Raar blad: herinneringen van een oudgediende

Links, rechts, cool, conservatief, burgerlijk en hondsbrutaal – HP/De Tijd is de afgelopen twintig jaar van alles geweest behalve saai. Ook op de redactieburelen ging het er soms heftig aan toe, van verhitte discussies over de koers tot ruzies en romances. Een kleine geschiedenis.

‘Vraagje’ meldde de onderwerpregel van het mailtje, nogal terloops. Het klonk naar een wissewasje, een kleinigheid, een inleverdatum van mijn kopij misschien, of het nou dinsdag of woensdag werd. Maar nee, Jan Dijkgraaf, toen nog hoofdredacteur van dit blad, vroeg tussen neus en lippen door of ik bij de twintigste verjaardag van HP/De Tijd de geschiedenis van het blad wilde optekenen.

Wat je een vraagje noemt.
Ik heb die volle twintig jaar meegemaakt, de ups en downs, allerlei hoofdredacties, nieuwe en vertrekkende collega’s, achterklap, intriges, de keren dat we zelf in het nieuws kwamen, drankgelagen, retraites op exotische locaties, ruzies, romances, plezier, gêne en trots. Anekdotes genoeg dus. Maar hoe schrijf je die op als je er deel van uitmaakte? Een zekere afstandelijkheid kruidt en scherpt de journalistiek, heb ik altijd gevonden. Tussen deze journalist en dit onderwerp schort het echter nogal aan distantie.
En dan leverde Dijkgraafs vraagje nog een ander dilemma op, want die twintig jaar van ons vormen samen niet zonder meer een succesverhaal. We verloren onderweg heel wat lezers, gingen als weekblad bijna kopje onder en konden uiteindelijk alleen maar met een gehalveerde redactie verder. Een levensecht verhaal over de werdegang van HP/De Tijd zou antireclame kunnen vormen, en daar zitten we niet echt om verlegen.
Maar anderzijds: als er één blad een patent op merkwaardige verhalen heeft, dan is het dít blad wel.

I  Moeizame verbroedering
Toen HP/De Tijd in september 2000 zijn eerste decennium vierde, werd Gerard Mulder, op dat moment een relatieve buitenstaander, gevraagd het proces van de fusie tussen Haagse Post en De Tijd te beschrijven. Dat leidde tot de lijvige bijlage ‘Rare dagen’, die verhaalde hoe de representanten van beide titels in het begin hun eigen vlag verdedigden. De HP’ers mikten op een soort bijdetijdse wuftheid en een lichte, ironische toets; de mensen van De Tijd eerder op grondige, betrokken en beschouwelijke journalistiek. HP was thuis in de grachtengordel en zag de nieuwe Tijd-collega’s als roomse provincialen. Het stereofone gevlag was ook in het blad terug te vinden, want beide bloedgroepen kregen hun eigen speeltuinen: HP in de rubriek ‘Circuit’ (over hippe wereldjes) en De Tijd in ‘Bestaan’ (over denken en moraal).

Mulders gedegen exercitie behoeft geen herhaling, maar een paar herinneringen en observaties kunnen er nog wel bij. Ik weet nog goed hoe stroef de sfeer in die begindagen was, in de redactieburelen op de Amsterdamse Herengracht. Ik had een eerste werkbespreking met HP-talent Annejet van der Zijl en verbaasde me hoe zij me hardnekkig vousvoyeerde, een rariteit onder journalisten. Als ik ter wille van de teambuilding na de plenaire vergadering meeging naar café Van Puffelen aan de Prinsengracht, waar de redacteuren van HP-huize werden opgewacht door oudgedienden van dat blad om over vervlogen tijden te mijmeren, dan werd ik daar nog nét geduld – veel collegialer werd het doorgaans niet aan de toog. Tijdens redactionele discussies bleek de animositeit uit verwijten dat de andere partij ál te burgerlijk c.q. modieus was, waarbij van Tijd-zijde graag fijntjes werd gewezen op de lage oplagecijfers waartoe de coole koers van de oude HP had geleid: de helft van die van De Tijd. In de wandelgangen gonsde het van hoon, argwaan en kinnesinne.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Matt Dings