Krasse knarren

De zorg lijkt de laatste grote hobbel in de formatiebesprekingen. Door alle doemscenario’s lijkt het bijna een straf om straks bejaard te zijn. Maar is dat wel zo?

Er is goed nieuws en er is slecht nieuws. Het slechte nieuws is dat het er voorlopig niet leuker op wordt om in de zorg te werken. Het personeelstekort neemt namelijk verder toe, zo becijferde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vorige week. De toename is weliswaar minder groot dan gevreesd, maar toch. Bovendien moeten zorgwerkers volgend jaar meer pensioenpremie betalen, omdat het Pensioenfonds Zorg en Welzijn in de knel zit. Mocht dat onvoldoende soelaas bieden, dan zouden de pensioenen in 2012 weleens met tien procent kunnen worden gekort.

Het slechte nieuws is dus voor de mensen in de zorg. Het is bekend dat met name de Partij voor de Vrijheid – vooral met de ronkende retoriek en minder met de benodigde rekensommen – een groot punt maakt van bezuinigingen op de zorg: dat ziet de partij gewoon niet zitten. Samen met zijn adjudante Fleur Agema ging Geert Wilders er de afgelopen jaren met gestrekt been in. Het duo schetste een schrikbeeld voor de toekomst: zieke ouderen die aan hun lot worden overgelaten, die verhongeren, doorliggen en uitdrogen in hun bed, die amper nog een verzorgende aan het bed te zien krijgen. Mensen die nu van middelbare leeftijd zijn – zeg maar de generatie-Geert Wilders – staat een helse oude dag te wachten. Tenzij ze op de PVV stemmen natuurlijk.

Dan komt nu het goede nieuws. Dat is bestemd voor onszelf, de oudere van de toekomst. Want het wordt namelijk helemaal geen ramp om straks bejaard te zijn. De kans dat we in redelijke gezondheid een hoge leeftijd bereiken, is nooit zo groot geweest als nu. En het mooie is: die kans wordt alleen maar groter. We gaan steeds meer krasse knarren om ons heen zien. En zelf worden we er ook eentje.

Waar komt dat optimisme vandaan? Uit hetzelfde SCP-rapport dat het personeelstekort in de zorg becijferde, en uit eerdere berekeningen van onder meer het RIVM en het CBS. Daarin zien we trends die zich niet zo veel aantrekken van welke coalitie er in Den Haag wordt gevormd. Het is algemeen bekend dat we gemiddeld steeds ouder worden: mannen tegenwoordig 78,4 jaar, vrouwen 82,4. De kans dat mannen de leeftijd van 85,5 halen is in minder dan een eeuw tijd bijna verdrievoudigd. Tot 2050 zal onze levensverwachting met nog eens zes jaar toenemen, zo is de verwachting. Veel belangrijker echter is dat onze gezónde levensverwachting toeneemt. Anders gezegd: we bereiken die steeds hogere leeftijd in een steeds betere gesteldheid. Wie nu 65 is, kan volgens de statistieken verwachten dat hij nog 17,3 (man) of 20,5 (vrouw) jaar leeft. Elf jaar daarvan worden in ‘goede ervaren gezondheid’ doorgebracht. Dat is bij mannen 4,3 jaar meer dan in 1991, bij vrouwen 1,6 jaar. Kort gezegd: de oudjes van nu voelen zich langer goed dan de oudjes van twintig jaar geleden. Onder meer door de toegenomen welvaart, de voortgang in de geneeskunde, de gezondere voeding en de afname van het roken. Waarbij moet worden aangetekend dat de gezonde levensverwachting gemiddeld langer duurt naarmate iemand hoger is opgeleid en (dus) welvarender is. En vrouwen worden doorgaans weliswaar ouder, maar die extra jaren brengen ze veelal in een wat mindere gezondheid door.

Nu is ‘goede ervaren gezondheid’ niet de enige maat waarmee onze lichamelijke en geestelijke toestand wordt gemeten. Er is bijvoorbeeld ook de term ‘levensverwachting zonder chronische ziekten’. Die is bij zowel mannen als vrouwen afgenomen: gemiddeld lijden we meer aan chronische aandoeningen dan vroeger – iets dat overigens onder meer wordt veroorzaakt doordat we die aandoeningen in een vroeger stadium opsporen en diagnosticeren. Tegelijk zijn we in staat om praktische beperkingen tot steeds latere leeftijd voor ons uit te schuiven, bijvoorbeeld door hulpmiddelen als rollators en hoortoestellen te gebruiken. Ook geestelijke aandoeningen komen later opzetten dan vroeger. Frappant is dat we onze gezondheid vaker als goed ervaren, ondanks de toename van chronische ziekten. Het kan een teken zijn dat bijvoorbeeld staaroperaties en kunstheupen goed uitpakken: de aandoening is dan nog steeds chronisch, maar er is goed mee te leven. De focus op preventief ingrijpen zal eveneens een steentje bijdragen: wie er vroeg bij is, krijgt van menige kwaal minder last. Het RIVM suggereert ook dat mensen ‘tegenwoordig beter in staat zijn hun ziekte of aandoening een plek te geven in hun leven’.

De trend dat we grosso modo gezonder ouder worden, zet door, zo is de verwachting. Tegelijk weten we ook aan welke ziekten we in de toekomst relatief meer gaan lijden: diabetes, hartziekten, astma en chronische bronchitis/emfyseem. Het is ook geen geheim wat probate remedies hiertegen zijn: minder roken, meer bewegen, minder en gezonder eten. Wie de aandoeningen eenmaal heeft, mag wel verwachten dat zijn leven er door betere medicatie en hulpmiddelen rooskleuriger uitziet dan vroeger. Door de bank genomen zullen ziekten draaglijker worden. Het zal langer duren eer er bijvoorbeeld een ziekenhuisopname volgt. Maar áls die opname er eenmaal is, zal de zorg zwaarder zijn. En dat zullen ook de verplegenden en verzorgenden merken. Dat is iets wat tegenwoordig al volop praktijk is: iedere verpleegkundige zal zeggen dat patiënten meer zorg vereisen dan vroeger. De ‘zwaarte’ van bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen is in de loop der jaren ook toegenomen. De gezondheidswinst die er bij ouderen wordt behaald, is vooral zichtbaar bij de mensen die nog zelfstandig kunnen wonen.

Tot 2030 zal de vraag naar zorgwerkers elk jaar met 1,2 procent stijgen, zo verwacht het SCP. De afgelopen jaren was die stijging 1,8 procent. Het verschil zit hem volgens onderzoekers deels in het gegeven dat ouderen gezonder zijn dan vroeger. Die factor wordt nog weleens vergeten als er ramingen worden gemaakt van toekomstige personeelstekorten. Natuurlijk, door de vergrijzing komen er in absolute zin meer ouderen, maar de aanslag op de zorg was veel groter geweest wanneer ze navenant krakkemikkig zouden zijn. Het mag nauwelijks troostrijk worden genoemd voor de mensen die in de zorg werkzaam zijn: ze zullen hun handen méér dan vol blijven houden. Maar voor wie er al helemaal op had gerekend dat hij zijn laatste levensfase in slechte gezondheid zou doorbrengen, bieden de statistieken goed nieuws. Schrikbeeldenretoriek aan de formatietafel is ongepast: het wordt straks niet alleen maar kommer en kwel in de zorg. Nu moet de PVV het nog even zien.

Mark Traa