee tegengestelde personen bestaat; een lichte en een donkere.Wie zijn track record leest, begrijpt dat ook wel. Hij was vijf toen zijn moeder stierf. Nadat zijn tante zich over de kinderen had ontfermd, ging een paar jaar later zijn zuster dood. Ze scheelde maar één jaar met Munch.

En dan was er nog zijn vader, die na het verlies van zijn vrouw depressief raakte en zich ontpopte tot religieus fanaticus. Bij het avondeten sloeg hij de kindvriendelijke stukken uit de Bijbel over en las hij passages vol hel en verdoemenis voor. Ook citeerde hij bijna dagelijks uit de nagelaten brieven van zijn moeder. Het mag duidelijk zijn dat de sfeer in het Noorse huis onder het nulpunt lag.

Tel daarbij op dat de jonge Munch vaak ziek was vanwege een chronische astmatische bronchitis. Daardoor kreeg hij thuis privé-onderwijs en had hij niet veel omgang met schoolvriendjes. Zelfs met weinig psychologisch inzicht snap je dat dat niet bepaald goed was voor zijn sociale ontwikkeling.

Eenmaal volwassen stond de kunstenaar bekend om zijn moeilijke karakter. Zijn relaties met (soms getrouwde) vrouwen waren heftig. Een van die verhoudingen eindigde in een schietincident, waarbij Munch het kootje van zijn linker middelvinger verloor. Tulla Larsen – de minnares die dat allemaal veroorzaakte – hangt met haar roodgekleurde haren en priemende blik in Rotterdam. Geweldig hoe Munch haar die hysterische uitstraling gaf.


Munch wilde geen kinderen, omdat hij ervan uitging dat hij vroeg zou sterven. Geheel ten onrechte overigens; hij werd tachtig. Ook was hij bang zijn vermeende genetische eigenschappen – ziekte, waanzin – door te geven. Dat maakte dat hij de geslachtsdaad gelijkstelde aan de dood. De vertaling daarvan is zichtbaar bij de Madonna’s (1896), een serie litho’s met een sensueel ogende vrouw, vóór of na de liefdesdaad. In de oranjegekleurde versiering verwerkte Munch spermatozoïdenin de vorm van een soort visjes, terwijl linksonder de dood om de hoek komt; een skeletachtige foetus met angstige ogen. Diecombinatie van tegenpolen maakt het werk onweerstaanbaar: zoet, zuur én bitter.

Ook op De Schreeuw (1893), Munchs beroemdste schilderij, steekt die donkerte de kop op. We zien een kale, spookachtige man op een brug. De titel doet vermoeden dat hij schreeuwt, maar dat berust op een misverstand. In werkelijkheid bedekt de man zijn oren, zodat hij ‘het schreeuwen van de natuur’ niet hoeft te horen.

Het schilderij is een psychisch zelfportret. Op een avond wandelde de kunstenaar met vrienden over een brug, toen het landschap met de ondergaande zon hem zo bij de keel greep dat hij zich bedreigd voelde, de natuur hoorde ‘schreeuwen’ en bijna flauwviel.

Net als de Mona Lisa groeide De Schreeuw uit tot een icoon, een beeldmerk op T-shirts, mokken en asbakken. Het raakte nog bekender na diefstal van twee versies, die later werden teruggevonden. Mede vanwege die icoonstatus kreeg de tentoonstelling in Parijs de ondertitel ‘Anti-Schreeuw’ mee, legt directeur Restellini uit. “De Schreeuw is een vervuiling. Het maskeert zijn werk. Niemand ziet wat hij nog meer doet.” Hij vertelt dat hij het werk in de tentoonstelling had kunnen opnemen. Er zijn vier versies, waarvan één in privébezit. Maar hij weigerde. “Om een soort elektroshock teweeg te brengen, hebben we dat niet gedaan.” Munchs extreme gedrag is blijkbaar besmettelijk.


Charlotte van Lingen, conservator van de Kunsthal, onderschrijft zijn gedachtegang, maar voelt er niets voor zich af te zetten tegen het schilderij. “We willen niet het negatieve benadrukken, maar de volle breedte van Munch laten zien.” En dat is precies wat de Kunsthal doet. Voor het eerst zijn ruim 150 schilderijen en werken op papier eenmalig samengebracht en kan iedereen zijn psychische ups en downs zelf volgen.

Aan het eind van zijn carrière was Munch een gewaardeerd kunstenaar, maar zijn eerste schreden in de kunstwereld zorgden voor opgetrokken wenkbrauwen. In Berlijn, waar hij in 1892 bij de Unievan Kunstenaars exposeerde, veroorzaakte zijn werk een schandaal. ‘Een belediging voor de kunst’, luidde het oordeel.

Critici vonden zijn werk onaf en geklieder. De gemoederen liepen zo hoog op dat de tentoonstelling na een stemming onder de aangesloten kunstenaars al na een week sloot. De kranten stonden bol van de Munch-affaire. De kunstenaar zelf genoot en spon er garen bij. In Duitsland was hij op slag ‘wereldberoemd’.

Zijn erkenning groeide en hij had tentoonstellingen met Van Gogh, Cézanne en Picasso. Ook kocht het Nationaal Museum in Oslo zijn werk en ontving hij een prestigieuze koninklijke onderscheiding. Bijna dertig jaar na het Berlijn-incident was het tij gekeerd en wilde ‘iedereen’ een portret van hem.

Die roem volgde op een van de donkerste periodes uit Munchs leven, waarin hij bijna in een psychose raakte. Zijn toestand was mede zo labiel na het verbreken van derelatie met Tulla Larsen, die met haar geweerzelfmoord had willen plegen toen de kogel de hand van de kunstenaar raakte.


Munchs vele reizen en overvloedig alcoholgebruik maakten het er niet beter op. Na aanvallen van hallucinaties en paranoia en diverse bezoekjes aan kuuroorden om tot rust te komen, liet hij zich uiteindelijk opnemen in een kliniek. Daar kreeg hij elektroshocks toegediend om de hersenen min of meer te ‘resetten’.

Er zijn kunsthistorici die beweren dat Munchs werk nadien niet meer zo sterk is. In Rotterdam kan iedereen dat zelf beoordelen. De toon is wel optimistischer, al breekt de zon met titels als Jonge vrouw huilend voor een bed (1930) niet echt door. Dat geldt ook voor Huilend naakt (1914-1919), een indrukwekkend schilderij van een jong meisje met het lichaam van een oudere vrouw, dat verwijst naar Munchs zuster die altijd vijftien bleef.

Welke invloed Munchs geestelijke gesteldheid op zijn werk heeft, laat zich raden. Duidelijk is dat hij ‘anders’ keek. Een vernieuwende kunstenaar – en dat was hij – denkt nu eenmaal wild en grensverleggend. Dat is de manier waarop hij een nieuw pad hakt. Vergelijk het met baanbrekende wetenschappers. Wie iets wil ontdekken, moet voorbij de lijnen naar het onmogelijke en onbekende kijken.

Nieuwe ideeën en vernieuwende kunst vereisen een creatief brein dat verbanden legt die andere mensen niet zo snel zullen leggen. En waarvan snel wordt gezegd dat ze gestoord of krankzinnig zijn. In die zin is Munchs gemoeds-toestand onlosmakelijk verbonden met zijn werk. Je moet wel getikt zijn om zoiets te bedenken. Dalí, de Catalaanse surrealist, zei eens: “Het enige verschil tussen mijzelf en een gek is dat ik niet gek ben.”


Ook in Nederland schurken creativiteit en gekte tegen elkaar op. Bij Het Vijfde Seizoen – een plek op het terrein van het psychiatrisch centrum de Willem Arntsz Hoeve – kunnen kunstenaars drie maanden achter elkaar wonen en werken. De overkoepelende organisatie voor geestelijke gezondheidszorg Altrecht wil daarmee de maatschappij dichter bij de psychiatrie brengen en het gesloten karakter van de instelling doorbreken. In lijn met die filosofie mogen de kunstenaars zich niet afzonderen.

De afgelopen jaren maakten veel kunstenaars gebruik van Het Vijfde Seizoen. Fotografe Annaleen Louwes, die tijdens haar werkperiode een aantal patiënten op beeld vastlegde, bleef na haar vertrek met het onderwerp bezig. Tot begin vorige maand hingen haar foto’s in Het Dolhuys, het nationaal museum voor psychiatrie in Haarlem. Ter gelegenheid van het vijfjarigbestaan dook Louwes in het archief en maakte ze combinaties met historische foto’s van psychiatrische patiënten en eigenwerk. Deze tentoonstelling zit helaas in de categorie ‘jammer, net gemist’, maar er is meer.

Vanaf 24 september staat Haarlem tien dagen in het teken van kunst en gekte, tijdens het internationale Madness & Arts Festival (MAF). Het festivalterrein rond Het Dolhuys ligt buiten het stadscentrum, vanaf de veertiende eeuw dé plek voor dollen, lepra- en pestlijders.

Tegelijkertijd graaft Het Dolhuys in het hoofd van de beroemdste ‘kunstenaarsgek’ ter wereld. Onder de titel Dossier Van Gogh: gek of geniaal? vraagt het museum zich af of er een verband bestaat tussen zijn gekte en kunstenaarschap. Dankzij nagelaten brieven ‘zegt’ de kunstenaar daar zelf ook iets over. Volgens Van Gogh is kunstenaarschap een roeping,waar waanzin bij hoort. Hij schrijft: “Kunst maken vergt het uiterste van je hersenen.”


Van de late zomer tot diep in de winter kunnen we het werk zien van Munch en Van Gogh, twee experimentele kunstenaars die periodes van diepe neerslachtigheid en psychiatrische opname kenden. Die fases zijn van belang voor hun manier van kijken, maar heel bijzonder is die gekte nu ook weer niet.

Eén op de vier Nederlanders is klant van de Geestelijke Gezondheids Zorg. Iedereen voelt zich weleens neerslachtig of depressief. En wie kent geen vrienden of kennissen die plotseling door het lint zijn gegaan? Abnormaliteit is normaler dan de meeste mensen denken en niet voorbehouden aan kunstenaars. Kijk eens goed in de spiegel. Ooit weleens een normaal mens ontmoet?

Edvard Munch. Kunsthal, Rotterdam. 18 september 2010 t/m 20 februari 2011.

Dossier Van Gogh: gek of geniaal? Het Dolhuys, Haarlem. 24 augustus 2010 t/m 27 februari 2011.

Madness & Arts Festival. Festivalterrein rond Het Dolhuys, Haarlem. 24 september t/m 3 oktober 2010.

Sandra Jongenelen